Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.3.b.iii
6.3.3.b.iii Probleemgeval: geen modelbeschermingswet (<geenverwijzing>art. 2 lid 7</geenverwijzing>, tweede volzin, slot)
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS467653:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader alinea's 869 e.v. hierna. Op 1 januari 1975 werd de Beneluxwet inzake tekeningen en modellen van kracht; sedertdien kent Nederland cumulatieve bescherming. Deze regeling is met ingang van 1 september 2006 vervangen door het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) van 25 februari 2005, Trb. 2005, 96.
Let wel: het gaat er dus om of een bijzondere bescherming voor tekeningen en modellen bestaat. Dat bescherming door het algemene onrechtmatige-daadsrecht mogelijk is, is niet relevant. Onjuist: Hof Amsterdam 11 april 2002, BIE 2003, nr. 35 (Vitra/Architects), to. 5.15-5.16.
Actes BC 1967, p. 1155 (Report Main Committee I); zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16 739, nr. 3, p. 5-6. Voor de goede orde: de slotzin van art. 2 lid 7 komt alleen in beeld indien een regeling voor modelbescherming niet bestaat. Zij is niet van toepassing indien een dergelijke regeling wel bestaat maar het litigieuze werk niet aan de beschermingsvoorwaarden voldoet. In zo'n geval bestaat noch auteursrechtelijke noch modelrechtelijke bescherming: auteursrechtelijke bescherming wordt uitgesloten door de materiële-reciprociteitstoets, model-rechtelijke bescherming door het niet voldoen aan de beschermingsvoorwaarden.
Vgl. ook Hof Arnhem 1 oktober 1979, NJ 1980, 584. Zie in dit verband Nordemann, Vinck & Hertin 1977, p. 39-40; Baum 1963, p. 352; Hilty 1986, p. 215; Drexl 1990, p. 139; Anders: Bappert & Wagner 1956, p. 60; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 464-465.
Zie noot 152 van dit hoofdstuk 6.
Protocol houdende wijziging van de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen van 20 juni 2002, Trb. 2002, 129. Volgens het Gemeenschappelijk Commentaar bij (art. ibis van) dit Protocol komen de oude en de nieuwe BTMW-nieuwheidscriteria in de praktijk op vrijwel hetzelfde neer. Daarom blijven mogelijke complicaties die kunnen voortvloeien uit deze wijziging van de nieuwheidscriteria hier buiten beschouwing.
Een dergelijke moment heeft zich daarentegen wel voorgedaan ten aanzien van werken die ná 1 januari 1975 hun nieuwheid hebben verloren. Dergelijke werken konden wel in aanmerking komen voor een 'zodanige bijzondere bescherming' (maar zij voldoen niet aan de materiële beschermingsvoorwaarden). Hier speelt deze overgangsrechtelijke dimensie van het nieuwheidsvereiste dus niet. In zo'n geval mist de slotzin van art. 2 lid 7 toepassing, zodat het werk noch voor auteursrechtelijke noch voor modelrechtelijke bescherming in aanmerking komt.
Vgl. het Gemeenschappelijk Commentaar bij (art. ibis van) het Protocol van 20 juni 2002; art. 6 lid 1 Richtlijn 98/71/EG (PbEG 1998, L 289/28).
In dit voorbeeld wordt uitgegaan van toepasselijkheid van (art. 2 lid 7 van) de Berner Conventie in haar Parijse versie van 1971. Het voorbeeld blijft hetzelfde wanneer de bescherming wordt gevraagd onder de vigeur van de Brusselse versie van 1948, indien men aanneemt — zoals in alinea 868 hiervoor — dat de slotzin van art. 2 lid 7 van de Parijse versie ook geldt onder de Brusselse versie.
BR 29 juni 2001, NJ2001, 602 m.nt. DWFV (Impag/Marvin).
Vgl. ook alinea 2.10 van de conclusie van A-G Langemeij er. Vaststaat dat de spellen begin jaren zeventig (voor 1975) op de Amerikaanse markt zijn gebracht; dat zij op 1 januari 1975 niet meer nieuw waren in de zin van art. 4 BTMW, komt in het arrest overigens niet geheel duidelijk uit de feitelijke verf. Zie ook Verkade in zijn NJ-annotatie, alinea 5.
to. 3.5.4.
Vgl. ook Verkade in zijn NJ-annotatie, alinea 7. Daarmee heeft de slotzin van art. 2 lid 7 in Nederland alleen nog betekenis voor bescherming die wordt gevraagd voor de periode tussen 7 januari 1973 (inwerkingtreding Brusselse versie Berner Conventie) en 1 januari 1975 (inwerkingtreding BTMW) — een theoretische aangelegenheid dus —, mits wordt aangenomen dat onder de Brusselse versie mag worden geanticipeerd op deze bepaling.
Pas als zij ooit 'vernieuwd' zijn, komen zij weer in aanmerking voor BMTW/BVIE-bescherming.
867. Probleem: geen modelbeschermingswet. Een probleem doet zich voor indien onder de lex loci protectionis een bijzondere wettelijke regeling voor modelbescherming ontbreekt. Zo kende bijvoorbeeld Nederland vóór 1 januari 1975 geen modelbescherming.1 Herleeft dan de hoofdregel dat het werk — onder welk regime dan ook — moet worden beschermd, zodat het werk onder de lex loci protectionis toch voor bescherming als werk van kunst in aanmerking komt? Of betekent het spaak lopen van de uitzondering dat het werk voor geen enkele bescherming van de lex loci protectionis in aanmerking komt? Tijdens de Brusselse conferentie van 1948 zag men dit probleem waarschijnlijk over het hoofd, maar tijdens de Stockholmse conferentie van 1967 werd het onderkend. Aan het slot van artikel 2 lid 7 werd toen bepaald dat indien onder de lex loci protectionis geen bijzondere bescherming voor tekeningen en modellen wordt toegekend2, het werk als werk van kunst wordt beschermd.3
868. Het probleem doet zich derhalve alleen voor onder de vigeur van de Brusselse versie — het probleem is dus praktisch vrijwel niet meer van belang. Hoe dan ook, het laat zich m.i. goed verdedigen dat hier dezelfde oplossing moet worden toegepast.4 Uitgangspunt van de in Brussel ontworpen regeling is immers dat het werk van toegepaste kunst voor — enigerlei — bescherming in aanmerking komt. In dat licht moet de materiële-reciprociteitsuitzondering van artikel 2 lid 7 beperkt worden uitgelegd. Zij mag er niet toe leiden dat het werk van toegepaste kunst tussen wal en schip valt doordat het voor geen enkele bescherming in aanmerking komt.
869. Probleem: temporele dimensie. Een andere vraag betreft de temporele dimensie van de in de slotzin opgenomen regeling. Denkbaar is dat op het moment waarvoor de bescherming wordt ingeroepen weliswaar een regeling voor modelbescherming is ingevoerd, maar dat deze regeling om overgangsrechtelijke redenen niet van toepassing is ten aanzien van het litigieuze werk. In zo'n geval geldt m.i. ten aanzien van dat werk dat "in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend." Ingevolge de slotzin van artikel 2 lid 7 komt het werk dan in aanmerking voor bescherming als werk van kunst.
870. BTMW/BVIE: overgangsrecht. Deze vraag is voor Nederland van belang. Als gezegd kende Nederland vóór 1 januari 1975 geen modelbescherming: op die datum trad de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen (`BTMW') in werking, welke regeling per 1 september 2006 is vervangen door het Benelux-verdrag inzake de intellectuele-eigendom (`BviE,).5
Wat geldt ten aanzien van werken van toegepaste kunst die dateren van vóór 1 januari 1975? De overgangsbepaling van artikel 25 BTMW respectievelijk artikel 5.3 BVIE bepaalt alleen dat oude beschermingsaanspraken gehandhaafd blijven, maar daarmee is niets gezegd over de vraag of de BTMW/BVIE-bescherming is weggelegd voor 'oude' werken.
871. Nieuwheidsvereiste. Het nieuwheidsvereiste van de BTMW/BVIE heeft wel effect op die vraag. Ingevolge dit vereiste wordt de bescherming van de BTMW/BVIE alleen verleend indien het werk nieuw is (artikel 1 BTMW; artikel 3.1 lid 1 BVIE). Toen de BTMW op 1 januari 1975 in werking trad, waren de criteria voor nieuwheid opgenomen in artikel 4 lid 1. Sinds 1 december 2003 werden zij geplaatst in artikel ibis en inhoudelijk enigszins gewijzigd6 — en in die vorm zijn zij overgenomen in artikel 3.3 lid 1 BVIE. Aan het vereiste van nieuwheid kunnen 'oude' werken — preciezer gezegd: werken die op 1 januari 1975 niet nieuw zijn — per definitie niet voldoen. Door dit vereiste te stellen heeft de Benelux-wetgever hen op voorhand uitgesloten van Benelux-bescherming. Daarmee heeft het nieuwheidsvereiste een overgangsrechtelijke lading: werken die op 1 januari 1975 niet nieuw waren, vallen buiten de Benelux-boot. Voor deze werken geldt m.i. bijgevolg dat in Nederland "geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend" als bedoeld in artikel 2 lid 7. Voor hen is er nooit een moment in de tijd geweest waarop zij in aanmerking konden komen voor dergelijke bescherming.7
872. Vernieuwing. Hier dient overigens een nuance te worden aangebracht. De `oude' werken zijn namelijk niet voor eeuwig uitgesloten van BTMW/BVIEbescherming: onder de BTMW van voor 1 december 2003 was het nieuwheidsvereiste temporeel tot vijftig jaar terug in de tijd begrensd (artikel 4 lid 1 onder a), zodat niet-nieuwe werken weer nieuw konden worden door vijftig jaar in de vergetelheid te geraken. Op deze gedachte van een 'collectief geheugen' is ook de `vernieuwingsmogelijkheid' van de per 1 december 2003 gewijzigde BTMW, en de BVIE gebaseerd.8 Is het oude werk aldus 'vernieuwd', dan komt het in aanmerking voor BTMW/BVIE-bescherming — en dan mist de slotzin van artikel 2 lid 7 toepassing ten aanzien van dat werk.
873. Voorbeeld. Een voorbeeld. Stel dat een vreemd, nieuw werk van toegepaste kunst in 1974 in Nederland is gepubliceerd. Op dat moment kent Nederland geen modelbescherming, er valt dus niets te deponeren. Wanneer die bescherming op 1 januari 1975 wordt ingevoerd, valt het werk buiten de boot omdat het vóór die datum bekend geworden was. Het werk is — om een overgangsrechtelijke reden gedoemd de BTMW-bescherming mis te lopen. Jaren later, in 2000, treft de rechthebbende een imitatie aan en hij roept bij de Nederlandse rechter auteursrechtelijke bescherming in.9 In zijn land van oorsprong blijkt het werk niet te worden aangemerkt als werk van kunst, maar alleen als model. Volgens de materiële-reciprociteitsuitzondering van artikel 2 lid 7 komt het in Nederland dus alleen in aanmerking voor modelbescherming. Nu rijst de vraag: is de slotzin van artikel 2 lid 7 in dit geval van toepassing, zodat de materiële-reciprociteitsuitzondering wordt uitgeschakeld? In Nederland bestaat anno 2000 weliswaar een regeling voor modelbescherming, maar dit werk komt daar anno 2000 om overgangsrechtelijke redenen niet voor in aanmerking: het werd immers gepubliceerd (niet-nieuw) vóór de inwerkingtreding van die regeling. In dit geval heeft m.i. daarom te gelden dat in Nederland "geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend" als bedoeld in artikel 2 lid 7. Het werk komt dan dus in aanmerking voor bescherming als werk van kunst. Dat wordt pas anders indien het werk is 'vernieuwd'. Vanaf dat moment komt het immers (voor het eerst) in aanmerking voor BTMW/BVIEbescherming en vindt de slotzin van artikel 2 lid 7 dus geen toepassing meer ten aanzien van dit werk.
874. Resumé. Deze benadering van artikel 2 lid 7, slotzin, laat zich als volgt resumeren: zolang zij niet weer nieuw zijn geworden, geldt voor werken van toegepaste kunst die op 1 januari 1975 niet nieuw waren, de slotzin van artikel 2 lid 7. Zij komen dus in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming. Door deze benadering wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van artikel 2 lid 7 dat werken van toegepaste kunst voor — enigerlei — bescherming in aanmerking moeten komen.
875. Anders: Impag-arrest. In de Impag-zaak sloeg de Hoge Raad echter een andere weg in.10 In deze zaak ging het om enkele Amerikaanse spellen waarvoor anno 1997 auteursrechtelijke bescherming in Nederland werd ingeroepen onder de vigeur van de Parijse versie van de Berner Conventie. In eerste aanleg oordeelde de President in kort geding dat — kort gezegd — deze spellen dateren van vóór 1975, zodat de slotzin van artikel 2 lid 7 van toepassing is en de spellen dus voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.11 Het hof sloot zich daarbij aan, maar werd gegispt door de Hoge Raad, die overwoog dat het hof heeft miskend
"dat indien dit spel in de VS alleen als model is beschermd, ingevolge art. 2 lid 7 Berner Conventie in Nederland, als ander land van de Unie in de zin van deze bepaling, met betrekking tot dit spel slechts de bijzondere bescherming kan worden ingeroepen, welke in Nederland aan modellen wordt toegekend. Het Hof heeft dan ook, door te oordelen dat aan het onderhavige spel auteursrechtelijke bescherming kan worden ontleend zonder vast te stellen of dit ook in de VS het geval is, van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in alt 2 lid 7 bepaalde blijk gegeven."12
876. De Hoge Raad wees de toepassing van de slotzin van artikel 2 lid 7 dus van de hand. De vraag of de spellen op 1 januari 1975 al dan niet nieuw waren, doet in de ogen van de Hoge Raad bij de toepassing van artikel 2 lid 7 blijkbaar niet terzake.13 Dat betekent dat werken van toegepaste kunst die dateren van vóór 1 januari 1975 (dat wil zeggen: op die datum niet nieuw waren) en in hun land van oorsprong alleen als model worden beschermd, in Nederland tussen wal en schip vallen. Tegen hen moet de materiële-reciprociteitsuitzondering van artikel 2 lid 7 worden ingezet, met als gevolg dat zij niet in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming, maar alleen voor modelrechtelijke bescherming — terwijl zij voor modelrechtelijke bescherming niet in aanmerking komen omdat zij niet nieuw waren toen de desbetreffende modelbeschermingsregeling in werking trad.14