Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/2.3.1
2.3.1 Vestigingsklimaat
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394706:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere de jaarlijkse EY’s attractiveness survey’s, Barometer Nederlands vestigingsklimaat 2016 “van investeren naar blijvend vertrouwen” en Standort Deutschland 2016 “Kurs halten, Europa stärken.
Ik ben het met Doornebal eens dat er kritische kanttekeningen geplaatst kunnen worden bij de opvatting dat het vestigingsklimaat in overwegende mate zou worden bepaald door de fiscale wetgeving en fiscale faciliteiten van een land. Doornebal wijst er onder andere op dat het vestigingsklimaat wordt bepaald door een veelheid van feiten en omstandigheden, per categorie ondernemingen verschilt, lastenverzwaringen voor bedrijven niet altijd leiden tot verslechtering van het vestigingsklimaat en een verslechtering niet per definitie leidt tot vertrek van ondernemingen. J. Doornebal, Vestigingsklimaat en fiscale wetgeving: enkele kritische kanttekeningen, in de Van der Geldbundel, 2016, blz. 59-64.
Vergelijk ook De Vries die stelt dat het wellicht zelfs noodzakelijk is dat de fiscale wetgeving aansluit bij de aard van de nationale economie. R.J. de Vries, CCTB/CCCTB, tariefperikelen en Nederlandse economische belangen, blog op EY.com.
Hiermee bedoel ik dat het binnen Duitsland al mogelijk is een groot concern op te bouwen met verschillende vestigingen zonder dat dit concern last heeft van verschillende systeem- en marktregels.
De term werd in 2006 werd geïntroduceerd door de toenmalige Nederlandse minister-president Jan Peter Balkenende. Balkenende verwees hiermee naar de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Dit handelsbedrijf, de eerste multinational ter wereld, werd door Balkenende gezien als een bedrijf met handelsgeest, daadkracht en durf (bron: wikepedia. nl).
Voor een kritisch en uiterst lezenswaardige column over het onterecht beroepen op “het fiscale vestigingsklimaat” zie C. Maas, Goed voor het vestigingsklimaat? Wie stelt, bewijst! Opinie taxlive, 17 februari 2017.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 5 oktober 2015, Appreciatie uitkomst BEPS-project en vooruitblik Nederlands fiscaal vestigingsklimaat, kenmerk IZV/2015/657 M, V-N 2015/56.4.
Voor een kritische beschouwing ten aanzien van dit punt zie W.E. Nent, Vooroverleg; uitstervende hoeksteen van fiscaal uitvoeringsbeleid, NTFR 2017/2503. De auteur gaat mijns inziens terecht in op de problemen bij de Belastingdienst en de mogelijke gevolgen daarvan voor het “vooroverleg”.
Zie ook F.P.G. Pötgens, Het regeerakkoord en het vestigingsklimaat, WFR 2017/227 en J. Vleggeert/H. Vording, Naar een bronbelasting op rente en royalty’s: een stap verder dan het regeerakkoord, WFR 2018/3.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2.
EY Tax & Law Magazine, 03/2013, blz. 12.
C. Spengel/R. Bräutigum, Steuerpolitik in Deutschland – eine Halbzeitbilanz der aktuellen Legislaturperiode im Kontext europäischer Entwicklungen, Ubg 10/2015, blz. 569 en 581.
A.C. Breuer/A.J.A. Stevens, Fiscale ontwikkelingen in Duitsland, WFR 2016/3, paragraaf 9.
In gelijke zin A.C. Breuer/A.J.A. Stevens, Fiscale ontwikkelingen in Duitsland, WFR 2016/3, paragraaf 3.2.
Zie bijvoorbeeld Tax & Law Special, Nach der Wahl, Steuerpolitik für den Standort Deutschland. Ein Positionspaper des Wissenschaftlichen Beirats Steuern von EY für die neue Legislaturperiode ab 2017, September 2017 onder het hoofdstuk “Wettbewerbskraft in Gefahr”.
Zie voor een voorbeeld ook de aangenomen motie van Nepperus, Dijkgraaf en Omtzigt op 22 maart 2016, waarin de regering verzocht wordt om de belastingopbrengsten als gevolg van de EU Antibelastingontwijkingsrichtlijn in te zetten voor het behoud van een goed fiscaal vestigingsklimaat. Kamerstukken 2015-2016, 22112, nr. 2087.
Zowel Nederland als Duitsland blijkt voor buitenlandse investeerders een aantrekkelijk vestigingsklimaat te hebben.1 De fiscaliteit heeft voor een deel invloed op (de aantrekkelijkheid van) het vestigingsklimaat.2 Het lijkt raadzaam om vanuit economisch perspectief de fiscale wetgeving van een land te laten aansluiten bij de aard van de nationale economie.3 Vanuit dit perspectief is het dan ook niet onlogisch dat Nederland en Duitsland een andere benadering kennen ten aanzien van het fiscale vestigingsklimaat. Wat betreft de afzetmarkt is er een duidelijk verschil tussen Nederland en Duitsland te constateren. Daarbij speelt uiteraard de grootte van de landen een rol. Daar waar Duitsland een traditioneel industrieland is, schaalvoordelen kent4 en een grote binnenlandse (afzet)markt heeft, heeft Nederland een dergelijke binnenlandse (afzet)markt niet en kenmerkt Nederland zich meer als grensoverschrijdend dienstverleningsland en de aanwezigheid van een zogenoemde “VOC-mentaliteit’’.5 Een gevolg daarvan is dat Nederland zich traditioneel gezien heeft ingespannen om een aantrekkelijk (fiscaal) vestigingsklimaat te creëren en te behouden.6 De gedachte daarbij is onder meer ondernemers die in het buitenland handel drijven fiscaal te behandelen als ware zij een ondernemer in het desbetreffende buitenland. Dit uit zich bijvoorbeeld in die zin dat Nederland zich als hoofdregel onthoudt van additionele belastingheffing bij repatriëring van buitenlands inkomen naar Nederland.
De Nederlandse focus op het vestigingsklimaat blijkt onder meer uit de in 1992 door de Staatssecretaris van Financiën uitgebrachte “Orientatienota fiscaal vestigingsklimaat’’.7 Hierin wordt onder andere opgemerkt “dat Nederland aantrekkelijk moet blijven voor reële investeringen waaruit duurzame arbeidsplaatsen voortvloeien”. Meer recentelijk gaf staatssecretaris Wiebes het volgende aan : “Het Nederlandse fiscale systeem heeft sinds jaar en dag een internationale focus. Voor ondernemers uit een klein land met een open economie als Nederland is de buitenlandse markt van levensbelang.’’8 Als belangrijkste pijlers van het aantrekkelijke Nederlandse fiscale vestigingsklimaat worden vrijwel altijd genoemd:
De uitgebreide deelnemingsvrijstelling;
Geen bronbelasting op interest en royalty’s;
Een kwalitatief goed en uitgebreid verdragennetwerk;
Het rulingbeleid en daarmee samenhangend, een efficiënte, consistente, benaderbare, transparante en oplossingsgerichte Belastingdienst.9
In de toekomst komt er wellicht wat verandering in deze pijlers voor een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat. Op 10 oktober 2017 heeft de nieuwe regering het regeerakkoord voor de komende vier jaren bekend gemaakt, met daarin ook de nodige fiscale plannen. Om het vestigingsklimaat ook in de toekomst fiscaal aantrekkelijk te houden wordt het tarief van de vennootschapsbelasting verder verlaagd. Het tarief over de eerste € 200.000 fiscale winst wordt stapsgewijs verlaagd van 20% naar uiteindelijk 16% (in 2021) en het tarief over de fiscale winst daarboven wordt stapsgewijs verlaagd van 25% naar 21% (in 2021). Daarnaast heeft de nieuwe regering aangekondigd dat de dividendbelasting komt te vervallen, mits er geen sprake is van misbruik, of een uitkering aan laagbelastende landen (“low tax jurisdicties’’). Om belastingontwijking tegen te gaan is de nieuwe regering onder andere voornemens een bronheffing in te voeren op interest en royalty’s op uitgaande financiële stromen naar laagbelastende landen.10 In de brief van 23 februari 201811 geeft de staatssecretaris aan dat de bronbelasting ingehouden gaat worden als een in Nederland gevestigde entiteit binnen concernverband dividenden, rente of royalty’s betaalt aan een entiteit die is gevestigd in een land met een laag statutair tarief, óf een land dat is opgenomen op de (zwarte) EU-lijst van niet coöperatieve landen. Wat verstaan moet worden onder “binnen concernverband’’ is niet geconcretiseerd. Ook is op het moment van schrijven nog niet nader toegelicht wat verstaan moet worden onder een land met een laag statutair tarief. De planning is dat de afschaffing van dividendbelasting en bronheffing op dividenden in bovengenoemde gevallen vanaf 1 januari 2020 van toepassing is en de bronheffing op rente en royalty’s vanaf 1 januari 2021.
Duitsland kent veel minder de drang om zich in te zetten voor een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat. EY geeft dit mijns inziens treffend weer door op te merken dat in tegenstelling tot de Engelsen, die in 2011 bij monde van George Osborn (Engelse Minister van Financiën) opmerkten dat het Verenigd Koninkrijk “open is for business’’, uit de fiscale politieke beslissingen en discussies in Duitsland men haast zou kunnen denken dat “Germany is closing for business’’.12 Ook Endres & Stellbrink13 en Spengel & Bräutigum14 zijn van mening dat er hervormingen in Duitsland nodig zijn om Duitsland fiscaal concurrerender te maken. Breuer & Stevens geven aan dat Duitsland qua internationaal vestigingsklimaat met name georiënteerd is op het niet-verliezen van belastingsubstraat in plaats van het aantrekken van buitenlandse investeerders via fiscale faciliteiten.15 Wel merk ik op dat Duitsland zich wellicht niet (of in mindere mate) via de fiscaliteit laat gelden wat betreft het fiscale vestigingsklimaat, maar dat bijvoorbeeld S&O werkzaamheden gestimuleerd worden via rechtstreekse subsidies.16 Ook uit het op 7 februari 2018 gepubliceerde regeerakkoord blijkt dat de nieuwe regering niet van plan is hervormingen voor (grote) ondernemingen door te voeren om het fiscale vestigingsklimaat aantrekkelijker te maken. De winstbelasting van lichamen speelt slechts een bijrol in het regeerakkoord. Duitsland heeft aangegeven samen met Frankrijk te willen werken aan een Duits-Franse gemeenschappelijke (vennootschaps)belastinggrondslag als reactie op de belastinghervorming (en fiscale concurrentie) in de Verenigde Staten. In het regeerakkoord wordt echter niet geconcretiseerd welke specifieke maatregelen zijn bedoeld als mogelijke reactie op de hervorming in de Verenigde Staten.17 Met name in de wetenschap en praktijk leidt “het niets doen’’ van de wetgever tot kritiek.18
Het bovenstaande betekent mijns inziens in ieder geval voor mijn onderzoek dat ik er rekening mee moet houden dat er in Nederland, ten opzichte van Duitsland, een sterkere wens aanwezig is om zich in te zetten voor een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat.19 Het verschil tussen Nederland en Duitsland wat betreft de wens om een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat te creëren of te behouden, zal in mijn onderzoek op meerdere plaatsen naar voren komen en meegenomen worden in de internationale/Europese fiscale ontwikkelingentoets uit mijn toetsingskader.