Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.5.2
3.5.2 Begripsbepaling
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631768:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In par 4.10 zal in dat verband aandacht worden besteed aan het leerstuk toerekening, zowel van handelingen van de bedrijfsleider aan de rechtspersoon, als omgekeerd.
De ‘billijkheid’ (uit het begrippenpaar redelijkheid en billijkheid) vat ik zodanig op, dat naast een rechtvaardige beoordeling van een voorliggende casus (alle relevante feiten en omstandigheden moeten in ogenschouw worden genomen), gelijkheid in behandeling van gelijke of vergelijkbare gevallen is vereist.
Emaus (2013), p. 46 stelt dat het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht principieel gericht is op het herstel van onevenwichtigheid en dat dit rechtsgebied, volgens Ofer Grosskopf, als geheel een uiting is van het (fundamentele) gelijkheidsbeginsel. Emaus refereert aan dit artikel: O. Grosskopf, ‘Horizontal Equality and the Law of Torts’, in: D. Friedmann & D. Barak-Erez (eds.), Human Rights in Private Law, Oxford: Hart Publishing 2003, p. 357-372. Zie ook Florijn (1991).
In hoofdstuk 2 heb ik aangegeven de dogmatische discussie over het ernstig verwijt-criterium hier te laten voor wat die is. De tegenstanders van dit criterium zouden tegen mijn benadering kunnen inbrengen dat de drempel overbodig is, en in het geval dat sprake is van misbruik of wangedrag, de rechter sowieso geen reden voor een terughoudende benadering zal zien. Vanuit die visie lijkt mij dat een juist standpunt.
HR 15 december 2000, JOR 2001/1 m.nt. Van den Ingh (Squamish).
De Boode (1997), p. 384-349 merkt onder verwijzing naar diverse (oudere) rechterlijke uitspraken op dat het lijkt alsof de rechters het in die uitspraken niet van belang vonden of de betrokken persoon al dan niet door het bevoegde orgaan en op de voorgeschreven wijze tot statutaire bestuurder was benoemd.
Zoals uit de in de volgende paragrafen te geven voorbeelden zal blijken ga ik uit van een ruime omschrijving van het begrip quasi-bestuurder: in mijn benadering van het fenomeen quasi-bestuurder vallen in die categorie ook personen waarvan in de parlementaire geschiedenis en in de regel in de literatuur wordt aangenomen dat die niet als zodanig zijn te kwalificeren. Denk aan de bedrijfsleider die met (nagenoeg) de gehele leiding van de onderneming is belast en blijft binnen de grenzen van zijn bevoegdheden.1 Uitgangspunt is voor mij het gelijkheidsbeginsel, in die zin, dat (in het recht) gelijke gevallen (zoveel mogelijk) gelijk moeten worden behandeld.2 Het is een norm die zich richt tot de overheid (ook als wetgever), maar (daarom) ook tot de rechterlijke macht die wetgeving moet interpreteren en toepassen. Dat geen twee gevallen gelijk zijn, hetgeen men mij zou kunnen tegenwerpen, overtuigt mij niet. Waar het om gaat is om te beoordelen of twee gevallen zodanig op elkaar lijken dat er in juridische zin geen (objectieve) rechtvaardiging is om die verschillend te behandelen. Dat is, andere rechtsgebieden daargelaten, ook een fundamenteel uitgangspunt in het algemene aansprakelijkheidsrecht.3 Degene die zich gedraagt als ware hij de formele bestuurder en die – direct of indirect – (een deel van) de bestuurstaak aan zich heeft getrokken, dient vanuit een oogpunt van aansprakelijkheid als een (formele) bestuurder te worden behandeld. Die persoon kan in beginsel aanspraak maken op de hoge drempel voor aansprakelijkheid (de ernstig verwijt-maatstaf). In beginsel, omdat, zoals nader aan de orde zal komen, sprake zou kunnen zijn van zodanig misbruik of (wan)gedrag dat aan de betrokken persoon deze aanspraak niet zou behoren toe te komen.4 Ik kan dat niet hard maken, maar ik heb de overtuiging dat de specifieke inhoud die ik aan het begrip quasi-bestuurder geef, goed aansluit op wat in het maatschappelijke domein onder dit begrip wordt verstaan, of wellicht moet ik zeggen: zou worden verstaan als dit fenomeen in de praktijk zou worden beoordeeld.
Uitgangspunt voor mij is dan ook of de betrokken persoon – al dan niet met instemming van het formele bestuur – (in overwegende mate) (mede) bepalend is voor beleidskeuzes en bestuurshandelingen, en zodanig functioneert dat hij materieel met een formele bestuurder behoort te worden gelijkgesteld. Zo kan, om een voorbeeld te noemen, een bedrijfsleider, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, zoveel vrijheid worden gelaten – contractueel vastgelegd en dus met instemming van het bestuur –, dat hij feitelijk de leiding over de onderneming uitoefent als ware hij de formele bestuurder. Dat hij handelt binnen de (ruime) grenzen van zijn bevoegdheden is op zichzelf geen reden om hem niet als quasi-bestuurder aan te merken. Ik zie ook geen goede reden om hem de hoge drempel voor aansprakelijkheid te ontzeggen. In mijn benadering maakt het voor het element “als ware hij bestuurder” niet uit of daarvoor een contractuele grondslag bestaat of niet. Het komt aan op de feitelijke gedragingen of de feitelijke invloed die de betrokken persoon uitoefent. De bedrijfsleider die de genoemde vrijheid contractueel niet heeft en zich die ook niet eigenmachtig toeëigent, maar onder verantwoordelijkheid van het bestuur uitsluitend uitvoerend is en handelt binnen de kaders van de van het bestuur ontvangen instructies, kwalificeert in mijn benadering niet als quasi-bestuurder. Hij gedraagt zich immers niet als ware hij een formele bestuurder.
Bij het voorgaande moet worden bedacht dat op grond van de uitspraak van de Hoge Raad5 een beperkt bestuurdersbegrip wordt gehanteerd: alleen degene die in overeenstemming met Boek 2 BW en de statuten als zodanig rechtsgeldig is benoemd, kwalificeert als bestuurder. Dit betreft dan de statutaire of formele bestuurder. Dit kan als een negatieve afbakening worden aangemerkt. Met het oog op de rechtszekerheid is op zich begrijpelijk dat hiervoor is gekozen.6 In de praktijk is er behoefte aan duidelijkheid, onder meer wat betreft de vraag wie een rechtspersoon op grond van de wet en de statuten rechtsgeldig mag vertegenwoordigen. Je kunt echter ook uitgaan van een overkoepelend begrip ‘bestuurder’, dat kan worden onderverdeeld in formele bestuurders (benoemd overeenkomstig dan wel anderszins bevoegd tot bestuursdaden op grond van Boek 2 BW en de statuten) en quasi-bestuurders. De laatstgenoemden lijken veel of wellicht in zo’n beetje alles op de spreekwoordelijke eend, maar blijken bij nadere beschouwing een waterhoentje te zijn dat zich als een eend gedraagt. Die quasi-bestuurders kunnen een wettelijke of contractuele basis hebben voor hun handelen (denk aan de zaakwaarnemer of aan de principaal die afspraken heeft gemaakt met een trustbestuurder), of geheel eigenmachtig optreden. Die categorieën zullen in de volgende paragrafen worden besproken.