Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.4
1.4 Relevantie van het onderzoek
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS448472:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bij brief van 16 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Financiën laten weten dat het wetsvoorstel is ingetrokken; Kamerstukken II 2018/19, 33 714, nr. 8. In een eerdere brief uit mei 2017 van de staatssecretaris van Financiën is te lezen dat de implementatie van dit wetsvoorstel grote investeringen met zich meebrengt en het gaat gepaard met complexiteit op het gebied van informatietechnologie. Bovendien zou het implementatietraject jaren in beslag nemen. De staatssecretaris concludeert op basis daarvan dat het wetsvoorstel achterhaald is en hij acht het wetsvoorstel daarom niet meer nodig. Zie Kamerstukken II 2016/17, 34 550 IX, nr. 24, p. 2.
Ministerie van Financiën, 2015.
Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 236, bijlage 515269, p. 11.
Onduidelijk is of deze ambitie nog overeind staat binnen de beheerste vernieuwing van de Belastingdienst die de staatssecretaris van Financiën thans voor staat. De laatste brief bevat daarover geen informatie. Kamerstukken II 2017/18, 31 066, nr. 403.
Van Tilburg, 2016.
Stevens, 1990, p. 1053-1061.
Een eerste reden om onderzoek te verrichten naar de heffingsmethoden is de constatering dat er naar dit onderwerp nauwelijks onderzoek is gedaan. Behalve het jarenlange pleidooi van de inspecteursvereniging om aanslagbelastingen om te zetten naar aangiftebelastingen, doen zich momenteel ook een aantal andere relevante ontwikkelingen voor. In het kader van het – binnenkort formeel in te trekken1 – voorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst heeft de staatssecretaris van Financiën namelijk aangekondigd een onderzoek in te willen stellen naar de omvorming van de vennootschapsbelasting van een aanslag- naar een aangiftebelasting.2 In het voorjaar van 2015 heeft de staatssecretaris op een symposium van de VHMF ook geopperd dat de inkomstenbelasting van een aanslag- naar een aangiftebelasting wordt omgezet. Dit is ook te lezen in de aanbiedingsbrief bij de zogenoemde Investeringsagenda Belastingdienst3
“Op termijn zou de inkomstenbelasting karakteristieken kunnen krijgen van een aangiftebelasting, in plaats van de aanslagbelasting die het nu is.”4
De staatssecretaris lijkt zelfs nog een stap verder te willen gaan. In de investeringsagenda schrijft hij namelijk:
“Als voorbeeld voor de inkomstenbelasting valt te denken aan een systeem dat voor alle belastingmiddelen zo veel mogelijk gelijk kan zijn, bijvoorbeeld qua correctiemogelijkheden.”5
Hierin klinkt een streven in door om in de toekomst geen onderscheid meer te maken tussen aanslag- en aanslagbelastingen.6 In min of meer dezelfde lijn heeft Poolen op de 25e editie van het Maastrichts Fiscaal Symposium (november 2015) voor 2020 een beeld geschetst van een belastingstelsel waarin er geen aanslagbelastingen meer zijn.7 Daarnaast spelen er met enige regelmaat vraagstukken op het vlak van de navorderingsvereisten. In 2010 heeft dat geleid tot de invoering van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. In deze bepaling is navordering mogelijk gemaakt voor de gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is (een zogenoemde redelijkerwijs kenbare fout).
Een andere reden om onderzoek te doen naar de heffingsmethoden is dat dit samen met het belastingsubject, het belastingobject en het tarief een basaal onderdeel vormt van een belastingwet.8 De huidige heffingsmethoden zijn vastgelegd in de AWR. Naast een aantal algemeen geldende bepalingen over de aangifte (artikelen 6 tot en met 10 AWR; hoofdstuk II AWR), betreft dit ook een aantal specifieke bepalingen. Voor heffing bij wege van aanslag zijn dat de artikelen 11 tot en met 18a AWR (hoofdstuk III) en voor heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht op aangifte gaat het om de artikelen 19 en 20 AWR (hoofdstuk IV). Daarnaast werkt de heffingsmethode ook door naar de van toepassing zijnde artikelen met betrekking tot de aard en de hoogte van een eventueel op te leggen bestuurlijke boete (artikel 67a tot en met 67q AWR; hoofdstuk VIIIA AWR). Elke Nederlandse belastingwet bevat een artikel dat bepaalt op welke wijze de desbetreffende belasting wordt geheven. Die bepaling leidt tot de toepassing van de hiervoor genoemde wetsartikelen in de AWR met betrekking tot de van toepassing zijnde heffingsmethode. Meer kennis over het onderscheid, de wijze waarop tussen de heffingsmethoden een keuze wordt gemaakt en de ontwikkeling van de heffingsmethoden acht ik om die reden van belang voor de fiscale wetenschap.
Naast een fiscaalwetenschappelijke relevantie is er ook een maatschappelijke relevantie om een onderzoek te doen naar dit onderwerp. Via de heffingsmethode komt namelijk een bepaalde (rechts)betrekking tussen de overheid (Belastingdienst/inspecteur) en de belastingplichtige of inhoudingsplichtige (hierna aangeduid als belastingplichtige) tot uitdrukking. Bij dit laatste moet vooral worden gedacht aan een verschil in de mate van rechtsbescherming. Daar komt bij een toenemende mate van rechtsonzekerheid als gevolg van steeds meer navorderingsmogelijkheden voor de Belastingdienst. Afhankelijk van de situatie weet een belastingplichtige gedurende 2, 5 of 12 jaar niet waar hij aan toe is. De heffingsmethode heeft ook invloed op de rechtshandhaving (de rechtsgelijkheid tussen belastingplichtigen, de administratieve lasten voor belastingplichtigen en de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst). Maatschappelijke opvattingen over hoe de verantwoordelijkheden tussen overheid (Belastingdienst) en belastingplichtigen moeten worden verdeeld, hebben uiteindelijk invloed op het keuzevraagstuk rondom de heffingsmethoden.