Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.7:4.2.7 Bewijsvoering
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.7
4.2.7 Bewijsvoering
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940229:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Nijboer 2011, par. 2.3.
Zie hierover Knigge 1998, par. 6.4.
HR 20 december 1926 (strafkamer), NJ 1927, p. 85.
Zie Nijboer 2011, p. 68 en par. 3.6, Corstens/Borgers 2014, p. 781 e.v..
Zie hierover nader Corstens/Borgers 2014, p. 763-765.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bewijsmiddelen moeten in beginsel ter terechtzitting worden geproduceerd. Het zogeheten onmiddellijkheidsbeginsel schrijft dat voor.1 Het onderzoek ter terechtzitting staat dan ook in veel wettelijke bepalingen centraal. Om te beginnen moet de rechter zijn overtuiging halen ‘uit het onderzoek op de terechtzitting’.2 Verklaringen van getuigen of deskundigen moeten op de zitting worden gedaan. Een eigen verklaring van de verdachte als hoofdregel evenzeer.3
Deze focus op de terechtzitting wordt in de strafrechtelijke praktijk gerelativeerd door gebruikmaking van processen-verbaal, die wettige bewijsmiddelen vormen.4 In die processen-verbaal wordt dan vastgelegd wat de verschillende betrokkenen ten overstaan van de bevoegde autoriteiten hebben verklaard, waardoor zij niet alle op de zitting hoeven te worden ondervraagd.5 Een andere belangrijke nuancering van het onmiddellijkheidsbeginsel is ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad en betreft de zogeheten testimonia de auditu (een verklaring waarbij de ene persoon vertelt wat de andere persoon hem heeft medegedeeld). In 1926 aanvaardde de Hoge Raad een dergelijke verklaring, ondanks dat de oorspronkelijke verklaring niet ter zitting werd afgelegd.6 Nadien zijn er, vooral onder invloed van het EVRM, wel enkele nuances aangebracht op deze ogenschijnlijk vergaande beperking van het onmiddellijkheidsbeginsel, vooral in het geval van cruciale of essentiële getuigen.7 Verder kan in dit kader worden opgemerkt, dat onder de categorie schriftelijke bescheiden in wezen elk denkbaar geschrift kan vallen.8
Het voorgaande laat onverlet, dat productie ter zitting voor sommige bewijsmiddelen nog steeds de enige manier is om als wettig bewijsmiddel te kunnen gelden. Dat geldt voor alle bewijsmiddelen, niet zijnde een verklaring of schriftelijk stuk. Dergelijke bewijsmiddelen kunnen alleen via de weg van de eigen waarneming van de rechter, ter terechtzitting, tot wettig bewijs worden getransformeerd.9 Door bijvoorbeeld videobeelden of moordwapens op de zitting te tonen, kan de inhoud (toch) bijdragen tot het bewijs. De rechter kan de kennis of wetenschap van de inhoud van de beelden of van de vorm van het wapen namelijk via zijn eigen waarneming, een wettig bewijsmiddel,10 in aanmerking nemen.