Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/4.2.2.0
Introductie
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS419297:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Het uitgangspunt dat fouten, welke in het verleden bij het opmaken van balansen zijn gemaakt, in beginsel behoren te worden verbeterd, wordt ook in de literatuur onderschreven; zie o.m. Smeets (blz. 24) en Geppaart (FED Literatuur: 168). De Hoge Raad geeft in BNB 1953/189 echter aan, dat een uitzondering op dit uitgangspunt noodzakelijk kan zijn indien zodanige verbetering hetzij voor de belastingplichtige hetzij voor de belastingadministratie tot onaannemelijke gevolgen leidt.
Zie bijvoorbeeld HR 20 april 1955, BNB 1955/204.
Bij het doorbreken van de balanscontinuïteit valt een deel van de winst tussen wal en schip indien de onjuistheid in het eindvermogen van 1998 vervolgens niet wordt hersteld door navordering of door de betaling van gewetensgeld.
Ervan uitgaande dat het eindvermogen in de eindbalans van 1999 op een juist bedrag wordt gesteld.
De winst van 1999 wordt dan niet beïnvloed door de in het verleden toegepaste onjuiste waarderingen.
Van 31 december 1998 op 1 januari 1999 neemt het fiscaal vermogen toe met f 15 000 zonder dat dit bedrag tot de te belasten winst van 1998 of 1999 wordt gerekend.
In HR 24 juni 1953, BNB 1953/189, is het uitgangspunt neergelegd dat fouten, welke in het verleden bij het opmaken van balansen zijn gemaakt, in beginsel behoren te worden verbeterd1. Naar mijn mening brengt dit uitgangspunt ten aanzien van de onjuist gewaardeerde voorraad goederen mee, dat het onjuiste waarderingsstelsel niet mag worden gecontinueerd en moet worden vervangen door een waarderingsstelsel dat wel in overeenstemming met goed koopmansgebruik is. Goed koopmansgebruik doorbreekt daarmee de door de belastingplichtige gevolgde (onjuiste) bestendige gedragslijn. Scheltens (AWR, blz. 462) merkt hierover op:
[De] bestendigheidseis moet echter wijken voor die van het goede koopmansgebruik, nl. in die zin, dat een wijziging noodzakelijk is als zou blijken, dat in de balans posten zijn opgenomen of gewaardeerd in strijd met de eisen van het goede koopmansgebruik.
Het is overigens vaste jurisprudentie2 dat de omstandigheid, dat de belastingplichtige gedurende een aantal jaren een onjuist stelsel van winstberekening heeft gevolgd zonder dat de inspecteur daartegen bezwaar heeft gemaakt, de belastingplichtige er geen aanspraak op geeft dit stelsel te mogen blijven volgen. Zelfs niet, zoals zich voordeed in HR 7 december 1966, BNB 1967/37, indien het stelsel met goedkeuring van de inspecteur werd gevoerd.
Bij de waardering van de voorraad goederen in de jaren na 1998 moet derhalve worden uitgegaan van een juist waarderingsstelsel. Indien wordt aangenomen dat zich in 1999 geen transacties hebben voorgedaan, dient de voorraad goederen in de eindbalans van 1999 volgens het juiste waarderingsstelsel te worden opgenomen voor f 25 000. Vervolgens moet de voorraad goederen worden gewaardeerd in de beginbalans van 1999. Op grond van het beginsel der balanscontinuïteit dient de (waardering van de voorraad goederen in de) beginbalans van 1999 gelijk te zijn aan (de waardering van de voorraad goederen in de) eindbalans van 1998. De waardering van de voorraad goederen in die eindbalans moet worden overgenomen in de beginbalans van 1999, omdat anders een deel van de winst tussen wal en schip zou kunnen vallen3. Daarentegen gebiedt het jaarwinstbeginsel dat wordt uitgegaan van een gecorrigeerde beginbalans voor 1999, omdat slechts dan wordt voorkomen dat de winst van 1999 door de onjuistheid wordt beïnvloed en als gevolg daarvan tot een onjuist bedrag zou worden berekend4. Verbetering van de onjuiste waardering zou inhouden dat ook in de beginbalans van 1999 wordt uitgegaan van een waardering tegen f 25 000. Weliswaar is dan voor 1999 een juiste waardering toegepast en wordt de winst voor 1999 juist berekend5, maar een deel van de totaalwinst, ten bedrage van f 15 000, wordt definitief aan de belastingheffing onttrokken6. Hofstra (NV juni 1953) verwoordt deze situatie aldus:
Is (...) in de eindbalans van het vorige jaar een fout gemaakt, dan zal men hetzij de balanscontinuïteit moeten opofferen indien men de aanslag over het volgende jaar juist wil opleggen, hetzij het beginsel van de juiste belastingheffing, indien men aan de balanscontinuïteit wil vasthouden.
In de paragrafen 4.2.2.1 t/m 4.2.2.3 wordt aan de hand van jurisprudentie onderzocht aan welk beginsel, het beginsel der balanscontinuïteit of het jaarwinstbeginsel, de Hoge Raad in de hiervóór geschetste conflictsituatie voorrang geeft. In paragraaf 4.2.2.4 wordt de uitkomst van dat onderzoek toegepast op de beginbalans van 1999.