Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.3.2.1
3.3.2.1 Geld, (genot van) goederen, arbeid
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS389473:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.10.3,JOR 2011/361, m.nt. Chr.M. Stokkermans; NJ 2012/75, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van den Eijnde/Fuchs); Van der Grinten 1972, p. 1089.
Zie ook Asser/Maeijer 5-V 1995/37.
Huizink 2011, p. 15.
Zo ook Mohr 2009, p. 42. A-G Groeneveld stelt in zijn conclusie onder 3.3.1.2 bij HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0676, BNB 2005/73 dat een andere opvatting het doodvonnis zou betekenen voor de CV waarbij de commandiet geen daden van beheer mag verrichten of in de zaken van de vennootschap werkzaam mag zijn.
Slagter, GS Personenassociaties II.I.8.4 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2009).
Ktr. Amsterdam 9 mei 1952, NJ 1953/151.
Heuff 1970, p. 9.
Smits 1969, p. 2.
Van Oven 1931.
Inbreng is het leveren van een bijdrage tot het bereiken van het gemeenschappelijke doel.1 Niet ieders inbreng hoeft even groot te zijn, maar wel is (de waarde van) ieders inbreng bij gebreke van een andersluidende regeling bepalend voor zijn aandeel in de winsten en de verliezen (art. 7A:1670 BW). Art. 7A:1662 BW bepaalt over de inbreng van een vennoot:
De inbreng van de vennoot kan bestaan in geld, goederen, genot van goederen en arbeid.
Op de inbreng van een goed zijn de bepalingen omtrent koop, op de inbreng van genot van een goed de artikelen 1584-1623 van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.’
Onder ‘goederen’ in lid 1 vallen ook goodwill,2 knowhow (bijv. een informatiesysteem, een methode of een ontwerp) enzovoort.3 Aangenomen wordt dat al wat naar economische maatstaven kan worden gewaardeerd vatbaar is voor inbreng.4
Van belang is het zich te realiseren dat naast de verplichting tot inbreng ook steeds de verplichting tot samenwerking bestaat. Dat betekent onder meer dat de voor de vennootschap economisch waardevolle belofte om de VOF geen concurrentie aan te doen, gesteld dat een dergelijke belofte kan dienen als inbreng, niet leidt tot een VOF als daarnaast niet wordt samengewerkt. De verplichting tot samenwerking brengt niet met zich dat iedere vennoot arbeid moet inbrengen.5 Als wel arbeid wordt ingebracht, kan de vraag rijzen of de ingebrachte arbeid door de inbrenger persoonlijk moet worden verricht. Slagter beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat samenwerking geschiedt tussen de vennoten persoonlijk.6 Hij baseert zich op een uitspraak van het Kantongerecht Amsterdam7 uit 1952, waarin werd beslist dat het aandeel in een VOF een hoogstpersoonlijk recht is en dat de hoedanigheid van vennoot daarom niet voor overdracht vatbaar is. Ik begrijp deze uitspraak echter zo, dat de kantonrechter niet meer heeft willen zeggen dan dat de aan het aandeel verbonden positie van vennoot hoogstpersoonlijk is. Heuff meent dat voor ‘samenwerking’ volstaat dat de vennoten gezamenlijk de beleidsbeslissingen nemen en dat de werkzaamheden dus verricht kunnen worden door nietvennoten.8 Mijns inziens hangt het antwoord op de vraag of en zo ja in hoeverre arbeid aan een ander mag worden overgelaten vooral af van de afspraken daarover en de verhoudingen tussen de vennoten.
Volgens het tot de invoering van het Nieuw BW in 1992 geldende art. 1656 BW moest iedere vennoot ‘of geld, of andere goederen, of zijne nijverheid’ inbrengen. De vraag die rees, was of goederen in eigendom moesten worden overgedragen of dat ter beschikking stelling voldoende was. Smits achtte het terbeschikking stellen van de inbreng aan de vennootschap voldoende en meende dat de inbreng niet per se gemeenschappelijke eigendom hoefde te worden.9 Volgens Van Oven daarentegen moest er verplicht sprake zijn van mede- eigendom.10 De Hoge Raad beslechtte deze discussie in 1952 door te bepalen dat zaken niet noodzakelijkerwijs in mede-eigendom hoeven te worden overgedragen.11 Uit het huidige art. 7A:1662 BW volgt uitdrukkelijk da inbreng van genot van een goed voldoende is om te kwalificeren als inbreng.