Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.2.2
2.2.2 De minderheidsaandeelhouders
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469147:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de verschillende citaten Belinfante 1929, p. 39.
Art. 50c wetsontwerp 1910 luidt: ‘Indien de algemeene vergadering, bestemd ter behandeling van de balans en de winst-en-verliesrekening, bestuurders niet van hunne aansprakelijkheid heeft ontslagen, en, in geval van schade, door een of meer hunner aan de vennootschap toegebracht, niet tevens heeft besloten tot het instellen door de naamlooze vennootschap van eene rechtsvordering tot schadevergoeding te dier zake, is iedere aandeelhouder, die ter vergadering tegen het ontslag heeft gestemd, gerechtigd als vertegenwoordigende de vennootschap die rechtsvordering in te stellen, met dien verstande, dat wegens een zelfde feit slechts ééne rechtsvordering tegen denzelfden persoon zal kunnen worden ingesteld.’
Art. 50d wetsontwerp 1910 bepaalt: ‘Indien de voorgestelde balans en winst-en-verliesrekening door de algemeene vergadering is goedgekeurd, of eenig bestuurder door een afzonderlijk besluit der algemeene vergadering van zijne verbintenis wegens schade, door hem aan de vennootschap toegebracht, is ontslagen, zijn een of meer houders van aandeelen, ten minste één tiende gedeelte van het geplaatst kapitaal uitmakende, of een zooveel geringer bedrag als bij de akte van oprichting zal zijn bepaald, mits zij ter vergadering tegen de goedkeuring of het ontslag hebben gestemd, gerechtigd binnen dertig dagen na den dag der vergadering de bij het voorgaand artikel bedoelde rechtsvordering tegen den bestuurder in te stellen.’
9. Interessant is dat het wetsontwerp uit 1910 blijkens de memorie van toelichting nog een vierde fundament kent, ‘dat niet zoo sterk op de voorgrond pleegt te treden als de drie genoemde beginselen, doch dat, waar het thans aan het licht komt, vaak stuitend onrecht doet aanschouwen, namelijk de positie der minderheid, thans in den regel te eenenmale aan den willekeur der meerderheid overgeleverd. Nu zegge men niet, dat toch ten slotte de belangen der meerderheid dezelfde zijn als die van de overige vennooten, zoodat voor bijzondere bepalingen ter bescherming van de belangen der minderheid geene aanleiding bestaat. Immers niet zelden ontvalt de grond voor het vertrouwen, dat de rechten der minderheid in handen der meerderheid veilig zijn, bijv. wanneer degenen, die de meerderheid uitmaken, de belangen vertegenwoordigen eener andere naamlooze vennootschap.’ In aansluiting hierop is in het wetsontwerp een aantal bepalingen opgenomen ‘waarin de rechtmatige belangen van hen, die ter algemeene vergadering worden overstemd, steun en bescherming kunnen vinden’. Er is echter wel een afweging gemaakt: ‘Niet bij ieder besluit der algemeene vergadering kan intusschen van deze bevoegdheid eener minderheid om tegen de gevallen beslissing op te komen, sprake zijn. Daardoor zou toch allicht een oponthoud in den gang van zaken ontstaan, nadeelig voor den bloei der onderneming.’1 Daarom wordt voorgesteld slechts op een aantal kernonderdelen bescherming te bieden. Tegenstemmende aandeelhouders – ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigend – krijgen een verzetrecht indien overeenkomsten worden gesloten van ‘bijzonder financieel belang’ (art. 43 e.v.), bij wijziging van de akte van oprichting (art. 47b) en indien tot ontbinding wordt besloten (art. 53b). De rechter verklaart het verzet opgeheven, indien niet blijkt dat de gewraakte handeling dan wel de wijze waarop zij tot stand gekomen is, strijdt met de goede zeden, de openbare orde, of met een ‘wettige’ bepaling in de akte van oprichting, dan wel dat door het tot stand komen respectievelijk in werking treden ervan de belangen van de vennootschap op ernstige wijze zouden worden geschaad, of dat daardoor een of meer van degenen, die in verzet zijn gekomen, onbillijk zouden worden benadeeld. Bijzonder is tot slot dat aandeelhouders de bevoegdheid wordt toegekend om onder voorwaarden tegen bestuurders of commissarissen (zie voor de laatsten art. 52a) een vordering tot schadevergoeding namens de vennootschap – ‘als vertegenwoordigende de vennootschap’ – in te stellen, aldus art. 50c2 en art. 50d3 wetsontwerp. Teneinde misbruik te voorkomen, is in het tweede lid van beide artikelen bepaald dat indien de vennootschap in het ongelijk wordt gesteld, de aandeelhouders persoonlijk in de kosten zullen worden verwezen.