Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.10
10.4.7.10 Het leveren van tegenbewijs
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491791:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 151. Is daarentegen sprake van een overname van dat beursfonds, dan zal de belastingplichtige aannemelijk moeten maken dat de splitsing – ondanks de vervreemding van aandelen – berust op zakelijke overwegingen, althans niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 54. De wetgever veronderstelt hier dat de aandelen in de overdrager (en daarmee indirect in de overnemer) worden gehouden door een vennootschapsbelastingplichtig lichaam. Voorts gaat hij ervan uit dat het vervreemdingsvoordeel is vrijgesteld op grond van de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet VPB 1969.
De moeder-dochterafsplitsing is behandeld in onderdeel 2.8.3, onder e t/m i. Vgl. ook Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 151, waarin het volgende staat: “Door de voorgestelde regeling wordt (…) voorkomen dat bij voorbeeld in de situatie waarin de aandelen in de moedermaatschappij van de vennootschap van wie het vermogen door middel van een zogeheten uitzaksplitsing op een dochtermaatschappij is overgegaan, de antimisbruikbepaling van toepassing wordt.” Hoewel deze zin niet goed loopt, lijkt hier hetzelfde te worden gezegd dan ik zojuist in de hoofdtekst heb opgemerkt.
Volgens de wetgever zal de belastingplichtige in de volgende twee situaties (eenvoudig) slagen in het leveren van tegenbewijs:
Als de betreffende splitsingspartner waarin aandelen worden vervreemd een beursfonds is en sprake is van een normale handel op de beurs.1
Ingeval aandelen in zowel de overdrager als de overnemer na een fiscaal begeleide bedrijfsfusie aan dezelfde belastingplichtige (niet-verbonden lichaam) worden verkocht. Dit kan worden vergeleken met de situatie waarin de bedrijfsfusie niet had plaatsgevonden. Ook dan hadden aandelen zonder acute belastingheffing verkocht kunnen worden.2 Vertaald naar de rechtsfiguur van de splitsing kan hier worden gedacht aan de moeder-dochterafsplitsing. Daarbij gaat vermogen van de afsplitser over naar de verkrijger(s), terwijl de afsplitser alle aandelen krijgt toegekend in de deze verkrijger(s). Ook in dat geval zal succesvol tegenbewijs zijn geleverd in de beschreven situatie.3 Het komt mij overigens voor dat ook buiten de moeder-dochterafsplitsing, dus in reguliere afsplitsingsgevallen, met succes tegenbewijs is geleverd indien aandelen in de afsplitser en de verkrijger(s) worden overgedragen aan hetzelfde niet-verbonden lichaam. In die gevallen is het immers ook mogelijk om eerst (alle) aandelen in de (aspirant) afsplitser over te dragen aan de derde. Vervolgens kan de afsplitsing alsnog (fiscaal begeleid) tot stand worden gebracht.