In zijn conclusie voor arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, gebruikt mijn ambtgenoot Van Soest de navolgende formulering:'De constructie, dat een voorziening voor ontmantelingskosten een factor kan zijn bij de beoordeling van de vraag, of een economische noodzaak bestaat tot toepassing van kernenergie, maakt op zichzelf al een gekunstelde indruk ' (onderdeel E 6).
HR, 20-05-1987, nr. 15
ECLI:NL:HR:1987:AC9839
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-05-1987
- Zaaknummer
15
- LJN
AC9839
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1987:AC9839, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑05‑1987; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AC9839
ECLI:NL:PHR:1987:AC9839, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑1987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1987:AC9839
- Vindplaatsen
NJ 1987, 973 met annotatie van J.M.M. Maeijer
NJ 1987, 973 met annotatie van J.M.M. Maeijer
Uitspraak 20‑05‑1987
Inhoudsindicatie
Procedure inzake jaarrekening. Is werknemer belanghebbende in de zin van art. 999 Rv? Stelplicht en bewijslast met betrekking tot nadeel. Moet werknemer eerst gebruik maken van zijn mogelijkheden als lid van de ondernemingsraad (OR)?
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
20 mei 1987.
nr. 15.
ARREST
in. de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Koninklijke Maatschappij "De Schelde", gevestigd te Vlissingen, eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. J.L.W. Sillevis Smitt,
tegen
[verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instantie.
Verweerder in cassatie (hierna te noemen: [verweerder]) heeft bij exploot van 9 september 1985 eiseres tot cassatie (hierna te noemen: De Schelde) gedagvaard voor het Gerechtshof te Amsterdam (Ondernemingskamer) en gevorderd dat De Schelde zal worden veroordeeld een nieuwe jaarrekening en nieuw jaarverslag over 1984 op te stellen, die voldoen aan de daaraan door de Wet gestelde eisen, althans in te richten overeenkomstig de bij rechterlijk bevel te geven aanwijzingen, met veroordeling van De Schelde in de kosten.
Nadat De Schelde tegen die vordering verweer had gevoerd en [verweerder] nog een akte had genomen, heeft de Ondernemingskamer bij arrest van 26 juni 1986 de in dat arrest bedoelde accountant ten verhoor opgeroepen en partijen gelast bij dat verhoor tegenwoordig te zijn tot het geven van inlichtingen, met aanhouding van iedere verdere beslissing. Het arrest van de Ondernemingskamer is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie.
Tegen het arrest van de Ondernemingskamer heeft De Schelde beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, kosten rechtens.
Partijen hebben de zaak doen bepleiten, De Schelde door mr. O.L.O. de Witt Wijnen, advocaat te Rotterdam, en [verweerder] door zijn advocaat.
De Advocaat-Generaal mr. Verburg heeft op 11 februari 1987 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs arrest.
3. Beoordeling van het middel van cassatie.
3.1. Als verweer tegen de door [verweerder] in dit geding op de voet van artikel 999 Rv. tegen De Schelde ingestelde vordering heeft deze laatste voor het Hof onder meer aangevoerd dat [verweerder] niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van dat artikel, zodat hij in die vordering niet kan worden ontvangen. Bij zijn bestreden arrest is het Hof echter van de ontvankelijkheid van [verweerder] uitgegaan. Hiertegen keert zich het middel.
3.2. Voor zover het daarbij opkomt tegen 's Hofs oordeel dat een werknemer reeds uit hoofde van zijn dienstbetrekking behoort tot de kring van de bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen, faalt het middel, daar dit oordeel, beschouwd tegen de achtergrond van de hedendaagse rechtsopvattingen zoals die onder meer tot uiting komen in de huidige wetgeving op het gebied van het ondernemingsrecht, juist is.
3.3. De omstandigheid dat de werknemer behoort tot de hiervoor bedoelde kring, brengt mee dat te zijnen aanzien het door artikel 999 vereiste belang om door middel van de jaarrekeningprocedure op te komen tegen de inrichting van de in dat artikel bedoelde stukken, wordt verondersteld, zodat hij in die procedure geen feiten en omstandigheden behoeft te stellen waaruit valt af te leiden dat voor hem nadeel is verbonden aan de wijze waarop die stukken zijn ingericht.
3.4. Maar hij kan niet als belanghebbende in vorenbedoelde zin gelden, indien zijn wederpartij in de procedure stelt, en in geval van betwisting bewijst, dat achterwege blijven van de door hem verlangde wijziging in de inrichting der stukken, gelet op de omstandigheden van het geval, geen nadeel voor hem in zijn betrokkenheid als werknemer bij de onderneming kan opleveren. Alsdan zal hij in zijn vordering dus niet kunnen worden ontvangen.
3.5. Opmerking verdient in dit verband dat De Schelde blijkens de stukken van het geding voor het Hof heeft aangevoerd - samengevat weergegeven - dat degene die, zoals [verweerder], niet alleen werknemer maar ook lid van de ondernemingsraad van de betrokken onderneming is, in geen geval kan gelden als belanghebbende in de zin van artikel 999 indien hij niet, alvorens de in dit artikel bedoelde vordering in te stellen, gebruik heeft gemaakt van de hem als lid van de ondernemingsraad openstaande mogelijkheid om zijn bedenkingen tegen de jaarstukken aan de ondernemer voor te leggen. Dit betoog kan echter niet als juist worden aanvaard, reeds op grond van de omstandigheid dat voor het benutten van die mogelijkheid slechts een beperkte tijdsruimte beschikbaar is in verband met de bij artikel 1001 Rv. voor het instellen van de vordering gestelde termijn van twee maanden.
3.6. Het vorenstaande brengt mee dat het middel ten dele gegrond is en het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Na verwijzing dient De Schelde gelegenheid te worden geboden haar stellingen voor zover nodig aan te passen aan de hiervoor geformuleerde regel betreffende de stelplicht in een geval als het onderhavige.
4. Beslissing.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam;
verwijst [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Schelde begroot op f. 529,35 aan verschotten en f. 3.000, -- voor salaris.
Aldus gewezen door mrs. Royer, vice-president, Jansen, Van der Linde, Baardman en Bellaart, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter openbare terechtzitting van 20 mei 1987, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Moltmaker.
Conclusie 11‑02‑1987
Inhoudsindicatie
Procedure inzake jaarrekening. Is werknemer belanghebbende in de zin van art. 999 Rv? Stelplicht en bewijslast met betrekking tot nadeel. Moet werknemer eerst gebruik maken van zijn mogelijkheden als lid van de ondernemingsraad (OR)?
TDL
Nr. 15
Art. 999 BRv
Derde Kamer A
Zitting, 11 februari 1987
Mr. Verburg
Conclusie inzake:
B.V. KONINKLIJKE MAATSCHAPPIJ "DE SCHELDE"
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verweerder in cassatie, [verweerder], heeft van B.V. Koninklijke Maatschappij "De Schelde" te Vlissingen, thans eiseres tot cassatie, gevorderd dat voornoemde B.V. zal worden veroordeeld, een nieuwe jaarrekening en een nieuw jaarverslag op te stellen, die voldoen aan de daaraan door de wet gestelde eisen, althans in te richten overeenkomstig bij rechterlijk bevel te geven aanwijzingen.
Gedaagde, thans eiseres tot cassatie, heeft betwist dat [verweerder], werknemer van de B.V. en lid van haar ondernemingsraad, belanghebbende is in de zin van artikel 999 Rv.
De Ondernemingskamer heeft onder meer geoordeeld:
"Zoals mede blijkt uit het bepaalde in artikel 35b, lid 4, van de Wet op de ondernemingsraden behoort een werknemer reeds uit hoofde van zijn dienstbetrekking tot de kring van de bij de onderneming betrokkenen wier belangen de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen moet worden geacht te beschermen. Eiser is derhalve belanghebbende bij de jaarrekening en het jaarverslag van gedaagde" (blz. 7),
en beslissende, bepaald
"dat binnen één maand na het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest Klynveld Kraayenhof en Co. te Middelburg zal worden opgeroepen ten verhoor voor de Ondernemingskamer tegen een nader te bepalen datum en tijdstip" (blz. 8).
2. In cassatie bestrijdt eiseres 's Hofs oordeel. Het door haar aangevoerde cassatiemiddel behelst een tweetal grieven. De eerste grief is gericht tegen de naar het oordeel van eiseres onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "belanghebbende" in de zin van artikel 999 Rv, die het Hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. In de tweede grief verzet eiseres tot cassatie zich tegen de door het Hof aan artikel 35b lid 4 Wet op de ondernemingsraden (hierna te noemen WOR) ontleende argumentatie.
3. Het beroep door de Ondernemingskamer gedaan op artikel 35b lid 4 WOR ten betoge dat een werknemer reeds uit hoofde van zijn dienstbetrekking behoort tot de kring van de bij de onderneming betrokkenen wier belangen de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen moet worden geacht te beschermen, moet niet worden misverstaan.
Dit artikellid, in de WOR opgenomen bij wet van 22 mei 1981, Stb1. 416, geldt in de - door mij bevroede - gedachtengang van de Ondernemingskamer als symptomatisch voor de maatschappelijke ontwikkeling, waarin de verbondenheid tussen de werknemer en de onderneming waarin hij werkzaam is, steeds duidelijker wordt geaccentueerd. Vgl. Rood, Medezeggenschap in kleine ondernemingen, TVVS 1981 nr. 2, blz. 25 e.v.
Het is volstrekt juist dat artikel 35b niet geschreven is voor de categorie van ondernemingen, waartoe die in stand gehouden door eiseres tot cassatie behoort. Maar relevant is dit gegeven niet, nu de Ondernemingskamer met haar verwijzing slechts wil duidelijk maken, dat een bepaling als neergelegd in artikel 35b lid 4 WOR onverenigbaar is met het sluiten van de werknemer buiten de kring van de bij de onderneming betrokkenen wier belangen de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen moet worden geacht te beschermen.
De tweede grief berust dan ook, zo niet op een verkeerde lezing van 's Hofs oordeel, dan toch op een misverstaan van 's Hofs bedoeling daaromtrent, zodat deze grief m.i. moet falen.
4. Stelling I behorende bij het proefschrift van P. van Dijk, Toetsing van overheidshandelen door de nationale en internationale rechter en het vereiste van een procesbelang, Leiden 1976, luidt als volgt:
"Het had de voorkeur verdiend, indien in artikel 7 (1) van de Wet Administratieve Rechtspraak Overheidsbeschikkingen (AROB) bepalende dat het beroep kan worden ingesteld door "de natuurlijke of rechtspersoon, die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen "rechtstreeks" was weggelaten. Daarvoor was te meer reden geweest, daar de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis de bedoeling heeft gehad de bepaling van de kring van belanghebbenden aan de rechter over te laten.
Dit laatste is juist. Minister Van Agt gaf immers daaromtrent in de Tweede Kamer te kennen:
"Het bezit van de status van rechtstreeks belanghebbende is in het wetsontwerp AROB een belangrijk criterium. Noch de Wet BAB, noch de nu voorgestelde regeling heeft een blanco bevoegdheid tot het instellen van beroep willen openen, in deze zin, dat een ieder elke beschikking, ook de hem niet rakende, bij de rechter ter discussie zou kunnen stellen. Overwegingen, zowel van rechtvaardigheid als van doelmatigheid, hebben gevoerd tot opneming van het criterium, dat de klager, door de bestreden beschikking, rechtstreeks in zijn belang moet zijn getroffen. Dit is niet anders dan de administratiefrechtelijke neerslag van het aloude adagium, dat wie geen belang heeft, ook geen actie heeft. Maar wie wordt nu - dit behoeft nog enige verdieping - rechtstreeks in zijn belang getroffen? Deze vraag beantwoordt het artikel niet; bewust niet en terecht niet. Niet de wet maakt uit wat wie aangaat, maar de maatschappelijke werkelijkheid, de heersende overtuigingen. Deze maken uit hoe groot de kring van werkelijk belanghebbenden bij een bepaalde overheidsbeslissing is. De wet beperkt zich tot het presenteren van een term - rechtstreeks in zijn belang getroffen - die met wisselende inhoud kan worden gevuld". (Handelingen Tweede Kamer 5 september 1974, blz. 4577 - 4578).
Het is evenwel curieus dat terwijl in artikel 31 lid 1 Wet op de jaarrekening van ondernemingen (hierna te noemen WJO) de toevoeging "rechtstreeks" ontbrak, zij niettemin een rol speelde: eerst tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp reeds, vervolgens ook in de jurisprudentie van de Ondernemingskamer. In het voorlopig verslag werd door enkele leden (blz. 6 r.k.) het ontbreken van een scherpe begrenzing van het begrip belanghebbende gehekeld, beducht als men was voor de mogelijkheid in min of meer verwijderd verband een belang te construeren.1.De minister trachtte deze vrees te temperen door te verklaren:
"In het algemeen wordt vereist dat men, om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, een rechtstreeks en aantoonbaar belang moet hebben" (memorie van antwoord blz. 4 r.k.).
Ziehier de oorsprong van het insluipsel, louter geboren uit de behoefte het begrip belanghebbende aan een zekere begrenzing te onderwerpen. Belanghebbende is namelijk niet een ieder, omdat de actie ex artikel 999 Rv. nu eenmaal niet bedoeld is als een actio popularis. Gekozen is voor het begrip belanghebbende om daarmee te kennen te geven dat gedoeld wordt op een kring van betrokkenen, gekenmerkt door een zekere mate van flexibiliteit. Vgl. Van Buuren, Kringen van belanghebbenden 1978, blz. 20-21. Minister Polak liet zich als volgt uit:
"In dit wetsontwerp spreken wij over iedere belanghebbende om de rechter de ruimte te laten wie dit recht moet hebben" (Handelingen Eerste Kamer 8 september 1970, blz. 1094 1.k.).
Hij voegde daaraan toe:
"Ik vermoed dat de rechter een ruime uitleg zal geven. In diverse andere wetten staat "iedere rechtstreeks belanghebbende", maar in dit wetsontwerp staat het woord "rechtstreeks" er niet bij" (ibidem).
Dat de term rechtstreeks een (extra) beletsel zou vormen voor de rechter om een ruime uitleg van het begrip belanghebbende te beproeven, lijkt mij overigens niet waarschijnlijk, gelet op het hierboven aan minister Van Agt ontleende citaat. Treffend juist acht ik in ieder geval dat ook bij de toepassing van artikel 999 Rv. voor de uitleg van het begrip belanghebbende bepalend zijn: "de maatschappelijke werkelijkheid, de heersende overtuigingen".
5. Opvallend is dat in de wetsgeschiedens WJO een zekere voorkeur wordt
aangetroffen voor een beoordeling op basis van "de omstandigheden van het geval". Minister Polak bracht deze tendens als volgt onder woorden:
"Het kan best zijn dat in een bepaald geval op grond van de concrete omstandigheden van dat geval men terecht zal zeggen: Ik vind u in dit geval wel belanghebbende. De rechter vermijdt algemene uitspraken. Een verstandige rechter zal slechts zeer sporadisch zeggen: Die groep is nooit belanghebbende en een andere groep altijd" (Handelingen Eerste Kamer 8 september 1970, blz. 1094 1.k.).
Mijn ambtgenoot Van Soest kon dan ook in zijn conclusie voor arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, constateren
"dat de gehele wetsgeschiedenis uitwijst, dat met het belang dat een eiser in de jaarrekeningprocedure moet hebben, een concreet, in de gegeven situatie voorhanden, belang is bedoeld. Het moet enerzijds een concreet belang zijn, niet een abstract, denkbaar belang. Het moet anderzijds een belang zijn dat de eiser onderscheidt van allerlei denkbare gegadigden voor informatie" (blz. 1210 l.k. ).
Voor aandeelhouders zou evenwel naar het oordeel van de minister gelden dat zij
"wel steeds mogen worden beschouwd als belanghebbenden bij de gehele jaarrekening" (memorie van antwoord blz. 4 r.k.).
Uit arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, moet m.i. worden afgeleid dat wie kan worden geacht te behoren tot de kring van bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen, belanghebbende is, zonder dat hij daarnevens nog gehouden is de aanwezigheid van een specifiek en concreet nadeel aan te tonen. Anders Sanders-Burgert-Timmermans, Jaarrekening van ondernemingen, Jurisprudentie blz. 829.
Aldus overwegend heeft uw Raad blijk gegeven oog te hebben voor de betrekkelijke betekenis van de wetsgeschiedenis wat de inhoud van het begrip belanghebbende aangaat. De belangrijkste reden voor de ministeriële terughoudendheid (en bescheidenheid: "Ik kan alleen maar een beetje aangeven, hoe het mij op het eerste gezicht lijkt") bestond immers in de uitdrukkelijke wens om de interpretatie van het begrip belanghebbende aan de rechter over te laten.
De minister gaf de rechter zelfs te verstaan dat deze er goed aan zou doen zich niets aan te trekken van wat aangaande de uitleg van het begrip in het parlement was te kennen gegeven:
"De uitleg van een wet, zeker van een civielrechtelijke wet, behoort gelukkig aan de onafhankelijke rechter en die kan - in mijn geval terecht - vinden dat hetgeen de Minister daarover zegt leuterpraat is, waarmede hij op geen enkele manier rekening houdt. Dit stelsel moeten wij houden" (Handelingen Eerste Kamer 8 september 1970, blz. 1093-1094).
Zulks houdt in dat de parlementaire geschiedenis de rechter inhoudelijk nauwelijks enig houvast vermag te bieden. Anders gezegd, de wetsgeschiedenis is voornamelijk hierin instructief dat daaruit volstrekt duidelijk is geworden dat de rechter, geplaatst voor de hem door de wetgever opgedragen taak het begrip belanghebbende nader inhoud te geven, slechts op autonome wijze te werk kan gaan. Het begrip belanghebbende staat langs deze weg in open verbinding met de relevante maatschappelijke ontwikkelingen. met de relevante maatschappelijke ontwikkelingen.
De onderwerpelijke wetsgeschiedenis is uitvoerig gereleveerd in Kluwer-IJsselmuiden, Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.) Boek III, art. 999, aantekening 14 en in de conclusies van mijn ambtgenoot Van Soest voor arresten HR 11 mei 1983, NJ 1984, 3, onderdeel b en 26 juni 1985, NJ 1986, 307, onderdeel E 3.
6. De arresten HR 11 mei 1983, NJ 1984, 3 en 26 juni 1985, NJ 1986, 307, zijn gewezen met betrekking tot jaarrekeningen beheerst door titel 6 (oud) boek 2 BW. Ik citeer uit het arrest Ondernemingskamer 27 september 1984, weergegeven in NJ 1986, 307:
"Uit de tekst van art. 2:337 BW blijkt dat de ontvankelijkheid afhangt van de vraag of iemand belanghebbende is bij de jaarrekening in geding. Het ontbreken van enige precisering in de wettekst van het woord belanghebbende betekent dat naar de bedoeling van de wetgever het begrip belanghebbende ruim dient te worden uitgelegd. De wetsgeschiedenis steunt deze uitleg. Mede komt betekenis toe aan het feit dat de wetgever met ingang van 1 januari 1984, in art. 2:394 lid 1 BW openbaarheid heeft voorgeschreven voor de jaarrekening van alle naamloze en besloten vennootschappen, coöperatieve verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen, behoudens uitzonderingen voor kleine rechtspersonen. Daarmee heeft de wetgever eveneens tot uitdrukking gebracht dat de kring van belanghebbenden ruim behoort te worden getrokken" (blz. 1203 r.k.).
Hierover gaf mijn ambtgenoot Van Soest in zijn conclusie voor arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, te kennen:
"In mijn conclusie voor HR 11 mei 1983, NJ 1984, 3, m. nt. J.M.M. Maeijer (Molenschot), betoogde ik (p. 16, l.k. ) : "Mij lijkt het onlogisch het recht correctie van de jaarrekening te vorderen toe te kennen aan personen of lichamen die geen rechtens beschermde mogelijkheid tot kennisneming van de jaarrekening hebben".
Dit brengt mede, dat de vestiging van een publikatieplicht een mogelijke beperking van de kring van belanghebbenden wegneemt en dus een verruiming van die kring impliceert. In zoverre kan ik met de gedachtengang van de Ondernemingskamer meegaan" (blz. 1208 r.k.).
7. De aanpassing van het jaarrekeningenrecht aan de vierde EG-richtlijn, zoals die te onzent in titel 8 boek 2 BW gestalte heeft gekregen, heeft geen spectaculaire bijdrage geleverd aan de z.g. vermaatschappelijking van de onderneming. De volle nadruk viel immers - ik volg nu de tekst van de eerste overweging van genoemde richtlijn - op
"de coördinatie van de nationale voorschriften inzake de indeling en de inhoud van de jaarrekening en het jaarverslag, de waarderingsmethoden, alsmede de openbaarmaking van deze stukken, met name voor wat betreft de naamloze vennootschap en de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid".
die van bijzonder belang werd geacht
"voor de bescherming van de deelnemers in deze vennootschappen en van derden".
Het meest kenmerkende verschil tussen de inhoud van titel 8 en die van titel 6 (oud) boek 2 BW omschreef Wessel als volgt:
"Reeds lang .... vertoont de jaarrekening een dualisme in rechtskarakter: enerzijds verantwoordingsmiddel van bestuur jegens deelgenoten, anderzijds middel tot informatie van derden. Gedurende de afgelopen decennia is de tweede functie, die van instrument van externe rechtsbetrekkingen, meer en meer op de voorgrond getreden. Het is, naar mijn oordeel, de voortzetting van de accentverschuiving in de richting van de externe verslaggeving, die bij uitstek typerend is voor het wetsontwerp. De interne verslaggeving, de verantwoording jegens de deelgenoten, hoezeer nog steeds een gewichtig element in het jaarrekeningenrecht, krijgt toch niet meer de klemtoon van vroeger. Deze ontwikkelingsgang, deze accentverschuiving, manifesteert zich niet alleen in de grotere gedetailleerdheid en de sterke schematisering, die de vergelijkbaarheid van de informatie beoogt te bevorderen. Een onontbeerlijk complement daarop vormt de opvallende verruiming van de publicatieplicht, zonder dewelke derden veelal, zoals thans het geval is, bij de bevrediging van hun rechtens erkende informatiebehoeften in het luchtledige zouden grijpen" (De Naamlooze Vennootschap 58/9 september 1980, blz. 157-158).
Vandaar dat Van Bruinessen kon schrijven:
"Zoals reeds werd opgemerkt, is de jaarrekening het cijfermatige deel van de rekening en verantwoording, die het bestuur van een onderneming aflegt over het door haar in de verslagperiode gevoerd beleid. Is de onderneming georganiseerd in de vorm van een N.V. of B.V., dan zal deze rekening en verantwoording worden afgelegd ten overstaan van de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 101, 163 en 210 Boek 2 B.W.).
De betekenis van de jaarrekening reikt evenwel aanmerkelijk verder dan alleen de kring der aandeelhouders. Immers naast de aandeelhouders, die voor het inkomen, dat zij uit de winst van de onderneming genieten afhankelijk zijn van het door de directie gevoerde beleid, zijn ook vele andere groeperingen direct betrokken bij het wel en wee van de onderneming. De verzameling van deze bont geschakeerde groepen van belanghebbenden (zoals werknemers, kredietverschaffers, leveranciers, afnemers enz. ) wordt aangeduid als "het maatschappelijk verkeer", of ook wel als participanten" (Winst- en vermogensbepaling 1987, blz. 27-28).
We lezen van deelnemers, deelgenoten, participanten en derden.
De betekenis van deze termen staat geenszins vast. De term "deelnemers" werd in de considerans van de Aanpassingswet Vierde EG-richtlijn "vertaald" met "aandeelhouders". Vgl. IJsselmuiden in aantekening 17 op Boek III, art. 999 Burg. Rechtsvordering (losb1.). Voor een bredere oriëntering verwijs ik naar Schreuder, Maatschappelijke verantwoordelijkheid en maatschappelijke berichtgeving van ondernemingen, diss. 1981, hoofdstuk 2.8. Het open model van de onderneming.
Het open model van de onderneming.
8. Over de vraag of een werknemer onder omstandigheden belanghebbende kan zijn, bestaat eenstemmigheid in positieve zin. Meeles gaat zelfs nog verder en rekent tot de categorie belanghebbenden:
"ook hij of zij, die werknemer in de betrokken onderneming zou willen worden en daartoe mogelijk een vaste positie elders zou willen prijsgeven" (De Naamlooze Vennootschap 59/10 oktober 1981, blz. 164).
Over de vraag of de individuele werknemer als zodanig belanghebbende is in de zin van voorheen artikel 31 lid 1 WJO, vervolgens artikel 337 lid 1 boek 2 BW en thans artikel 999 Rv, zijn de meningen in de literatuur echter verdeeld.
Als rechtstreeks betrokkenen, dus als belanghebbenden, merkt A. van Oven aan:
"aandeelhouders, certificaathouders, tantièmisten en andere winstgerechtigden, voorts (althans naar de mening van schrijver dezes) obligatiehouders en andere schuldeisers, en -stellig niet in de laatste plaats- de werknemers, alsmede de ondernemingsraad als orgaan van de onderneming" (WPNR 5572/1981 blz. 470).
In een latere publicatie schrijft hij:
“.... het zou - mede met het oog op de rechtszekerheid - stellig aanbeveling verdienen zonder meer als regel te aanvaarden dat werknemers - d.i. iedere individuele werknemer - , ondernemingsraad en vakbonden, die werknemers van de betrokken rechtspersoon onder hun leden tellen, als belanghebbenden zijn aan te merken" (WPNR 5637/1983 blz. 44).
Van Schilfgaarde geeft als zijn mening te kennen:
"M.i. zal over het algemeen een ruime kring van belanghebbenden in aanmerking moeten worden genomen: aandeelhouders en andere winstgerechtigden, certificaathouders, crediteuren, individuele commissarissen, direkteuren en werknemers, de or, onder omstandigheden ook lichamen als de Vereniging voor de Effectenhandel, het Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIvRA) en de bij de onderneming betrokken vakorganisaties" (Van de N.V. en B.V. blz. 242).
Sanders-Burgert-Timmersmans schrijven:
"Ook werknemers moeten onzes inziens in beginsel als belanghebbenden worden aangemerkt. Zij zullen veelal in hun bestaan afhankelijk zijn van de onderneming waar zij werken en daarmee van het voortbestaan ervan. Vanwege hun nauwe betrokkenheid bij de onderneming hebben werknemers er een rechtstreeks belang bij dat de jaarrekening over beeld verschaft van vermogen en resultaat ..... Dat werknemers als zodanig belanghebbenden bij de jaarrekening zijn, heeft de OK overigens (nog) niet met zoveel woorden uitgesproken" (Jaarrekening van ondernemingen, aantekening 3 op artikel 999 1000, III-6).
Slagter vermeldt een aantal categorieën van in ieder geval als belanghebbenden aan te merken (organisaties van) personen, maar in deze opsomming ruimt hij geen plaats in voor de individuele werknemer. Omtrent de vraag of de individuele werknemer als belanghebbende kan worden aangemerkt, acht hij twijfel mogelijk (Compendium van het ondernemingsrecht vierde druk, blz. 380).
Van der Heijden/Van der Grinten vermelden in hun Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap:
"Een werknemer is o.i. in het algemeen niet belanghebbende" (blz. 621).
In zijn noot onder arrest HR 11 mei 1983, NJ 1984, 3, geeft Maeijer te kennen:
"Ik betwijfel of ook een individuele werknemer op zich als belanghebbende in de zin van art. 337 is te beschouwen; zie hierover mijn noot sub 4 onder NJ 1981, 258 (blz. 17 l.k.).
Dezelfde annotator onder arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307:
"Wel betwijfel ik nog steeds of de individuele werknemer op zich is te beschouwen als belanghebbende. De formule "bij de kring van de onderneming betrokkenen" is ruim genoeg om hem er onder te brengen, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt m.i. dat bij het in het leven roepen van de jaarrekeningprocedure toch in de eerste plaats is gedacht aan de instanties die voor de werknemers opkomen: de ondernemingsraad en de betrokken werknemersorganisaties.
Zie ook mijn noot sub 4 onder NJ 1981, 258" (blz. 1212 l.k.).
Hiertegenover is IJsselmuiden de mening toegedaan dat
"niet de rechtsgeschiedenis van de WJO - ..... - beslissend (is) maar die geschiedenis in het licht van de ontwikkeling in het rechtsdenken en de maatschappelijke opvattingen omtrent de betrokkenheid van de individuele werknemer bij de onderneming zoals die ontwikkeling tot uiting komt in rechtsgeschiedenis, wetgeving, jurisprudentie en literatuur sinds de WJO" (aantekening 25 op Boek III, art. 999 Burg. Rechtsvordering (losbl.) ).
Een en ander pleit naar IJsselmuidens overtuiging
"voor het beschouwen van de individuele werknemer als altijd belanghebbende bij de gehele jaarrekening en het jaarverslag van de onderneming waarin deze werkt" (ibidem).
Bij arrest 13 november 1980, NJ 1981, 258, heeft de Ondernemingskamer niet alleen - in beginsel - de ondernemingsraad als belanghebbende in de zin van artikel 337 lid 1 boek 2 BW aangemerkt, maar ook een individuele werknemer van dezelfde onderneming:
"Als werknemer werkzaam in de fabriek in Amsterdam heeft hij een rechtstreeks belang bij het voortbestaan van die fabriek en ook voor hem geldt dat hij ..... bij de gegevens vermeld in de in geschil zijnde jaarrekening een rechtstreeks belang heeft" (blz. 854 r.k.).
In onderdeel 4 van zijn noot onder het arrest acht Maeijer de motivering van deze (laatste) beslissing "nogal mager", omdat overeenkomstig artikel 31a lid 2 WOR
"de ondernemer slechts verplicht is de jaarrekening ter bespreking te verstrekken aan de or., en slechts de or. ingevolge artikel 36 lid 2 laatste zinsnede naleving van deze verplichting kan vorderen" (blz. 857 l.k.).
Bak en Boukema tekenen bij genoemd arrest aan:
"Hoewel een redenering "a contrario" logisch niet altijd houdbaar is, menen wij uit de nadrukkelijke wijze waarop de Ondernemingskamer haar beslissing heeft ingericht en geformuleerd toch te kunnen afleiden dat een werknemer alleen in bijzondere omstandigheden als belanghebbende in de zin van artikel 337, lid 1, wordt aangemerkt, maar dat een ondernemingsraad in het algemeen als belanghebbende geldt" (TVVS 1981 nr. 2, blz. 52).
9. Bij arrest van 11 mei 1983, NJ 1984, 3, heeft uw Raad overwogen:
"De enkele omstandigheid dat een rechtspersoon, waarvan de jaarrekening moet voldoen aan de in Titel 6 Boek 2 BW gestelde eisen, rechtstreeks of middellijk deelneemt in het kapitaal van een andere onderneming brengt niet mee dat deze laatste belanghebbende is in de zin van artikel 2 : 337 lid 1 met betrekking tot de jaarrekening van die rechtspersoon of ten aanzien van de in deze jaarrekening opgenomen post deelnemingen. Evenmin is een aandeelhouder van een zodanige onderneming belanghebbende in evenbedoelde zin op de enkele grond dat hij deelneemt in het kapitaal van een onderneming waarin de rechtspersoon, waarvan de jaarrekening in het geding is, rechtstreeks of middellijk deelneemt". blz. 10 r.k. ).
Hieruit heeft IJsselmuiden n.m.m. ten onrechte afgeleid:
"de enkele omstandigheid dat iemand aandeel(certificaat)houder is .... - maakt hem - anders dan tot nu toe is aangenomen - niet tot belanghebbende" (Rechtspersonen losbl., aantekening 2 op artikel 999 Rv.),
waaraan hij de gevolgtrekking verbond:
"Na dit arrest lijken de mogelijkheden voor de actie op grond van artikel 999 RV. nogal beperkt" (ibidem).
In zijn noot onder het arrest schreef Maeijer daarentegen:
"Sommige feiten en omstandigheden zullen, indien zij gesteld zijn en niet, althans onvoldoende weersproken, op zich reeds meebrengen dat de inrichting van de jaarrekening ( ..... ) voor de eiser nadeel kan opleveren. Zo bijv. het zijn van aandeelhouder in de rechtspersoon om wier jaarrekening het gaat; het zijn van certificaathouder t.a.v. een dergelijke rechtspersoon (Hof Amsterdam OK 8 febr. 1979, NJ 1979, 574); het zijn van verzekerde bij een verzekeringsmaatschappij als Ardanta (Hof Amsterdam 10 apr. 1980, NJ 1981, 49); een tantièmist wiens tantième in belangrijke mate wordt bepaald door de volgens de jaarrekening behaalde winst (Hof Amsterdam OK 25 jan. 1979, NJ 1979, 572); een ondernemingsraad, mede gelet op het in art. 31a lid 2 WOR bepaalde (Hof Amsterdam OK 13 nov. 1980, NJ 1981, 258)" (blz. 16-17).
In arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, werd het gelijk van Maeijers zienswijze bevestigd. Uw Raad overwoog o.m .:
"Een vereniging die, gelijk "Stop Dodewaard", zich tot doel stelt het tegengaan van bepaalde ondernemingsactiviteiten kan niet reeds uit dien hoofde worden geacht te behoren tot de kring van bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen. Een dergelijke vereniging heeft ten aanzien van de jaarrekening van de onderneming, welke de door haar bestreden activiteiten uitoefent, slechts dan het vereiste belang wanneer de door haar verlangde wijziging van de jaarrekening ertoe kan leiden, dat een specifiek en concreet nadeel, voor haar in haar betrekkingen tot de onderneming verbonden aan de wijze waarop de jaarrekening op het aangevochten punt is ingericht, wordt ongedaan gemaakt of verminderd" (blz. 1202 r.k.).
Maeijer kon dan ook m.i. terecht in zijn noot NJ 1986, 307, schrijven:
"De HR maakt ... . onderscheid tussen degenen die behoren tot de kring van bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure is ingevoerd, én: een vereniging als "Stop Dodewaard" die niet tot die kring behoort. Als wél tot die kring behorend, zou ik willen beschouwen degenen zoals ik die in mijn noot sub 2 onder het Molenschot-arrest, NJ 1984, 3, heb aangeduid ( ..... ), en van wie ik toen zei: de omstandigheid dat het deze personen zijn, zal op zich reeds meebrengen dat de aangevochten inrichting van de jaarrekening voor hen als eiser nadeel kan opleveren.
Zie ik het goed, dan sluit dit aan bij de thans door de HR gevolgde gedachtengang, waarin dergelijke bij de onderneming betrokken personen veel eerder, ja, vaak zonder meer, als belanghebbenden kunnen worden beschouwd. Voor een vereniging als "Stop Dodewaard" wordt echter de eis gesteld van mogelijk "specifiek en concreet" nadeel" (blz. 1211-1212) .
IJsselmuiden toont zich weinig ingenomen met arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307. Hij acht de kring van bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen, door de HR niet ruim genoeg getrokken. Vgl. aantekening 37 op Boek III, art. 999 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.). M.i. valt van de HR niet te vergen dat het begrip belanghebbende wordt uitgelegd alsof artikel 999 lid 2 Rv. een dode letter ware.
Dat de ene belanghebbende de andere niet is, behoeft niet te verbazen. Voorop staat dat niemand a priori de kwaliteit van belanghebbende is onthouden: iedereen kan belanghebbende zijn. Dat er niettemin verschil is in processueel opzicht, hangt nauw samen met de mate van betrokkenheid bij de onderneming welker jaarrekening in het geding is.
10. Hoe sober 's Hofs oordeel gemotiveerd moge zijn, de denkrichting van het Hof valt niet moeilijk te onderkennen. Model heeft immers gestaan de formule door uw Raad gehanteerd in het arrest van 26 juni 1985, NJ 1986, 307.
Uit dit arrest wordt afgeleid de relevantie van het al dan niet tot de kring behoren van bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen.
Wie binnen de kring valt heeft het vereiste belang qualitate qua.
De buitenstaander heeft "slechts dan het vereiste belang" in geval van "een specifiek en concreet nadeel", een nadeel waarvan gezegd kan worden dat het voor hem in zijn betrekkingen tot de onderneming
"verbonden (is) aan de wijze waarop de jaarrekening op het aangevochten punt is ingericht" (blz. 1202).
De vereniging "Stop Dodewaard" werd naar het oordeel van de HR niet geacht tot de aangeduide kring te behoren; het Hof beslist thans dat zulks voor een werknemer van de onderneming wel het geval is.
Een kenmerkend verschil in formulering is hierin gelegen dat terwijl arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, duidt op belangen van hen voor wie de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen, het Hof gewaagt van de beschermende functie die uitgaat van de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen. Dat de HR hier zou hebben geopteerd voor een statische zienswijze en aldus zijn voorkeur zou hebben beleden voor gedateerde opvattingen, t.w. die ten tijde van de totstandkoming van de WJO, acht ik weinig aannemelijk. De wetgever van weleer heeft immers het begrip belanghebbende juist opzettelijk niet een eigen lading willen meegeven en de ontwikkeling van het begrip aan de rechter overgelaten.
11. Nu kan men zich op het standpunt stellen, gelijk eiseres tot cassatie doet, dat de WOR een beletsel vormt om aan de individuele werknemer q.q. de status van belanghebbende toe te kennen. Voor deze zienswijze zijn inderdaad aanknopingspunten te vinden in de wetsgeschiedenis WJO.
Minister Polak was van mening
"dat voor de werknemers in de eerste plaats de ondernemingsraad opkomt" (verslag van een mondeling overleg tevens eindverslag, blz. 5 l.k.).
Vgl. ook Handelingen Tweede Kamer 8 april 1970, blz. 2903 r.k., alsmede Handelingen Eerste Kamer 8 september 1970, blz. 1093 r.k ..
Anderzijds kon hij best begrijpen
"dat men in bepaalde gevallen het nuttig zou vinden, dat de werknemers ook een beroep op de ondernemingskamer zouden kunnen doen, al is de jaarrekening een financieel verslag aan de aandeelhouders" (Handelingen Eerste Kamer 8 september 1970, blz. 1094 1.k. ).
Men kan zich ook op de huidige minister van Justitie beroepen ten betoge dat de invloed van de werknemer op de jaarrekening uitsluitend via de ondernemingsraad geëffectueerd dient te worden. Reagerend op de door het Tweede-Kamerlid Tazelaar ingediende amendementen op artikel 380 boek 2 BW, waarin op meer informatie werd aangedrongen, gaf de minister te kennen:
"Wie is met de extra gegevens gediend, behalve de afnemer en de concurrent ?
De jaarrekening is er immers in de eerste plaats voor de aandeelhouders en die zullen niet aandringen op het verstrekken van gegevens die in de toekomst tot vermindering van de winst kunnen leiden. Die gegevens zijn ook niet van belang voor de schuldeisers, want zij kunnen daaruit niet afleiden of de schuldenaar nog verhaal biedt.....
De heer Tazelaar heeft als groepen van belanghebbenden de werknemers en de overheid genoemd. Over de juistheid van die stelling aarzel ik. De jaarrekening is zeker van belang voor de werknemers, maar zij hebben extra bevoegdheden die zijn neergelegd in de Wet op de ondernemingsraden. In artikel 31a van die wet worden al aanvullende gegevens geëist, waar dit nodig en nuttig is voor de ondernemingsraad. Als de werknemers de enige groep vormen die met meer gegevens is gebaat, ligt de voor hen te bewandelen weg voor de hand, namelijk via de ondernemingsraad" (Handelingen Tweede Kamer 14 juni 1983, blz. 4545).
In zijn noot onder arrest HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, wijst Maeijer erop dat uit de wetsgeschiedenis blijkt
"dat bij het in leven roepen van de jaarrekeningprocedure toch in de eerste plaats is gedacht aan de instanties die voor de werknemer opkomen: de ondernemingsraad en de betrokken werknemersorganisatie" (blz. 1212 l.k.).
M.i. miskent Maeijer hier toch het vrijblijvende karakter van deze wetsgeschiedenis, zoals reeds eerder door mij in deze conclusie geschetst. Daarom acht ik zijn twijfel 'of de individuele werknemer op zich is te beschouwen als belanghebbende' niet gerechtvaardigd.
De gedachte dat onder de bij de onderneming betrokkenen de werknemers niet een zelfstandige categorie zouden vormen, doch slechts één waarvoor instanties zoals de ondernemingsraad en de vakbonden zouden moeten kunnen opkomen, kan ik niet aanvaarden, te meer niet omdat ik anders dan de geachte pleiter voor eiseres tot cassatie, van mening ben dat in de WOR zelve geen argumenten voor deze exclusiviteit besloten liggen.
Het ligt voor de hand dat in verreweg de meeste gevallen waarin van werknemerszijde bedenkingen bestaan tegen de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag de te ondernemen activiteiten gebundeld worden en het de ondernemingsraad is die ter zake initiatieven ontplooit. Maar zulks houdt m.i. zeker niet in dat de individuele werknemer afstand heeft gedaan van zijn rechtstreekse betrokkenheid, zodat voor hem de kwaliteit van belanghebbende niet langer zou zijn weggelegd.
En als de ondernemingsraad stilzit, dan zou de individuele werknemer weer wel gerechtigd zijn om als belanghebbende te ageren? Of staat hem dan nog slechts een beroep op de procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam open?
12. Zowel de geachte pleiter voor eiser tot cassatie als die voor verweerder in cassatie schenken aandacht aan arrest HR 25 oktober 1983, NJ 1984, 132. In de memorie van toelichting behorende bij de Wet op de Registeraccountants (Wet van 28 juni 1962, Stb. 258) worden de navolgende categorieën van belanghebbenden bij de goede vervulling door de accountant van zijn controlerende functie, opgesomd:
De meest uitgebreide en tevens minst concreet bepaalbare categorie is bij ons huidige stelsel van voortbrenging het samenstel van grote en uiteenlopende groepen, reikende tot ver buiten de landsgrenzen, die door middel van de kapitaal- en geldmarkt belanghebbenden zijn, zoals aandeelhouders, obligatie- en pandbriefhouders, polishouders, pensioentrekkers, banken, spaarders enz ..
Het behoeft geen betoog, dat het een algemeen belang van grote betekenis is, dat voor de belangen van deze categorie wordt gewaakt. Als afzonderlijke categorie kan worden genoemd de overheid. Bij de belangen van de overheid zijn zeer verschillende aspecten te onderscheiden: men denke aan het toezicht van de overheid op de naleving van fiscale en economische overheidsvoorschriften, aan de overheid, die subsidies geeft, eigen bedrijven exploiteert of op andere wijze bijzondere belangen heeft, en ten slotte aan de verantwoording van de eigen of aan de overheid ondergeschikte organen. Als derde belangrijke categorie van degenen, die gediend moeten worden met een goede vervulling van de controlerende functie der accountants, moeten genoemd worden de bestuurders van ondernemingen, instellingen en diensten van allerlei aard" (blz. 13 l.k. ).
De slotzinsnede uit rechtsoverweging 5.6. arrest HR 25 oktober 1983, NJ 1984, 132, luidende:
"Voorts kan worden gedacht aan de de werknemers en in het bijzonder de ondernemingsraad" (blz. 516 r.k.),
is niet aan deze memorie van toelichting ontleend, maar door de HR aan de in het arrest weergegeven opsomming toegevoegd. De geciteerde zinsnede versterkt m.i. de gedachte dat uw Raad de mening is toegedaan dat werknemers belanghebbenden zijn bij een jaarrekening die is onderworpen aan de daarvoor in titel 8 boek 2 BW gestelde regelen. Vgl. IJsselmuiden in aantekening 19 op Boek III, art. 999 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl. ).
13. Na de totstandkoming van de Wet tot herziening van het enquêterecht en die op de jaarrekening van ondernemingen schreef Sanders:
"Jaarrekening en enquêterecht zijn niet uitsluitend meer aangelegenheden van de aandeelhouders" (Op weg naar ondernemingsrecht, in de bundel Met eerbiedigende werking, aangeboden aan prof. mr. L.J. Hijmans van den Bergh, blz. 227).
De memorie van toelichting behorende bij laatstgenoemde wet behelst de navolgende zinsnede:
"Bij een inzicht in de financiële positie van de onderneming hebben, buiten de kring der kapitaalverschaffers, in de eerste plaats de werknemers en de crediteuren een gerechtvaardigd belang" (blz. 11 1.k.). Vgl. Van Slooten, De rechtspleging inzake jaarrekeningen, Fiscale miniaturen 1978, blz. 291, alsmede Beckman en Löwensteyn, FED 12 februari 1981, Jaarrekening : 36.
Zo er al met reden getwijfeld kon worden of werknemers uit hoofde van hun dienstbetrekking konden worden geacht te behoren tot de kring van bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningenprocedure in het leven is geroepen, voor deze twijfel is m.i. geen plaats meer onder het naar meer openheid tenderende regime van titel 8 boek 2 BW, mede gezien tegen de achtergrond van "de maatschappelijke werkelijkheid en de heersende overtuigingen" (vgl. blz. 3 van deze conclusie). De ontwikkelingen binnen de WOR lijken deze stellingname alleen maar te bevestigen. 's Hofs oordeel dat een werknemer reeds uit hoofde van zijn dienstbetrekking tot de kring behoort van de bij de onderneming betrokkenen wier belangen de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen moet worden geacht te beschermen, acht ik juist, zij het met dien verstande dat ik de toevoeging "in beginsel" c.q. "in het algemeen" niet zou willen ontberen.
14. De Ondernemingskamer leidt uit het feit dat verweerder in cassatie werknemer is van eiseres tot cassatie, af dat hij "derhalve" belanghebbende is bij de jaarrekening en het jaarverslag van zijn werkgeefster. Deze gevolgtrekking moge in beginsel juist zijn, dwingend is zij niet.
Ook IJsselmuiden erkent dat een tenzij-clausule hier op haar plaats is. Zo acht hij de werknemer die niet werkelijk "bij de onderneming betrokken is", bijv. als zijn dienstbetrekking maar van korte duur is, geen belanghebbende bij de jaarrekening van die ondernemer. Vgl. aantekening 25 op Boek III, art. 999 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.).
Ingrijpender is wat Meeles voor ogen stond toen hij over de mogelijkheid van oneigenlijk gebruik van de jaarrekeningenprocedure repte, t.w. in gevallen waarin iemand meent "het beleid van bestuur en/of raad van commissarissen openlijk aan de kaak te moeten stellen" of "uit persoonlijke frustratie meent de onderneming te moeten dwarszitten" (De Naamlooze Vennootschap 59/10 september 1981, blz. 165 r.k. ).
In deze en daarmee op één lijn te stellen situaties kan er geen sprake van zijn dat zelfs ook maar verondersteld zou kunnen worden dat de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen de bescherming van zodanige belangen op het oog zou hebben. Anders gezegd: alsdan is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste.
Vgl. over dit vereiste nader: Beckman en Löwenstyn, FED 12 februari 1981, Jaarrekening : 36, alsmede mijn ambtgenoot Van Soest in zijn conclusie voor arrest HR 26 juni 1985; NJ 1986, 307, onderdeel E 4.
15. Hoezeer ik ook met de Ondernemingskamer van mening ben dat werknemers in het algemeen uit hoofde van hun dienstbetrekking behoren tot de kring van de bij de onderneming betrokkenen wier belangen de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen moet worden geacht te beschermen, ben ik toch de opvatting toegedaan dat de Ondernemingskamer niet zonder nader onderzoek aan eiser, thans verweerder in cassatie, de status van belanghebbende had mogen toekennen op de enkele grond dat hij werknemer is. Dit nader onderzoek had m.i. daarom niet achterwege mogen blijven, omdat het verweer, zoals dat wordt aangetroffen in de conclusie van antwoord onder de punten 1.4 t/m 1.6 als volgt luidt:
"1.4 In geen geval moet een werknemer/ondernemingsraadlid als belanghebbende worden aangemerkt, indien hij niet eerst de wegen heeft bewandeld die hem als lid van de ondernemingsraad openstaan om zijn bedenkingen tegen een jaarrekening en een jaarverslag aan de ondernemer voor te leggen.
Het lidmaatschap van een ondernemingsraad schept niet alleen speciale rechten voor de werknemer - met name krachtens art. 21 WOR -, doch ook verplichtingen.
1.5 De ondernemingsraad heeft, krachtens het bepaalde bij de wet op de ondernemingsraden - met name: art. 31 a - alle gelegenheid om punten inzake de jaarrekening en het jaarverslag aan de orde te stellen. Ieder lid van de ondernemingsraad heeft de mogelijkheid dit te entameren. Laat hij dat na, dan is het onjuist indien hij vervolgens zou kunnen grijpen naar het middel van art. 999 Rechtsvordering......
1.6 In casu heeft eiser zijn bedenkingen niet eerst in de ondernemingsraad aan de orde gesteld. Hij heeft het zelfs niet nodig geacht de ondernemingsraad van (zijn voornemen tot) de onderhavige procedure in kennis te stellen, of van zijn argumenten ......"
Aan dit verweer heeft de Ondernemingskamer evenwel, voorzover ik kan nagaan, geen aandacht geschonken.
Wanneer dan ook in het eerste onderdeel van het middel wordt gesteld:
"De Ondernemingskamer heeft ten onrechte op de enkele grond, dat een werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking behoort tot de kring van de bij de onderneming betrokkenen wier belangen de rechtspleging inzake jaarrekeningen en jaarverslagen moet worden geacht te beschermen, aangenomen dat [verweerder] - thans verweerder in cassatie - belanghebbende bij de jaarrekening en het jaarverslag van "De Schelde", thans eiseres tot cassatie is" ‘ (blz. 3),
dan acht ik deze grief juist en treft het middel in dit opzicht naar mij voorkomt, doel.
16. Het middel gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van 's Hofs arrest.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑1987