Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.3.2:5.3.3.2 Kritiek op de balanstest en de uitvoering ervan door het Hof van Justitie
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.3.2
5.3.3.2 Kritiek op de balanstest en de uitvoering ervan door het Hof van Justitie
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955515:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 389-391.
Zie o.m. Griffiths, ELR 2013, afl. 1, p. 74; Peukert 2015, p. 134.
Angelopoulos & Smet, JML 2016, afl. 2, p. 275.
Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 395.
Oliver & Stothers, CMLR 2017, afl. 2, p. 558; Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 395.
Zie ook: Chavannes, AMI 2015, afl. 2, p.43; Mylly 2015a, p. 122; Peukert 2015, p. 135.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur is veel kritiek geuit op de evenwichtsleer van het Hof.1 De voornaamste bezwaren zijn gericht op het gebrek aan gedetailleerde uitwerking en de rechtsonzekerheid die hiervan het gevolg zou zijn.2 Dat voor deze bezwaren iets te zeggen valt, blijkt wel uit het feit dat toepassing van de balanstest op blokkeringsmaatregelen in verschillende lidstaten tot uiteenlopende uitkomsten leidde.3 De vraag is echter of deze verschillen volledig kunnen worden toegeschreven aan het vage karakter van de balanstest. Het werkelijke probleem lijkt te liggen in het feit dat art. 11 Handhavingsrichtlijn niet specificeert welke maatregelen kunnen worden genomen ter uitvoering van een rechterlijk bevel tegen een tussenpersoon, terwijl het Unierecht wel vereist dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met verschillende richtlijnen en het Handvest.4 Bovendien biedt de Handhavingsrichtlijn de lidstaten enige vrijheid met betrekking tot de implementatie en toepassing van deze uitvoeringsmaatregelen. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat het Hof van Justitie terughoudend te werk gaat; het is immers primair de taak van de (Unie)wetgever om gedetailleerde richtsnoeren te geven met betrekking tot de toelaatbaarheid van specifieke maatregelen.5
Dit neemt niet weg dat het Hof zuinig is geweest met het verschaffen van richtlijnen voor het uitvoeren van de belangenafweging.6 Hoewel de voorwaarden van effectiviteit en doelgerichtheid enige duidelijkheid bieden over de grenzen waarbinnen de rechter zich moet begeven, ontslaan ze hem niet van de verplichting om in het concrete geval te onderzoeken of toewijzing van een specifieke maatregel een redelijke verhouding waarborgt tussen de betrokken belangen. De volgende paragraaf brengt enkele beoordelingsfactoren in kaart die in dit kader van belang (kunnen) zijn, gebaseerd op de relevante regelgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie en het EHRM.