Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.2.4
6.2.4 De woonplaats en het internationale bevoegdhedenrecht
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS394051:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, Deventer, Kluwer, 2005, blz. 222.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel 27 september 1968, Trb. 1969, 101.
L. Strikwerda, a.w., blz. 227 en P. Vlas, Rechtspersonen, Deventer, Kluwer, 2002, blz. 83.
P. Vlas en M. Zilinsky, Ontwikkelingen IPR: rechtsmacht volgens de EEX-Verordening, WPNR 2007/6707, blz. 338. A.Q.C. Layton e.a., European Civil Practice. Volume 1, London: Sweet & Maxwell Limited 2004, blz. 395.
L. Strikwerda, a.w., blz. 253.
L. Strikwerda, a.w., blz. 253.
A.Q.C. Layton e.a., a.w., blz. 1057, 1058 en 1061.
A.Q.C. Layton e.a., a.w., blz. 1057 en 1058.
L. Strikwerda, a.w., blz. 256 en A.Q.C. Layton e.a., a.w., blz. 392.
J.A. Pontier, Onrechtmatige daad, Deventer, Kluwer, 2001, blz. 16 en P. Vlas, a.w., blz. 99.
P. Vlas, a.w., blz. 91.
HvJ 22 november 1978, zaak 33/78, Jur. 1978, blz. 2183 (Somafer/Saar-Ferngas), r.o. 12 en 13.
HvJ 6 april 1995, zaak C-439/93, Jur. 1995, blz. I-961 (Lloyd’s Register of Shipping/Societe Campenon Bernard), r.o. 19 en 20.
L. Strikwerda, a.w., blz. 263.
HvJ 6 oktober 1976, zaak 14/76, Jur. 1976, blz. 1497 (De Bloos/Boyer), r.o. 20.
HvJ 18 maart 1981, zaak 139/80, Jur. 1981, blz. 819 (Blanckaert & Wilems/Luise Trost), r.o. 12.
A.Q.C. Layton e.a., a.w., blz. 492.
HvJ 9 december 1987, zaak 218/86, Jur. 1987, blz. 4905 (Sar Schotte/Parfums Rothschild), r.o. 15.
In paragraaf 6.2.1 is aangegeven dat de woonplaats onder meer van belang is voor het bepalen van de relatieve competentie van de burgerlijke rechter. Een geschil kan echter ook internationaal van karakter zijn. In dat geval is het internationale bevoegdhedenrecht van belang. Dit bepaalt de bevoegdheid van de nationale rechter in internationaal verband. Het internationale bevoegdhedenrecht is nationaal recht. Elke staat kent zijn eigen regels van internationaal bevoegdhedenrecht en is in beginsel vrij deze regels op te stellen.1 In Nederland zijn deze regels te vinden in art. 2 e.v. Rv. Deze regels zijn echter slechts van toepassing indien de vraag naar de internationale bevoegdheid niet wordt bestreken door Nederland bindende internationale regelingen. De belangrijkste is de EEX-Vo (voorheen EEG Bevoegdheden en Executieverdrag2).3 Deze verordening bepaalt de bevoegdheden van nationale rechters om in internationale verhoudingen kennis te nemen van burgerlijke en handelszaken.
Op basis van art. 2 EEX-Vo wordt een algemene bevoegdheid toegekend aan de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, forum rei. De woonplaats van de eiser is niet van belang.4 De vraag of de gedaagde onderdaan is van een lidstaat is ook irrelevant.5 Het begrip woonplaats is geen autonoom communautair begrip. Dat betekent dat om vast te stellen of de gedaagde woonplaats heeft in de lidstaat waar hij voor de rechter is gedaagd de rechter het nationale recht toepast, art. 59, eerste lid, EEX-Vo. In Nederland gaat het daarbij dus om de toepassing van art. 1:10 e.v. BW. Is de gedaagde een rechtspersoon dan wordt hij geacht woonplaats te hebben op de plaats van zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging, art. 60 EEX-Vo.6 Op dit drieluik, dat is ontleend aan art. 54 VW EU, zal nader worden ingegaan in paragraaf 6.3.2. Toepassing van de bepalingen van art. 59 en 60 EEX-Vo kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een dubbele woonplaats of dat geen woonplaats kan worden aangewezen in één van de lidstaten. Voor natuurlijk personen kan deze conclusie ontstaan doordat lidstaten verschillende aanknopingspunten hanteren bij de invulling van het woonplaatsbegrip in hun nationaal recht. Zelfs bij het hanteren van dezelfde aanknopingspunten kan, zoals beschreven in paragraaf 6.2.2, een dubbele woonplaats ontstaan. Voor rechtspersonen noemt art. 60 EEX-Vo diverse aanknopingspunten, zodat ook binnen de toepassing van deze bepaling een dubbele woonplaats kan ontstaan of moet worden geconcludeerd dat de gedaagde geen woonplaats in één van de lidstaten heeft.7 Bij een dubbele woonplaats volgt volgens Layton e.a. uit art. 59 EEX-Vo zelf dat de rechter voor wie het geschil wordt gebracht en die concludeert dat de gedaagde in zijn land is gevestigd, kennis zal nemen van het geschil. Ontbreekt een woonplaats in één van de lidstaten dan past de rechter het internationale bevoegdhedenrecht van zijn land toe.8
Art. 5, 6 en 7 EEX-Vo geven alternatieve bevoegdheidsregels. Deze regels zetten de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo niet opzij, maar bieden de mogelijkheid een vordering aan te brengen bij een andere rechter dan die op basis van art. 2 EEXVo is bevoegd van het geschil kennis te nemen.9 Ten aanzien van geschillen die de exploitatie van een filiaal, agentschap of enige andere vestiging aangaan, kan een verweerder op grond van art. 5, vijfde lid, EEX-Vo worden gedaagd voor het gerecht van de plaats waar dat filiaal, agentschap of andere vestiging is gelegen. De begrippen ‘filiaal, agentschap of enige andere vestiging’ zijn autonome communautaire begrippen.10 Bij de invulling van deze begrippen wordt art. 1:14 BW dus opzij gezet.11 Het begrip filiaal, agentschap of enige andere vestiging heeft het Hof van Justitie in de zaak Somafer/Saar-Ferngas gedefinieerd als: een centrum van werkzaamheid, dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van een moederbedrijf met een eigen directie en materiële uitrusting, zodat het zaken met derden kan doen, en wel dusdanig dat deze derden, ofschoon wetend dat eventueel een rechtsband met het in het buitenland gevestigde moederbedrijf zal ontstaan, zich niet rechtstreeks daartoe behoeven te wenden en zaken kunnen doen in bedoeld centrum, dat het verlengstuk daarvan vormt.12 Een filiaal, agentschap of enige andere nevenvestiging is een eenheid die de voornaamste en zelfs de enige partner van derden bij de onderhandelingen over overeenkomsten kan zijn.13
Een zelfstandige agent kan niet als filiaal, agentschap of enige andere vestiging worden beschouwd. Van een filiaal of agentschap kan namelijk alleen worden gesproken wanneer het naar buiten optreedt als verlengstuk van het moederbedrijf.14 Eén van de wezenskenmerken van een filiaal of agentschap is de onderworpenheid aan het toezicht of de leiding van het moederbedrijf.15 Naar het oordeel van het Hof van Justitie is geen sprake van onderworpenheid wanneer cumulatief aan drie voorwaarden wordt voldaan:
de agent kan zijn werkzaamheid en arbeidstijd in wezen vrij organiseren zonder daarbij aan de instructies van het moederbedrijf te zijn gebonden;
het staat hem vrij verscheidene firma’s te vertegenwoordigen die bij de productie en verkoop van gelijke of soortgelijke producten met elkaar in concurrentie staan;
hij is niet daadwerkelijk betrokken bij de afwikkeling en uitvoering van de overeenkomsten, doch beperkt zich in wezen ertoe bestellingen door te geven aan de door hem vertegenwoordigde ondernemer.16
Art. 5, vijfde lid, EEX-Vo is niet van toepassing als het filiaal of agentschap als zodanig voor de rechter kan worden gedaagd los van zijn principaal. De vraag of sprake is van een juridisch zelfstandige entiteit is daarom in beginsel bepalend voor de toepassing van deze bepaling.17 Een vennootschapsrechtelijke onafhankelijke vennootschap kan echter onder omstandigheden een filiaal of agentschap van een andere vennootschap vormen. Opnieuw is de in paragraaf 6.2.2 genoemde rechtszekerheid van belang, zo blijkt uit de zaak Schotte-Rothschild. Derden die zaken doen met een vestiging van een vennootschap die optreedt als het verlengstuk van een andere vennootschap kunnen op de gewekte schijn afgaan en deze vestiging als vestiging van de andere vennootschap beschouwen.18 Van belang is om te vermelden dat het in deze zaak gaat om twee vennootschappen met dezelfde naam en dezelfde directie. De correspondentie over de door de eiser ingediende klachten werd ook steeds ondertekend door beide vennootschappen.