Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.4.1.6
3.4.1.6 De wettelijke bevoegdheden van de trustee
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717534:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De memorie van toelichting zegt over deze bepaling het volgende: “onderdeel e is bedoeld om een wettelijke basis te geven voor het voldoen aan niet bindende verzoeken, al dan niet in de vorm van in de trustpraktijk gehanteerde 'letters of wishes'.” Het voorgaande is mijns inziens verwarrend. Het is mij niet duidelijk waarom de Curaçaose wetgever van mening is dat de in de praktijk gehanteerde ‘letters of wishes’ een wettelijke basis behoeven, gelet op het feit dat hetgeen in een ‘letter of wishes’ is opgenomen niet rechtens afdwingbaar is. Voorts zou de insteller, protector of derde in beginsel geen verzoeken tot uitkering kunnen doen aan niet in de trustakte genoemde personen c.q. doelen. Dergelijke verzoeken zijn in strijd is met één van de materiële vereisten van de totstandkoming van de Curaçaose trust, namelijk de aanwijzing van de begunstigde c.q. de omschrijving van het desbetreffende doel in de trust akte. Zou een trustee het desbetreffende verzoek honoreren, dan zou zijn handelen in strijd zijn met het algemeen trustrecht en daarmee schendt hij zijn trustrechtelijke verplichtingen. Een uitzondering hierop is een daartoe strekkende bevoegdheid – de zogenoemde bevoegdheid tot aanwijzing van een begunstigde – die in de trustakte is opgenomen.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 9.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 9.
De Curaçaose wetgever geeft de volgende voorbeelden: “Het in onderdeel a bepaalde maakt het mogelijk dat de trust gebruikt wordt als investment trust. De belegger is dan een insteller en begunstigde tegelijk. Ten aanzien van het in onderdeel b bepaalde wordt ten deze verwezen naar artikel 154, eerste lid. Het onder c en d bepaalde is bedoeld om 'spendthrift clauses' mogelijk te maken. Op basis van deze bepaling kan de insteller voorkomen dat de begunstigde zijn rechten en aanspraken op toekomstige uitkeringen van inkomen of op het trustvermogen zelf kan overdragen of dat crediteuren van de begunstigde daar aanspraak op maken. Vanzelfsprekend kan de begunstigde over reeds ontvangen uitkeringen vrijelijk beschikken en zijn de reeds ontvangen uitkeringen voor beslag vatbaar. Onderdeel e is bedoeld om een wettelijke basis te geven voor het voldoen aan niet bindende verzoeken, al dan niet in de vorm van in de trustpraktijk gehanteerde 'letters of wishes'.”
Zie in dit kader paragraaf 2.5.8.2.
Zie voor de voorgestelde oplossing paragraaf 4.3.15.1.
Naast de op grond van het algemene Curaçaose trustrecht en de in de trustakte neergelegde verplichtingen die aan de trustee zijn opgelegd, kunnen tevens bevoegdheden aan de trustee worden verleend. Krachtens art. 3:139 lid 1 BWC is een trustee onder meer bevoegd tot:
vervreemding, belegging en herbelegging van het trustvermogen;
uitkering van het zuiver inkomen of accumulatie voor ten hoogste vijf jaren;
beëindiging of opschorting van uitkeringen ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, voor zover die uitkeringen feitelijk voor een ander doel gebruikt worden;
beëindiging van uitkeringen indien een begunstigde, in strijd met een daartoe strekkend verbod in de trustakte, zijn belang in de trust heeft vervreemd, bezwaard of belast;
het op verzoek van de insteller, de protector of derden doen van uitkeringen aan niet in de trustakte genoemde personen of ten behoeve van niet in de trustakte genoemde doelen, mits deze uitkeringen niet onverenigbaar zijn met de trustbepalingen1;
raadpleging van adviseurs in verband met de uitoefening van zijn taak.
Uit de memorie van toelichting kan indirect worden afgeleid dat de bovengenoemde lijst niet limitatief is.2 Voorts bepaalt art. 3:139 lid 4 BWC dat in de trustakte van de in art. 3:139 lid 1 BWC neergelegde bevoegdheden kan worden afgeweken.
Hetgeen allereerst in casu in het oog springt is dat art. 3:139 lid 1 BWC volgens de memorie van toelichting de trustee uitgebreide bevoegdheden tot handelen geeft.3 Ik vind deze bepaling echter semantisch meerduidig. Enerzijds lijkt de wetgever op basis van de memorie van toelichting te suggereren dat de uitoefening van de in art. 3:139 lid 1 BWC genoemde bevoegdheden afhankelijk is van het type trust dat in het leven is geroepen.4 Anderzijds kan de voornoemde wetsbepaling in dier voege worden geïnterpreteerd dat bij gebreke van een andersluidend beding in de trustakte, de trustee in elk geval de aan hem in art. 3:139 lid 1 BWC toegekende bevoegdheden heeft, ongeacht het type trust dat is ingesteld. In dat geval zou het vreemd zijn om deze bevoegdheden te codificeren, met name omdat de Curaçaose trustwetgeving in beginsel van regelend recht is en de bevoegdheden van de trustee vooral zullen afhangen van de inhoud en de strekking van het trustverband en de in de trustakte neergelegde voorwaarden. Het toekennen van een in de voornoemde bepaling genoemde bevoegdheid kan daarnaast onverenigbaar zijn met het doel en strekking van de trust, met name indien in de trustakte niet van art. 3:139 lid 1 BWC is afgeweken. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin aan de trustee onder het huidige trustrecht een wettelijke bevoegdheid tot belegging wordt verleend, terwijl de trust juist gecreëerd is om unieke en kostbare goederen van de insteller te beschermen, teneinde die te zijner tijd aan de volgende generatie over te dragen. Het feit dat de trustee in een dergelijk geval zijn bevoegdheid toch niet zal kunnen uitoefenen – de uitoefening is immers niet in het belang van de begunstigde – en de insteller een breed scala aan mogelijkheden heeft in het Curaçaose trustrecht, maakt een dergelijke wetsbepaling in mijn ogen overbodig.
Voorts kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de Curaçaose wetgever het onderscheid tussen enerzijds de trust als rechtsfiguur en de trustrechtelijke rechten en bevoegdheden niet kent. Dit leid ik uit van het volgende:
“Het eerste lid, van regelend recht [zie artikel 139, eerste lid – aanpassing KRF], geeft aan de trustee uitgebreide bevoegdheden tot handelen. Men vergelijke de in het Anglo-Amerikaans recht bekende "discretionary trust", waarmee een trust bedoeld wordt, waarbij de trustee naar eigen inzicht kan bepalen of en in hoeverre hij het trustinkomen zal uitkeren of accumeleren (sic).”
Op basis van het bovenstaande wekt de Curaçaose wetgever de schijn dat trustrechtelijke rechten en bevoegdheden enkel aan een trustee van een ‘discretionary’ trust kunnen worden toegekend. Dit is allesbehalve juist. Bevoegdheden kunnen altijd aan iedere trustee worden verleend, ongeacht of er sprake is van een ‘fixed’ of een ‘discretionary’ trust. Het type trust is voor de toekenning van bevoegdheden aan de trustee aldus in alle gevallen irrelevant. Dat de trustee bij de ‘discretionary’ trust een discretionaire bevoegdheid heeft om uiteindelijk vast te stellen welke potentiële beneficiaries daadwerkelijk worden aangewezen als begunstigde en wat de aard en omvang van hun belang is in het trustfonds, doet hier niet aan af.5/6