Einde inhoudsopgave
RvdW 2019/959
Verordening Brussel Ibis. Rechterlijke bevoegdheid. Alternatieve bevoegdheid m.b.t. verbintenissen uit onrechtmatige daad (art. 7, punt 2); vordering tot vergoeding van schade als gevolg van inbreuk op art. 101 VWEU; bepaling ‘Erfolgsort’.
HvJ EU 29-07-2019, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
29 juli 2019
- Magistraten
C. Toader, A. Rosas, M. Safjan
- Zaaknummer
C-451/18
- Roepnaam
Tibor-Trans
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2019:635, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 29‑07‑2019
- Wetingang
Art. 7 punt 2 Brussel I-bis
Essentie
Tibor-Trans Fuvarozó és Kereskedelmi Kft. tegen DAF Trucks NV.
Verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens art. 267 VWEU, ingediend door Győri Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Győr, Hongarije) bij beslissing van 19 juni 2018.
Verordening Brussel I-bis. Rechterlijke bevoegdheid. Alternatieve bevoegdheid m.b.t. verbintenissen uit onrechtmatige daad (art. 7, punt 2); vordering tot vergoeding van schade als gevolg van inbreuk op art. 101 VWEU; bepaling ‘Erfolgsort’.
Art. 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis dient aldus te worden uitgelegd dat bij een vordering tot vergoeding van schade als gevolg ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.