Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/1.2.2
1.2.2 Hypothese
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855407:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarmee doel ik op het feit dat de werknemer veel vaker in een pure afhankelijkheidspositie verkeert t.o.v. de werkgever en in alle gevallen wordt gezien als economisch onzelfstandige en juridisch ondergeschikte partij, wat in algemene zin bescherming rechtvaardigt (Bles 1907, p. 2, 4, 6 en 10 en – meer recent – Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 2). Deze bescherming is gebaseerd op veronderstelde ongelijkheid; de werkende die voldoet aan de definitie-elementen van art. 7:610 BW wordt beschermd. De vraag of er feitelijk een ongelijke verhouding tussen partijen bestaat, heeft de wetgever niet relevant geacht voor de toepassing van art. 7:610 BW (vgl. Grosheide & Van der Neut, TAC 2021/3; Van der Neut, ArbeidsRecht 2023/29).
Met ‘significant’ bedoel ik een gemiddeld of hoog beschermingsniveau (zie par. 1.3.1).
Mijn hypothese van dit onderzoek is geweest dat de opdrachtnemer aan de onderkant met betrekking tot de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging bescherming kan putten uit het verbintenissenrecht. Ik veronderstel dat daardoor het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van de drie genoemde thema’s tussen die van alle opdrachtnemers en die van de werknemer in zit (zie voor het toetsingskader paragraaf 1.3.1). Die hypothese ontleen ik aan de gedachte dat het gehele verbintenissenrecht wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval en de onderlinge hoedanigheid van partijen en de opdrachtnemer aan de onderkant in een precaire situatie verkeert. Dat suggereert dat een zekere vorm van bescherming wordt geboden. Dat er naar mijn verwachting niettemin enkele knelpunten bestaan omtrent het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant en dat dit niveau doorgaans lager is dan die van de werknemer, zal niet verbazen. Het tegenovergestelde zou eerder verbazing wekken. De opdrachtnemers tezamen vormen immers een zeer diffuse groep, zeker in vergelijking met de groep werknemers.1
Mijn hypothese is pas houdbaar als ik aan het einde van deze studie alle (draden die lopen door de drie afzonderlijke) thema’s kan samentrekken en daaruit blijkt dat het verbintenissenrecht de opdrachtnemer aan de onderkant daadwerkelijk (significante) bescherming kan bieden.2 Vooruitlopend op de conclusie van deze studie kan ik alvast constateren dat mijn hypothese is uitgekomen, maar dat dit niet geldt voor de gedachten die aan deze hypothese ten grondslag lagen. Zo gaat het verbintenissenrecht per thema anders om met de hoedanigheid van partijen: soms is bescherming afhankelijk van die onderlinge hoedanigheid, soms is bescherming verbonden aan de veiligheidsafhankelijke positie waarin de opdrachtnemer zich bevindt en soms is bescherming voor alle opdrachtnemers in essentie gelijk.