Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.5.3:7.3.5.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.5.3
7.3.5.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604166:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
F.C. de Hosson, ‘Het begrip ‘gelieerde ondernemingen’ in het nationale en internationale recht (I)’, WFR 1987, p. 1421.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De criteria voor ‘verbondenheid’ in art. 8b Wet VPB 1969 geven ook blijk van rechts-vormneutraliteit. De bepaling is immers gericht op lichamen met en zonder een in aandelen verdeeld kapitaal.
De reikwijdte van het verbondenheidsbegrip in art. 8b Wet VPB 1969 is bewust niet nader ingevuld. Hoewel ik het gebruik van een open norm begrijpelijk acht in verband met de antiontgaansfunctie van het begrip, kan ik mij voorstellen dat de praktijk is gebaat bij enig houvast. In dit verband zou het mogelijk zijn om te verwijzen naar het verbondenheidsbegrip van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Beide begrippen hebben immers dezelfde functie. De vraag rijst echter of Nederland in dat geval internationaal bezien uit de pas zou lopen.
Naar mijn mening is dat niet het geval. In de winsttoerekeningsregels van art. 9 OESO wordt voor de ‘gelieerdheid’ aangeknoopt bij het direct of indirect deelnemen aan de leiding, toezicht of het kapitaal van een onderneming:
‘...participate directly or indirectly in the management, control or capital of an enterprise ...’
Door Verdoner (1988) is beschreven dat de criteria die aan de mate van gelieerdheid van ondernemingen worden gesteld, van land tot land verschillen. De Hosson merkt eveneens op dat het begrip ‘control’ in de diverse OESO-landen op verschillende wijze wordt uitgelegd.1 Visser (2005) geeft hierbij aan dat de gelieerdheid als bedoeld in art. 9 OESO in de praktijk meestal bestaat, omdat er sprake is van deelname in het kapitaal, en er dus toch een aandelenverhouding is. Op basis hiervan denk ik dat Nederland internationaal gezien geen afwijkend standpunt zou hanteren, indien in art. 8b Wet VPB 1969 zou worden aangeknoopt bij het verbondenheidsbegrip van art. 10a Wet VPB 1969.
Aansluiting bij art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 zou ook een onduidelijkheid wegnemen ten aanzien van de reikwijdte van de term ‘een zelfde persoon’ als bedoeld in art. 8b lid 2 Wet VPB 1969. Visser merkt op dat in de wetsgeschiedenis niet is ingegaan op de vraag of familieleden ook kunnen worden beschouwd als ‘een zelfde persoon’. Hij acht het echter verdedigbaar om dit begrip ruim uit te leggen, en ook te concluderen tot gelieerdheid indien bijvoorbeeld een vader alle aandelen bezit in vennootschap X, terwijl zijn zesjarige zoon alle aandelen in de vennootschap Y houdt. Naar mijn mening kan voor deze uitleg geen steun worden gevonden in de wettekst. Zij lijkt mij echter wel gerechtvaardigd indien zou worden aangesloten bij het verbondenheidsbegrip van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969.
Overigens is het mij ook niet duidelijk waarom voor de bepaling van art. 10b Wet VPB 1969 aansluiting is gezocht bij de ‘verbondenheid’ zoals is omschreven in art. 8b Wet VPB 1969, en niet bij het begrip ‘verbonden lichaam’ van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Art. 8b en 10 lid 4 (thans: art. 10b) Wet VPB 1969 zijn op basis van hetzelfde wetsvoorstel geïntroduceerd, en dit lijkt het enige argument.