Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.5.3
3.5.3 De feitelijke bestuurder
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631740:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie r.o. 4.2.6 GHvJ (Curaçao) 13 juni 2017, JOR 2017/316 m.nt. Van den Heuvel en Van Hees (OM/Integrated Utility Holding). Zie ook r.o. 4.6 van Rb Limburg 28 april 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:3797, JOR 2021/207 m.nt. Bartman (Maastrichtse Autobus Combinatie). Omdat de aandeelhouder de bevoegdheid had om transacties boven de € 15.000,- al dan niet goed te keuren en van die bevoegdheid daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt, is hij naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als medebeleidsbepaler als bedoeld in art. 2:248 lid 7 BW. En aangezien op de medebeleidsbepaler op grond van lid 2 ook de verplichtingen uit art. 2:10 BW en art. 2:394 BW rusten, overweegt de rechtbank dat de aandeelhouder naast de formele bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement.
De eerste categorie betreft de persoon die (al dan niet eigenmachtig) handelt of zich (al dan niet eigenmachtig) gedraagt als bestuurder maar géén statutaire bestuurder is (de de facto bestuurder of feitelijke bestuurder). Er zijn hier enkele gevallen te onderscheiden.
Het eerste geval betreft de bestuurder die op goede gronden meent een statutaire bestuurder te zijn, maar waarvan achteraf bijvoorbeeld blijkt dat zijn benoemingsbesluit nietig is. Met andere woorden: hij is in dit opzicht te goeder trouw. Deze quasi-bestuurder dient wat zijn doen en laten betreft te worden behandeld als ware hij een statutaire bestuurder, en aan de vraag op grond van welke (feitelijke) handelingen hij als quasi-bestuurder zou moeten worden aangemerkt komt men niet toe. Hij is – incidenteel of voor langere tijd (structureel) – op de stoel van de bestuurder gaan zitten omdat hij meende een formele bestuurder te zijn. Aan de gevolgen voor de geldigheid van de besluitvorming waar deze bestuurder bij was betrokken ga ik hier voorbij.
Tot deze categorie reken ik ook de quasi-bestuurder (in dit geval de feitelijke bestuurder) die zich op grond van het leerstuk zaakwaarneming inlaat met het besturen van een rechtspersoon. Een belangrijk kenmerk van zaakwaarneming is dat daarvan alleen kan worden gesproken als iemand zich – willens en wetens en op redelijke grond – inlaat met de behartiging van de belangen van iemand anders zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen (art. 6:198 BW).
Een ander geval betreft de persoon die zich als bestuurder gedraagt in de wetenschap dat hij geen statutaire bestuurder is en zonder dat voor zijn bestuurshandelen een voldoende rechtvaardiging bestaat. Met andere woorden: hij is in dit opzicht niet te goeder trouw. Hij kan zich aldus gedragen om bijvoorbeeld zijn eigen belangen te dienen. Het kan daarbij gaan om een persoon binnen maar ook buiten de organisatie van de rechtspersoon. Ook kan worden gedacht aan een RvC die feitelijk aan het bestuur zijn autonomie (zelfstandige bestuursbevoegdheid) ontneemt, bijvoorbeeld door het besluit te nemen dat (nagenoeg) alle bestuursbesluiten aan voorafgaande goedkeuring van de RvC zijn onderworpen, om aldus gedurende zekere tijd (feitelijk) zelf het bestuur over de rechtspersoon te voeren.1 De betrokken commissarissen zijn dan ieder als quasi-bestuurder aan te merken. Dat hiermee ook de governance-structuur wordt verbroken, doordat het toezichthoudende orgaan nu feitelijk bestuursorgaan is geworden, en dat een dergelijk door de RvC genomen besluit nietig is wegens strijd met de wet (een schending van de bestuursautonomie), laat ik hier verder onbesproken.