De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.2:26.6.2 Onderhandelingen tussen welke partijen?
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.2
26.6.2 Onderhandelingen tussen welke partijen?
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365302:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 10 lid 5 WAM bepaalt dat de verjaring ten opzichte van de WAM-verzekeraar wordt gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde. Onder benadeelde moeten naast de rechtstreeks benadeelde tevens worden verstaan diens regresgerechtigden krachtens subrogatie of zelfstandig wettelijk recht en onder verzekeraar moet tevens worden verstaan het Waarborgfonds.
Wat betreft het begrip benadeelde vloeit zulks voort uit het reeds in het kader van art. 10 lid 1 gememoreerde art. 1 WAM. Dat onder de verzekeraar ook het Waarborgfonds moet worden verstaan vloeit voort uit art. 26 lid 8 WAM.
Hof Den Haag 6 juni 19961 is een zaak waarin de rolverdeling zodanig was dat niet tot stuiting krachtens art. 10 lid 5 WAM werd geoordeeld.
In die zaak betoogde de regreszoekende bedrijfsvereniging dat in het geval de aansprakelijke persoon zich niet tegen de wettelijke aansprakelijkheid als bedoeld in de WAM heeft verzekerd, de verjaring van haar vordering tegen het Waarborgfonds ook wordt gestuit door onderhandelingen met de aansprakelijke persoon zelf. Het hof oordeelt: "De bijzondere vorm van stuiting, bestaande in onderhandelingen, is volgens de tekst van het derde lid [thans vijfde lid — JLS] van artikel 10 WAM duidelijk beperkt tot onderhandelingen tussen de benadeelde en de verzekeraar. In verbinding met artikel 26, lid 8 WAM wordt de verjaring ook gestuit door onderhandelingen tussen de benadeelde en het Waarborgfonds. In de wetsgeschiedenis is geen steun te vinden voor de door [de bedrijfsvereniging] bepleite ruime en met de duidelijke tekst niet te verenigen uitleg."
Gegeven de processuele stellingname van partijen is dit oordeel alleszins begrijpelijk. Inderdaad volgt uit (thans) lid 5 dat de WAM-specifieke "stuiting door onderhandelen" uitsluitend aan de orde is als die onderhandelingen plaatsvinden tussen de benadeelde en de verzekeraar, terwijl hier die onderhandelingen hadden plaatsgevonden tussen de benadeelde (c.q. de bedrijfsvereniging) en de aansprakelijke persoon zelf. Men kan zich voorstellen dat onder huidig recht de zaak anders was afgelopen als de bedrijfsvereniging niet zozeer voor het anker van de WAM-specifieke stuiting door onderhandeling was gaan liggen, maar had betoogd dat één van haar schriftelijke uitingen aan de aansprakelijke persoon moet worden gekwalificeerd als een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt in de zin van art. 3:317 BW — verondersteld uiteraard dat zij ergens in het proces een dergelijk mededeling had gedaan. Deze mededeling zou een stuiting van de rechtsvordering tegen de aansprakelijke partij constitueren, welke dan krachtens art. 10 lid 4 WAM tevens stuiting van de verjaring van de rechtsvordering tegen de verzekeraar (c.q. het Waarborgfonds) tot gevolg heeft.