Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.2.1:5.2.1 Pleit het Obliegenheit-karakter van het leerstuk rechtsverwerking voor een groter belang van de factor nadeel bij rechtsverwerking?
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.2.1
5.2.1 Pleit het Obliegenheit-karakter van het leerstuk rechtsverwerking voor een groter belang van de factor nadeel bij rechtsverwerking?
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973542:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Houwing 1968.
Zie voor een overzicht van de historische ontwikkeling van nadeel als vereiste voor rechtsverwerking Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/23.
HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89 (Van den Bos/Provincial).
HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0721, NJ 1991/708 (Bankmanager), r.o. 3.3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De analyse van het fenomeen Obliegenheit en meer in het bijzonder de ratio van dat fenomeen, zoals geschetst in par. 2.4.2-2.4.3 hiervoor, roept vragen op over het belang dat toekomt aan de omstandigheid dat de schuldenaar nadeel heeft ondervonden voor het honoreren van een beroep op rechtsverwerking.
De vraag of nadeel is vereist voor het aannemen van rechtsverwerking is al lange tijd onderwerp van debat. Houwing gooide met zijn preadvies uit 1968 de spreekwoordelijke knuppel in het hoenderhok met de stelling dat nadeel onontbeerlijk is voor rechtsverwerking gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid.1 De Hoge Raad heeft in de loop der jaren echter enigszins wisselende rechtsregels gegeven en ook nu wordt er verschillend over ‘de nadeelkwestie’ gedacht.2
Volgens inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan rechtsverwerking worden aangenomen wanneer (i) bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn recht niet (meer) zal uitoefenen of (ii) onredelijk nadeel aan de zijde van de schuldenaar ontstaat als de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zal maken. Het gaat dus om alternatieve mogelijkheden. Ik citeer de Hoge Raad:
“Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking, daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.”3
Daaruit volgt dat benadeling van de schuldenaar een rol kan spelen bij het aannemen van rechtsverwerking, maar niet noodzakelijk aanwezig hoeft te zijn. De Hoge Raad huldigt deze opvatting intussen enkele decennia. Zie bijvoorbeeld de overweging van de Hoge Raad in het arrest Bankmanager, waar het cassatiemiddel de rechtsopvatting voorlegde dat rechtsverwerking alleen in geval van nadeel aan de kant van de schuldenaar in beeld zou moeten komen. De Hoge Raad gaat daar niet in mee:
“De door subonderdeel 1b primair opgeworpen stelling dat, kort gezegd, van rechtsverwerking alleen sprake kan zijn indien de schuldenaar door de houding van de schuldeiser in een nadeliger positie is komen te verkeren, kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Het subonderdeel is dus in zoverre tevergeefs voorgesteld.
Wel is juist dat een eventueel nadeel met de andere omstandigheden van het geval meegewogen dient te worden, doch dit kan na verwijzing nog aan de orde komen.”4