Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.5.2.0:5.5.2.0 Introductie
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.5.2.0
5.5.2.0 Introductie
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvT zoals weergegeven in Van Loenen (1910), p. 45.
Ook deze gemeentewetswijziging is niet aangegrepen om in de toelichtende parlementaire stukken alsnog duidelijkheid te scheppen over de reikwijdte van de onregelmatigheidstoetsing.
Van Loenen-II (1934).
Oppenheim- III (1932).
Bool (1932).
Sweens (1932).
Buriks (1936), p. 736.
Rb. Leeuwarden 14 november 1929, AB 1930/300 of W 12101 (Weekblad van het recht, 27 maart 1930, no. 12101, p. 6-8).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bovenstaande rechtvaardigt nadere beschouwing omtrent de vraag wat dan kan worden bedoeld met "in rechte gebleken onregelmatigheden". De parlementaire geschiedenis schept hieromtrent slechts gedeeltelijk helderheid. Zoals gezegd, bestond een dergelijke clausulering niet in de Gemeentewet van 1851. Een eerste uitzondering op de décharge ontstond pas bij de gemeentewetswijziging in 1909. Vanaf dat moment geschiedde de ontlasting van het college "behoudens later in rechten gebleken valschheid in bewijsstukken". De ratio hierachter was dat het:
"nooit de bedoeling [kan] zijn om den ambtenaar, die in rechten overtuigd wordt van opzettelijke fraude, civielrechtelijk vrij uit te doen gaan, op grond eener met behulp der vervalsching verkregen décharge (...)".1
Bij de integrale herziening van de gemeentewet in 1931 werd deze clausulering uitgebreid naar "later in rechte gebleken valschheid in bewijsstukken, of andere onregelmatigheden (curs. WvdW)." Deze wijziging is in de Memorie van Toelichting volstrekt niet gemotiveerd. Hierdoor is onduidelijk waaraan nu precies moet worden gedacht bij deze onregelmatigheden en waarin deze zich onderscheiden van de valsheid in bewijsstukken of eventueel van de rechtmatigheidstoetsing door de accountant en de raad. Omdat het criterium van valsheid in de bewijsstukken in 1992 is komen te vervallen en de "onregelmatigheden" als enige criterium zijn overgebleven, is deze onduidelijkheid des te problematischer.2
Ook in de gemeenterechtelijke literatuur wordt vrijwel complete radiostilte in acht genomen omtrent de oorsprong en de reikwijdte van deze onregelmatigheidstoetsing. Noch in de gezaghebbende gemeentewetscommentaren of supplementen op gemeenterechteliike handboeken die vlak na de herziening van 1931 verschenen — Van Loenen3, Oppenheim4, Bool5 — noch in het op civielrechtelijke aansprakelijkheid voor het beheer van gemeentegelden toegesneden proefschrift van Sweens6, kan een indicatie worden gevonden voor de motieven achter de introductie van het onregelmatigheidscriterium. Alleen Buriks verwijst in zijn "Gemeenterecht"7 naar een toentertijd recente rechterlijke uitspraak, waaruit volgens hem de noodzaak voortvloeide het oorspronkelijke criterium van 'valsheid in de bewijsstukken' te verruimen.8 Hoewel Buriks geen vindplaats geeft voor deze uitspraak, blijkt uit een onderzoek van de jurisprudentie uit het 'Weekblad van het recht' en 'Administratiefrechtelijke beslissingen' van een aantal jaren voorafgaand aan de gemeentewetsherziening van 1931, dat Buriks' verwijzing vrijwel uitsluitend betrekking kan hebben op een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden uit 1929 in een geschil tussen de gemeente )Engwirden (thans opgegaan in de gemeente Heerenveen) en haar voormalige Ontvanger Pasma. Voor een goed begrip van de reikwijdte van de rechterlijke onregelmatigheidstoetsing kan een goed begrip van de oorsprong van deze bepaling nuttig zijn.