Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/1.2
1.2 Probleemstelling. Centrale onderzoeksvraag en deelvragen
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300050:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Honée 1986, p. 118-119; Lennarts 1999, p. 262 en Wezeman 1998, p. 365.
Tenzij de betreffende personen zich kunnen disculperen.
Er wordt gesproken over “in veel gevallen”, aangezien een strikte of enge interpretatie van bijvoorbeeld de woorden “ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid” in art. 2:11 BW ertoe kan leiden dat bestuurders vlak vóór het faillissement van de bestuurde rechtspersoon (dat is het moment waarop de aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW ont-staat) hun functie neerleggen teneinde (te proberen) aan aansprakelijkheid te ontkomen. Een strikte interpretatie van art. 2:11 BW en/of van art. 2:138/248 BW kan er in een der-gelijk geval juist toe leiden dat misbruik van rechtspersoonlijkheid niet wordt voorkomen. Zie daarover: par. 4.18.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), m.n. r.o. 3.4.3.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), m.n. r.o. 3.4.3. en 3.4.4.
De reikwijdte van art. 2:11 BW was al vóór de invoering van dat artikel niet (geheel) duidelijk.1 Ik streef ernaar om in dit onderzoek duidelijk te maken wat die reikwijdte is, althans om in elk geval toch die reikwijdte te verduidelijken. De vraag die om die reden in dit onderzoek centraal staat, is de vraag wat de reikwijdte van art. 2:11 BW is. In de titel van dit onderzoek wordt mede daarom de vraag gesteld: “Hoe diep kan een bestuurder vallen?” Hoe groter namelijk de reikwijdte van art. 2:11 BW is, hoe groter de kans is dat de bestuurder of bestuurders “achter” de rechtspersoon-bestuurder of een keten van rechtspersoon-bestuurders (mede) aansprakelijk is (zijn). Anders gezegd: hoe groter de reikwijdte van (onderdelen van) art. 2:11 BW is (zijn), des te groter is de kans dat ook de “bestuurder van de bestuurder” (de indirecte bestuurder) struikelt of zelfs – in het uiterste geval (ingeval hij zich niet kan disculperen) – ten valt komt. Een voorbeeld betreft de “personele reikwijdte” van art. 2:11 BW. Indien daar-onder naast formele bestuurders ook (mede-)beleidsbepalers vallen, geldt dat er meer personen zijn die men aansprakelijk kan houden voor het vergoeden van schade dan in het geval slechts formele bestuurders onder die reikwijdte val-len.2 Een ander voorbeeld betreft de “normatieve reikwijdte” van art. 2:11 BW. Indien die reikwijdte slechts beperkt zou zijn tot gronden van bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen in Boek 2 BW, bestaat de kans dat een persoon die een buiten dat Boek gelegen grond van bestuurdersaansprakelijkheid schendt onder “gebruikmaking” van een rechtspersoon-bestuurder er ongeschonden van af komt. Vallen echter gronden van bestuurdersaansprakelijkheid gelegen bui-ten Boek 2 BW wél onder de reikwijdte van art. 2:11 BW (hetgeen het geval is), dan is de aansprakelijkheid van een persoon die een dergelijke grond schendt niet automatisch gegeven (hij kan zich wellicht disculperen). De kans op aan-sprakelijkheid is alsdan echter wel (aanmerkelijk) groter dan bij een beperkte reikwijdte.
Bij het bepalen van de reikwijdte van art. 2:11 BW dient men als het ware te laveren tussen de rechtszekerheid en de aanpak van misbruik van rechtspersoon-lijkheid. Dat zijn op zich twee lovenswaardige doeleinden die mij noodzaakten om het gebruik van de woorden Scylla en Charybdis – twee kwaden – in de vorige volzin te vermijden. Door een ruime interpretatie van (onderdelen van) art. 2:11 BW kan (wellicht) misbruik van rechtspersoonlijkheid worden voorkomen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een ruime uitleg van de in dat artikel gehanteerde begrippen “aansprakelijkheid” en “bestuurder”. Door een strikte, terughoudende – zo men wil: grammaticale – interpretatie van (onderdelen van) art. 2:11 BW daarentegen wordt de rechtszekerheid bevorderd. Daar-bij kan bijvoorbeeld wederom gedacht worden aan het begrip “bestuurder”. Een dergelijke strikte interpretatie vermindert echter in veel gevallen de mogelijkheden om misbruik van rechtspersoonlijkheid tegen te gaan.3
De centrale onderzoeksvraag (“Wat is de reikwijdte van art. 2:11 BW?”) valt uiteen in drie deelvragen. Die deelvragen worden in par. 1.3 nader toegelicht en luiden:
Wat is de personele reikwijdte van art. 2:11 BW?
Wat is de normatieve reikwijdte van art. 2:11 BW?
Wat is de internationale reikwijdte van art. 2:11 BW?
Door jurisprudentie is de afgelopen jaren al enige duidelijkheid geschapen omtrent de inhoud en reikwijdte van art. 2:11 BW. De Hoge Raad heeft zich bijvoorbeeld uitgelaten over de vraag of een (mede-)beleidsbepaler onder de personele reikwijdte van art. 2:11 BW valt. Tevens ging de Hoge Raad in op de vraag in hoeverre een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder via art. 2:11 BW aansprakelijk kan worden gehouden. Op de rand van afronding van dit onder-zoek verscheen een arrest waarin de Hoge Raad een einde maakt aan de ondui-delijkheid die lange tijd in de rechtspraak en de doctrine bestond omtrent de kwestie of de aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW onder de reikwijdte van art. 2:11 BW valt.4 In datzelfde arrest geeft de Hoge Raad aan hoe naar zijn mening art. 2:11 BW in dat geval “uitwerkt”.5 Onduidelijk blijft echter bijvoor-beeld hoe art. 2:11 BW uitwerkt in het geval sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:216 BW. Tevens bestaat onduidelijkheid omtrent de vraag of art. 2:11 BW betrekking heeft op de regeling opgenomen in art. 2:354 BW omtrent het verhaal van kosten van een enquête. Op deze en andere onduidelijkheden ga ik in dit onderzoek nader in.