Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.7.4
3.7.4 De beginselen van gelijkwaardigheid, effectiviteit en effectieve rechtsbescherming bij indirecte botsingen tussen het nationale recht en het Eu-recht
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393690:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het leerstuk van de directe en indirecte botsingen is ontwikkeld in de Duitse doctrine. Zie bijvoorbeeld Dettling 2009, p. 619 e.v.; Niedobitek 2001, p. 73 e.v. Zie hieromtrent ook Verhoeven 2011, p. 79-107; Ortlep 2011, p. 76. Het leerstuk vindt echter steeds meer aanhang in de Nederlandse juridische literatuur. Zie Ortlep 2011, p. 76-79; Verhoeven 2011, p. 80 e.v.; Ortlep & Verhoeven 2008 en Adriaanse 2006, p. 74 e.v.
Ortlep 2011, p. 77; Verhoeven 2011, p. 80; Ortlep & Verhoeven 2008, p. 472.
Ortlep 2011, p. 77; Verhoeven 2011, p. 80; Ortlep & Verhoeven 2008, p. 473.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 29 april 1999, 224/97 (Ciola), Jur. 1999, p. 1-2517..
Ook nationale procedureregels kunnen direct in strijd komen met het Europese recht. Zie bijvoorbeeld HvJEG 18 juli 2007, C-119/05 (Lucchini), Jur. 2007, p. 1-6199, AB 2007, 362, m.nt. R. Ortlep, SEW 2008, p. 402-404, m.nt. B.J. Drijber. Het nationale recht is in dat geval zijn processuele autonomie niet waard. Zie Duijkersloot & Widdershoven 2007, p. 22 en Ortlep in punt 5 van voormelde annotatie.
Ortlep & Verhoeven 2008, p. 473.
HvJEG 18 juli 2007, C-119/05 (Lucchini), Jur. 2007, p. 1-6199, AB 2007, 362, m.nt. R. Ortlep, SEW 2008, p. 402-404, m.nt. B.J. Drijber. Zie omtrent dit arrest ook Adriaanse 2008 en Adriaanse 2009, p. 93.
Ortlep & Verhoeven 2008, p. 477. Adriaanse merkt terecht op dat de redenering van het HvJEU wel iets overtuigender had gekund. Zie Adriaanse 2008, p. 44-45.
In paragraaf 3.7.2 is besproken dat het beginsel van procedurele autonomie alleen betekenis heeft indien op Eu-niveau geen gemeenschappelijke procedureregels bestaan. Alleen in dat geval mogen nationale procedureregels worden toegepast. De toepassing van deze nationale procedureregels kan tot gevolg hebben dat de effectieve doorwerking van het Eu-recht wordt beperkt. In dat geval zijn het Europese en het nationale recht niet direct met elkaar in strijd; op Europees niveau bestaan immers geen gemeenschappelijke procedureregels. Wel moet aan de hand van de hiervoor besproken beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming worden beoordeeld of de nationale procedureregels toepassing kunnen vinden. Deze situatie wordt in de literatuur aangeduid als een indirecte botsing tussen het EU- en het nationale recht en staat tegenover een directe botsing tussen het EU en het nationale recht.1 Bij een directe botsing gaat het om een situatie waarbij het Eu-recht en het nationale recht ten aanzien van hetzelfde feitencomplex elk een eigen met elkaar strijdige regeling hebben.2 In dat geval is de toepassing van zowel een Europese als een nationale regel niet mogelijk.3 Bij dergelijke conflicten geldt de voorrangsregel; het nationale recht dient ten gunste van het Eu-recht buiten toepassing te worden gelaten.4
De beoordeling van de nationale procedureregels in geval van een indirecte botsing is veel genuanceerder dan de toepassing van de voorrangsregel.5 De beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming vereisen immers niet per definitie dat nationale procedureregels niet mogen worden toegepast.6 Dit is pas aan de orde indien de toepassing van de nationale procedureregel in strijd komt met voormelde beginselen. Zoals hiervoor is besproken, is daarvan niet snel sprake.
Het arrest Lucchini laat zien dat de grens tussen directe en indirecte botsingen niet altijd scherp is te trekken.7 In dit arrest was op het eerste gezicht sprake van een indirecte botsing: de nationale procedureregel inhoudende het gezag van gewijsde beperkte de effectuering van het Europese staatssteun-recht. Deze regel had in het concrete geval tot gevolg dat nationaalrechtelijk niet kon worden teruggekomen op een uitspraak van een nationale rechter waarin was geoordeeld dat een steunmaatregel verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en derhalve de door de Commissie geëiste terugvordering niet mogelijk was. Op Eu-niveau is niets geregeld omtrent het gezag van gewijsde, zodat het nationale recht niet direct met het Eu-recht in strijd kwam. Toch komt het Hof van Justitie tot het oordeel dat de nationale procedureregel van het gezag van gewijsde buiten toepassing moet blijven. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de beoordeling of een steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt niet door de nationale rechter mag worden beoordeeld, maar exclusief is voorbehouden aan de Europese Commissie.8