Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.3.2.b
VII.3.3.2.b De stortingsplicht bij een NV
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 26 (MvT). Bij deze regeling sta ik stil in § VII.4.3. Zie over de wijziging van de wettelijke regeling betreffende de bescherming van crediteuren van een BV en de gevolgen daarvan voor de (mate van) aansprakelijkheid van bestuurders Boschma & Schutte-Veenstra, Ondernemingsrecht 2012/116.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 40 (MvT). Daarmee is niet gezegd dat bestuurders van een BV sinds de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV geen aansprakelijkheid meer te vrezen hebben ter zake van de niet-naleving van de stortingsplicht. Net als bij een NV, biedt art. 2:9 BW een grondslag voor aansprakelijkheid wanneer bestuurders onvoldoende hebben gedaan om de aandeelhouders te bewegen aan hun stortingsplicht te voldoen, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 33 (NV). Voor een bespreking van de aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW verwijs ik naar § VII.3.2. Ook kan art. 6:162 BW als grondslag dienen. Gaat een bestuurder verplichtingen aan terwijl hij weet of behoort te weten dat de vennootschap die verplichtingen vanwege betalingsproblemen bij de aandeelhouders niet kan nakomen, dan riskeert hij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 33 (NV). Op de aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW ga ik in in § VII.4.2.
Kamerstukken II 1983/84, 16 551, 11, p. 9 (NEV). Idem Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/120; en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:69, aant. 6.2.
Zie HR 11 juli 2003, NJ 2003, 630 m.nt. Maeijer; JOR 2003/193 m.nt. Groffen (Bas-C).
Zie Kamerstukken II 1981/82, 16 551, 6, p. 7 (MvA). Tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, wezen leden van de D’66-fractie erop dat bestuurders het niet in de hand hebben of aan de stortingsverplichtingen wordt voldaan. Zij achtten de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid dan ook te zwaar. Volgens de minister kunnen derden die slachtoffer zijn geworden van het niet storten daarop nog minder invloed uitoefenen en er zelfs veelal onkundig van zijn. De lastenverdeling tussen bestuurders en derden moet om die reden uitvallen ten gunste van de derden, zie Kamerstukken II 1981/82, 16 551, 6, p. 7 (MvA).
Zie Kamerstukken II 2007/08, 31 220, 3, p. 8 (MvT).
Voor de NV gelden naast de inschrijvingsplicht nog twee stortingsplichten. Voor de BV zijn deze stortingsverplichtingen met de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV geschrapt. Sinds 1 oktober 2012 bepaalt de wet niet langer dat een bepaald kapitaal in de BV aanwezig moet zijn en dat ten laste van dit kapitaal geen uitkeringen mogen worden gedaan. De kapitaalbeschermingsregeling berust thans op een systeem waarin de geoorloofdheid van uitkeringen wordt bepaald aan de hand van de financiële positie van de vennootschap.1 Als gevolg van deze wijziging is zowel de verplichting om ten minste het minimumkapitaal als de verplichting om ten minste 25% van het geplaatste kapitaal bij oprichting te storten, afgeschaft. De aansprakelijkheidsregeling die was gekoppeld aan de niet-naleving van de stortingsverplichtingen bij oprichting, is eveneens komen te vervallen.2
Voor de NV gelden de hiervoor genoemde verplichtingen onverkort. Op grond van art. 2:67 lid 3 BW moet het gestorte deel van het geplaatste kapitaal bij oprichting ten minste 45.000 euro bedragen. Daarnaast vereist art. 2:80 lid 1 BW dat ten minste 25% van het totale geplaatste kapitaal bij oprichting wordt gestort.
Bedraagt het gestorte kapitaal minder dan de minimumkapitaaleis, dan is de sanctie tweeledig. Allereerst moet de rechter de NV op verzoek van het OM ex art. 2:74 lid 2 BW ontbinden. De soep wordt echter niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. De rechtbank ontbindt de NV namelijk niet indien het verzuim binnen een door haar bepaalde termijn is hersteld of de NV zich binnen die termijn heeft omgezet in een BV.3 In de tweede plaats kunnen de bestuurders van de NV hoofdelijk worden aangesproken voor rechtshandelingen die zijn verricht in het tijdvak tussen de oprichting van de vennootschap en het moment waarop het minimumkapitaal is gestort, zo volgt uit art. 2:69 lid 2 aanhef en sub b BW. Dit geldt ook voor rechtshandelingen die zijn verricht voordat ten minste 25% van het nominale bedrag op het bij de oprichting geplaatste kapitaal is gestort.4 Ik wijs erop dat uit art. 2:69 lid 2 aanhef en sub c BW volgt dat aansprakelijkheid slechts kan ontstaan indien niet ten minste 25% van het totale nominale geplaatste kapitaal is gestort. Een overschot op een aandeel compenseert dus een tekort op een ander aandeel.5 Vermeldenswaardig is dat de bestuurders niet aan een eenmaal gevestigde aansprakelijkheid kunnen ontkomen wanneer na de oprichting alsnog aan de stortingsplichten wordt voldaan.6
De sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid dient ook in dit geval als een stok achter de deur.7 De sanctie geldt op grond van het derde lid van art. 2:69 BW overigens niet indien de inbreng in natura onmiddellijk na de oprichting plaatsvindt en het bestuur ex art. 2:94a lid 4 BW bij een aanzienlijke wijziging van de waarde alsnog voor een beschrijving en een accountantsverklaring heeft gezorgd en vervolgens de noodzakelijke stortingen namens de vennootschap heeft opgevraagd. In dat geval treft de bestuurders immers geen verwijt, zo luidt de toelichting.8