Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.6.2
7.6.2 Eisen aan motivering beslissing
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619053:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover nader de conclusie van AG Fokkens voor HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR: 2001:AB1566, NJ 2001/587 m.nt. Reijntjes. In die conclusie wordt onder meer gewezen op Kamerstukken II, 1993/94, 23705, nr. 3, p. 24, waarin werd overwogen dat ‘de rechtbank deze sancties alleen ambtshalve en niet op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie kan toepassen. Zoals het OM in zijn advies terecht opmerkt verdient deze formulering om systematische redenen de voorkeur’. AG Fokkens duidt deze passage door het advies van het OM weer te geven voor zover er daarin op werd gewezen dat in het door de Commissie Moons voorgestelde art. 359a wordt bepaald dat de rechtbank ambtshalve, op vordering van de OvJ of op verzoek van de verdachte de nader omschreven rechtsgevolgen kan bepalen en voor zover in verband daarmee in het advies van het OM werd opgemerkt ‘dat deze formulering ingevolge art. 330 Sv een reactieplicht voor de rechtbank met zich meebrengt. De werkgroep acht het systematisch juister dat deze bevoegdheid slechts aan de rechter ambtshalve wordt toegekend’.
Zie voor gevallen waarin dat werd verzuimd bijv. HR 28 september 2010, ECLI:NL: HR:2010:BN0032 en HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0047.
Zie HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1684.
In HR 14 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338, NJ 2013/413 m.nt. Borgers verzuimde het hof vast te stellen of bepaalde observaties van de verdachte hadden plaatsgevonden, hetgeen overigens niet tot cassatie leidde.
Zie bijv. HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7662; HR 11 maart 2008, ECLI:NL: HR:2008:BC1367; HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1476 en HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9895, NJ 2010/29.
Zie HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4439, NJ 2013/309 m.nt. Keulen, waarin vernietiging volgde van de beslissing tot toepassing van bewijsuitsluiting, omdat die beslissing mede in het licht van HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322, niet naar behoren met redenen was omkleed.
Zie HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1795.
Zie HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3450.
Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma.
Zie HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2218.
Zie HR 8 december 1981, NJ 1981/533 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6101.
HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers.
Zie voor gevallen van ontoereikend gemotiveerde toepassing van bewijsuitsluiting bijv. HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1476; HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BR0554, NJ 2011/441 (Vialis) en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1800 (Vialis) en van niet-ontvankelijkverklaring HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8460, NJ 2005/71 m.nt. Schalken (Clickfonds) en HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT 2173, NJ 2012/299 m.nt. Reijntjes (Weekendarrangement).
In HR 19 juni 2001, ECLI:NL:HR:2011:AB2201, NJ 2001/501 werd overwogen dat wanneer een preliminair ontvankelijkheidsverweer in eerste aanleg gegrond wordt bevonden, indien hoger beroep wordt ingesteld, de appelrechter de tijdigheid en gegrondheid van het verweer zelfstandig en in volle omvang dient te onderzoeken. Zie in het bijzonder ook HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2720, NJ 2011/381.
Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2720, NJ 2011/381.
Ter Haar & Meijer 2011, p. 168.
Daarmee kwam verdachte in cassatie niet verder, omdat het hof het verweer volgens de HR slechts kon verwerpen omdat wat eraan ten grondslag was gelegd omtrent het politieoptreden, niet tot het oordeel kan leiden dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van haar strafzaak is tekortgedaan.
HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3686, NJ 2009/260.
Art. 359a, derde lid, Sv schrijft voor dat de beslissingen als bedoeld in het eerste lid met redenen zijn omkleed. Dat zijn de beslissingen tot toepassing van strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Over het al dan niet in afwijking van een verweer níet toepassen van deze reacties zegt die bepaling, althans naar de letter, dus niets. Uit de memorie van toelichting kan ook worden afgeleid dat de wetgever er bewust voor koos geen motiveringsplicht in het leven te roepen voor de afwijzing van een beroep op de toepassing van een van deze mogelijke reacties op een vormverzuim.1
De Hoge Raad heeft in dit opzicht een eigen koers gevaren. Al in HR 28 september 1998, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu breidde hij het bereik van art. 359a, derde lid, Sv uit. De Hoge Raad besliste dat als de rechter een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft vastgesteld en oordeelt dat de in art. 359a, tweede lid, genoemde belangen rechtvaardigen dat dit zonder rechtsgevolgen blijft, een redelijke uitleg van art. 359a Sv, derde lid, Sv meebrengt dat hij die beslissing eveneens in zijn vonnis vermeldt en met redenen omkleedt. In het standaardarrest over art. 359a Sv is vervolgens bepaald dat, als een verweer is gevoerd dat aan de daaraan gestelde (hoge) eisen voldoet, de rechter daarop ook een met redenen omklede beslissing moet geven.2 Een met redenen omklede beslissing wil zeggen een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing,3 op basis van de voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden.4
In de motivering van de beslissing dient tot uitdrukking te komen dat de rechter toepassing heeft gegeven aan het toetsingskader van art. 359a Sv. Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient daarom te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in art. 359a, tweede lid, Sv zijn genoemd,5 waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met de nadere uitleg die daaraan in het standaardarrest is gegeven en in gevallen betreffende bewijsuitsluiting met de daarop betrekking hebbende arresten van 19 februari 2013.6 Dit geldt ook ingeval een verweer wordt verworpen. Indien bijvoorbeeld een beroep wordt gedaan op strafvermindering, moet de rechter dat beoordelen met toepassing van de daarvoor aangelegde maatstaf en niet aan de hand van de voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM geldende toets.7 Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer kan worden verworpen onder verwijzing naar de motivering van de verwerping van een op gelijke gronden gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, indien de feitelijke grondslag van het verweer niet aannemelijk is geworden.8 Voor de toepassing van strafvermindering behelst het standaardarrest voorts nog de regel dat de rechter in zijn beslissing niet alleen moet aangeven dat en waarom hij dit rechtsgevolg aan het verzuim verbindt, maar ook in hoeverre hij de straf in verband met het begane vormverzuim vermindert.9 Deze nadere motiveringsplicht gaat niet zover dat, indien sprake is van een aantal vormverzuimen, de rechter zou moeten vermelden in hoeverre elk van die vormverzuimen tot strafvermindering heeft geleid.10
Het is niet zo dat de vaststelling van de feiten die ten grondslag wordt gelegd aan de verwerping van een verweer dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen moet berusten op de in de uitspraak vermelde inhoud van de bewijsmiddelen.11 Ook is niet van toepassing de regel die geldt voor feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, te weten dat hij deze – voor zover ze niet in de gebezigde bewijsmiddelen zijn vermeld – met voldoende mate van nauwkeurigheid moet aanduiden en daarbij vermelden aan welk wettig bewijsmiddel zij zijn ontleend. Die regel geldt niet voor feiten of omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan de verwerping van een verweer dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Volgens de Hoge Raad zijn zulke feiten of omstandigheden immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Wel geldt ook hier de regel dat ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, die stukken ter terechtzitting dienen te zijn voorgelezen of aldaar de korte inhoud moet zijn medegedeeld.12
Door hoge eisen te stellen aan de motivering van de toepassing van ingrijpende rechtsgevolgen als bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring13 heeft de Hoge Raad de toepassing van deze reacties aan banden gelegd. Die hoge eisen gelden niet alleen voor de motivering, maar ook voor het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. Vooral bij toepassing van ingrijpende reacties. AG Van Dorst schreef in zijn conclusie voor HR 4 februari 1997, NJ 1997/308 m.nt. Schalken dat ‘het OM in een zaak waarin het vervolgingsrecht op het spel staat, in geval van betwisting, recht heeft op een deugdelijk onderzoek alvorens hem dat recht wordt ontzegd’. Nietontvankelijkverklaring is volgens Van Dorst ‘pas gerechtvaardigd indien de rechter de zaak tot op het bot heeft onderzocht’. Bij dat onderzoek past volgens Van Dorst een hoorplicht. Ook politie en justitie moeten zich immers behoorlijk kunnen verweren indien zij van onrechtmatig handelen worden beschuldigd. Deze gedachten van Van Dorst lijken in de tegenwoordige rechtspraak te zijn geïncorporeerd.14 In voorkomende gevallen moet het OM uitdrukkelijk in de gelegenheid worden gesteld alsnog bepaalde informatie te verstrekken en niet overvallen worden door het oordeel van de rechter dat hij in dit opzicht tekort is geschoten.15 ‘Juist omdat zulke hoge eisen worden gesteld aan (met name) bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkheid en er de nodige relativeringen op de sanctionering van vormverzuimen zijn, is het essentieel dat de rechter helder uitlegt waarom hij – ondanks die hoge standaard – toch tot sanctionering overgaat’, zo vatten Ter Haar & Meijer deze rechtspraak van de Hoge Raad en zijn gevolgen goed samen.16
Drie bijzondere gevallen moeten hier nog worden vermeld:
HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3496, NJ 2008/248 m.nt. Schalken. In die zaak is geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte zich heeft neergelegd bij de uitkomst van de door haar aangespannen klachtprocedure over het optreden van de politie bij haar aanhouding, niet in de weg staat aan een op datzelfde politieoptreden gebaseerd beroep op de niet-ontvankelijkverklaring van het OM;17
HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3686, NJ 2009/260. In deze zaak kwam aan de orde dat art. 359, derde lid, Sv volgens welke bepaling met een opgave van de bewijsmiddelen kan worden volstaan indien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, niet van toepassing is indien door de verdachte of zijn raadsman wegens onrechtmatige bewijsgaring vrijspraak is bepleit;18 en
HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1112, NJ 2012/217 m.nt. Mevis. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat indien hij een zaak casseert wat betreft de strafoplegging en terugwijst naar een gerechtshof, deze rechter alle voor de strafoplegging relevante omstandigheden in zijn oordeel moet betrekken, waaronder ook de omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan een beroep op strafvermindering op de voet van art. 359a Sv.