Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.3.2
III.3.2 Een Duits equivalent?
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS580332:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Limmer in Dietman-Reimann-Bengel, Systematischer Teil E, Rn. 239, Rn. 241 en Rn. 242. Het verbod ziet in beginsel ook op overeenkomsten met betrekking tot een legaat of de legitieme. Een Erbverzichtsvertrag (§ 2346 e.v. BGB), waaronder te begrijpen het Pflichtteilsverzicht (§ 2346 Abs. 2 BGB), ziet op de nalatenschap van een van de contractanten en valt derhalve niet onder het verbod van § 311b Abs. 4 BGB.
MünchKomm – Krüger, § 311b, Rn. 108. Limmer in Dietman-Reimann-Bengel, Systematischer Teil E, Rn. 234.
Maakt men de erflater partij dan lijkt zo op het eerste gezicht § 311b Abs.4 BGB buiten spel gezet te zijn, zo wordt in de literatuur wel betoogd. Zie Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 1174. Palandt-Heinrichs, BGB, § 312, Rn. 4. Toestemming van de erflater is niet voldoende om buiten het werkingsgebied van § 311b BGB Abs. 4 te blijven. Zie Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 1174.
MünchKomm – Krüger, § 311b, Rn. 115.
Als de betrokkenen maar personen zijn die krachtens versterferfrecht kunnen optreden. MünchKomm – Krüger, § 311b, Rn. 119 en Palandt-Heinrichs, BGB, § 312, Rn. 5. Een overeenkomst tussen zuivere testamentaire erfgenamen is niet mogelijk. Wel mag een versterferfgenaam als testamentair erfgenaam optreden en kan de overeenkomst zien op het gedeelte dat hij als versterferfgenaam of legitimaris had genoten. Bundesgerichtshof 11 mei 1988, FamRZ 1988, p. 1041.
Hier is sprake van ‘Sicherungsabtretung’. Zie Kaufhold, Vereinbarungenüber den Nachlaβ oder einzelne Nachlaβgegenstände ohne Mitwirkung des künftigen Erblassers, ZEV 1996, nr. 12.
Zie (voor meer mogelijkheden) Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 1173. Genoemd worden bijvoorbeeld de ‘Abfindungs- und Wertfestsetzungsvereinbarungen’.
De overeenkomst waarin onderwerp is dat er een Erb- of Pflichtteilsverzicht (§ 2346 BGB en § 2352 BGB) zal volgen, valt ook niet onder dit verbod. Het testeren als zodanig is niet in het geding, Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 1153.
Het Duitse equivalent van art. 4:4 lid 2 BW zou gevonden kunnen worden in § 311b BGB Abs. 4 (§ 312 BGB oud Abs.1):
‘Ein Vertragüber den Nachlass eines noch lebenden Dritten ist nichtig. Das gleiche gilt von einem Vertragüber den Pflichtteil oder ein Vermächtnis aus dem Nachlass eines noch lebenden Dritten.’
Hoe moet dit verbod van § 311b Abs. 4 BGB, dat overigens slechts ziet op de nalatenschap van een derde, en mede als gevolg daarvan niet geheel past op lid 2 van art. 4:4 BW, gezien worden? Net zoals in Nederland is niet alleen de overeenkomst over de nalatenschap, maar ook de overeenkomst die ziet op een evenredig aandeel daarin, nietig. Onder het verbod vallen ook, zoals hiervoor in par. 2.4 van dit hoofdstuk gezien, overeenkomsten die in Nederland onder het verbod van art. 4:4 lid 1 BW zouden vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de verplichting om de nalatenschap te verwerpen. Deze zijn hier thans niet aan de orde.1
De Duitse wetgever vindt de onderhavige overeenkomsten verwerpelijk omdat ze speculeren op de (spoedige) dood van de aspirant-erflater. Bovendien leiden ze tot lichtzinnig handelen en het uitbuiten van lichtzinnigheid. Ook wordt, zoals onder par. 2.3.2 van dit hoofdstuk reeds vermeld, door de wetgever gewezen op het feit dat indien de toekomstige erflater de overeenkomst onder ogen krijgt, hij zich in zijn testeervrijheid beperkt zou kunnen voelen.2,3In beginsel zijn, net als in Nederland, overeenkomsten over bepaalde goederen geldig.4 Soms voorkomt het feit dat over bepaalde goederen is beschikt niet dat sprake is van nietigheid. Ik verwijs naar par. 3.3 van dit hoofdstuk.
In § 311b BGB Abs. 5 wordt het de potentiële5versterferfgenamen toegestaan een (obligatoire) regeling over het erfdeel in de nalatenschap van de aspirant erflater of de legitieme te treffen. Een dergelijke overeenkomst wordt ‘Erbschaftsvertrag’ genoemd. Men kan derhalve een regeling ‘vooraf’ treffen, zonder dat de erflater er weet van heeft. Als praktisch voorbeeld zou gedacht kunnen worden aan de situatie dat iemand geld geleend heeft van zijn broer en hij bij gebreke van andere zekerheid ten behoeve van zijn geldverstrekkende broer overeenkomt afstand te doen van vaders toekomstige erfdeel.6 Onder meer zijn ook overeenkomsten mogelijk met betrekking tot het verwerpen van de nalatenschap.7 Het is begrijpelijk dat een notariële akte vereist is. Het ‘lichtzinnigheidsmotief’ om regelingen in beginsel niet toe te staan, speelt ook hier. Goede voorlichting en ‘Belehrung’ zijn dan ook op zijn plaats. Dergelijke overeenkomsten stuiten bij ons af op grond van art. 4:4 lid 1 BW. Hoewel ik mij in concrete omstandigheden best kan voorstellen dat deze ‘Erbschaftsverträge’ hun nut kunnen bewijzen, ben ik van mening dat de motieven die gegeven zijn voor het in beginsel verbieden van dit soort overeenkomsten te zwaar wegen om (ook bij ons) dergelijke overeenkomsten (ten aanzien van de nalatenschap van een derde) toe te staan. Bijzonder van belang vind ik daarbij dat de erflater niet bij de overeenkomst is betrokken, hetgeen het in het bijzonder een speculatief gebeuren maakt.
Een concreet verbod om een overeenkomst over de eigen nalatenschap te sluiten, treft men in Duitsland niet aan. Wel is § 2302 BGB van belang. Het in par. 2.3.1 van dit hoofdstuk besproken § 2302 BGB gaat echter weliswaar over de eigen nalatenschap, maar niet over de eigen nalatenschap als object van een overeenkomst. Het al dan niet testeren is hier het object.8