Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.7.3
8.7.3 Het verzetsrecht van een pandhouder
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250196:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447, m.nt. Maeijer (Akzo/ING), r.o. 3.5.3-3.5.4. Ook gepubliceerd in JOR 2002/136, m.nt. Bartman.
Loesberg in zijn annotatie onder Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326 (Pergen/Eneco), Bartman 2015, p. 808 en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 377.
Bartman in zijn annotatie onder Rb. Arnhem 1 februari 2001, JOR 2001/88 (ING/Akzo) en De Neve 2002, p. 242.
Zie § 8.5.4.
Bartman in zijn annotatie onder HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 (Akzo/ING) en Loesberg in zijn annotatie onder Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326 (Pergen/Eneco).
Notenboom 2017, p. 129.
Spath 2010, p. 153-155.
Verdaas 2008, p. 235.
Zie § 8.9.3.
De Hoge Raad heeft in zijn Akzo/ING-beschikking geoordeeld dat de houder van een openbaar pandrecht op de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij geen verzet kan instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.1 De vordering op de 403-maatschappij – en het daarop rustende pandrecht – wordt namelijk niet aangetast door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid.2 Dit betekent echter niet dat de pandhouder er geen belang bij kan hebben dat de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij niet vervalt. Hierdoor verslechtert namelijk de vermogenstoestand van de crediteur. Als de pandhouder bijvoorbeeld het pandrecht heeft gekregen als zekerheid in verband met een lening die hij aan de crediteur heeft verstrekt, loopt hij hierdoor een groter risico dat de crediteur deze lening niet (volledig) terugbetaalt. Een dergelijk (indirect) belang van de pandhouder brengt echter niet met zich dat hij verzet kan instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.
Evenals Bartman en De Neve meen ik dat de contractuele relatie tussen de pandhouder en de crediteur als pandgever, op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 lid 1 BW, onder omstandigheden kan meebrengen dat de crediteur verplicht is om verzet in te stellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.3 Dit kan het geval zijn als door het vervallen van de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij zeker is dat de crediteur zijn verplichtingen tegenover de pandhouder niet kan voldoen – bijvoorbeeld omdat de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij oninbaar is en hij verder geen activa heeft. Als de pandhouder zeker wil zijn dat de crediteur verplicht is om verzet in te stellen en een vervangende waarborg te verlangen als de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid wil beëindigen, moet hij dit contractueel vastleggen. Ondanks deze afspraak blijft echter het risico bestaan dat de pandhouder en de crediteur over het hoofd zien dat de moedermaatschappij voornemens is om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Na verloop van de verzetstermijn kan de crediteur geen verzet meer instellen en een vervangende waarborg verzoeken. Om ook dit risico weg te nemen, kan de pandhouder proberen om met de crediteur en de moedermaatschappij een meerpartijenovereenkomst te sluiten, op grond waarvan de moedermaatschappij verplicht is de pandhouder en de crediteur in te lichten als zij een aankondiging plaatst in een landelijk verspreid dagblad dat zij een mededeling heeft gedeponeerd van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.4 Om dit te bewerkstelligen zal de pandhouder wel een sterke onderhandelingspositie moeten hebben tegenover de crediteur, die op zijn beurt weer een sterke onderhandelingspositie moet hebben tegenover de 403-maatschappij en de moedermaatschappij.
In tegenstelling tot de houder van een openbaar pandrecht op een vordering van een crediteur op de 403-maatschappij, kan de houder van een openbaar pandrecht op een vordering van een crediteur op de moedermaatschappij wél verzet instellen tegen het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.5 Hij heeft een direct belang dat de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij niet vervalt. Als deze vordering vervalt, gaat ook zijn daarop rustende pandrecht teniet. De pandhouder kan daarom op grond van art. 3:245 BW ter bescherming van de aan hem verpande vordering verzet instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Hij moet in dat geval ook de crediteur als pandgever in het geding betrekken. De crediteur wordt daardoor ook partij in de onderhavige procedure.6
Toch is de pandhouder er nog niet als hij verzet heeft ingesteld tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. De kans bestaat dat hij alsnog een deel van zijn zekerheden verliest of helemaal met lege handen achterblijft. Ik wijs op drie mogelijke uitkomsten naar aanleiding van het verzet. De eerste – en voor de pandhouder meest voordelige – uitkomst is dat het verzet gegrond wordt verklaard. In dat geval blijft de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij bestaan inclusief het daarop rustende pandrecht. Voor de pandhouder is er in dat geval niets veranderd ten opzichte van de situatie die bestond voordat de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid wilde beëindigen.
Een andere mogelijke uitkomst van het verzet is dat de crediteur een vervangende waarborg krijgt.7 Hierdoor vervalt de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij, inclusief het daarop rustende pandrecht.8 Ik acht het verdedigbaar dat de vervangende waarborg op grond van zaaksvervanging ex art. 3:229 BW in de plaats treedt van de vordering van de crediteur die door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid is vervallen. De pandhouder krijgt dan een pandrecht op deze waarborg. Spath merkt op dat met zaaksvervanging wordt voorkomen dat er een vermogensverschuiving optreedt in gevallen waarin verrijking van de ene partij zou leiden tot verarming van een andere partij.9 Toegepast op bovenstaande situatie zou de positie van de pandhouder door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid verarmen omdat zijn pandrecht op de vordering op de moedermaatschappij vervalt. De positie van de crediteur zou daarentegen verrijken als hij een vervangende waarborg verkrijgt die niet is bezwaard met een pandrecht. Daarbij is mede van belang dat de verarming en verrijking direct met elkaar samenhangen en zijn terug te voeren op dezelfde gebeurtenis – het geven van een vervangende waarborg aan de crediteur waardoor de overblijvende aansprakelijkheid beëindigt –, en dat de pandhouder er geen invloed op heeft of de crediteur al of niet een vervangende waarborg krijgt – en dus of hij al of niet zijn pandrecht verliest.
Ook Verdaas lijkt niet afwijzend te staan tegen het standpunt dat de houder van een pandrecht op een vordering van een crediteur op de moedermaatschappij op grond van zaaksvervanging een pandrecht krijgt op een eventuele vervangende waarborg als de overblijvende aansprakelijkheid wordt beëindigd. Hij meent dat als een vordering waarop een pandrecht rust, tenietgaat anders dan door inning en de pandgever vanwege dit tenietgaan een andere vordering krijgt, de pandhouder dan een pandrecht krijgt op deze laatste vordering.10 Daarbij speelt de oorzaak van het tenietgaan van de vordering volgens hem geen rol. Toegepast op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid brengt dit met zich dat als de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij vervalt en de crediteur als vervangende waarborg een andere vordering ontvangt, de pandhouder dan een pandrecht krijgt op deze laatste vordering.
Als de pandhouder op grond van zaaksvervanging een pandrecht krijgt op de vervangende waarborg van de crediteur is het mogelijk dat hij daardoor minder zekerheid heeft dan die hij had toen hij nog een pandrecht had op de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij. Later in dit hoofdstuk betoog ik uitgebreid dat de omvang van de vervangende waarborg mijns inziens mede afhankelijk is van de waarborgen die de crediteur al heeft, uit hoofde van de vermogenstoestand van de 403-maatschappij of uit anderen hoofde, dat zijn vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan.11 De waarborgen uit hoofde van de vermogenstoestand van de 403-maatschappij, eventuele waarborgen uit anderen hoofde en de vervangende waarborg moeten gezamenlijk evenveel waarborgen bieden dat de vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan, als de waarborgen die de crediteur heeft dat zijn vordering op de moedermaatschappij zal worden voldaan. Het is dus mogelijk dat de crediteur een vervangende waarborg wordt gegeven die minder omvangrijk is dan zijn vordering op de moedermaatschappij. Het pandrecht op deze vervangende waarborg biedt de pandhouder dan minder zekerheid dan het eerdere pandrecht op de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij.
De derde en laatste mogelijke uitkomst naar aanleiding van het verzet van de pandhouder tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid is dat het verzet wordt afgewezen omdat de crediteur voldoende waarborgen heeft, uit hoofde van de vermogenstoestand van de 403-maatschappij of uit anderen hoofde, dat zijn vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan.12 In dat geval vervalt de vordering van de crediteur op de moedermaatschappij inclusief het daarop rustende pandrecht. De pandhouder blijft dan met lege handen achter.
Hoewel de houder van een openbaar pandrecht op een vordering van een crediteur op de moedermaatschappij dus verzet kan instellen tegen het voornemen van de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid bestaat de kans dat hij alsnog een deel van zijn zekerheden verliest of helemaal met lege handen achterblijft. Het is daarom aan te raden dat de houder van een dergelijk pandrecht bij de crediteur – als pandgever – bedingt dat deze hem een vervangende zekerheid geeft als de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid beëindigt.