Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.3.4.3
4.3.4.3 Bijzonderheid: verweermiddelen en verrekening
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476852:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 537. Zie ook HR 2 november 1933, NJ 1934/302, m.nt. P. Scholten (Bloembollenkwekers/Van der Ploeg), waarin werd overwogen dat een cessionaris niet meer recht aan de cessie kan ontlenen dan aan de cedent toekwam.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2012/264; Biemans 2011/554; en Rongen 2012/ 205.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2012/267. Zie ook Biemans 2011/564.
Dit is anders in het geval van een stille cessie op grond van art. 3:94 lid 3 BW. In dat geval is het tijdstip van mededeling aan de schuldenaar beslissend. Zie daarover bijv. Biemans 2011/572.
Wibier 2009a/25; en Rongen 2012/205. Ten aanzien van opschorting: Streefkerk 2013/24.3 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2012/267.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 551. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2012/267; Rongen 2012/207.
Vgl. Rongen 2012/207.
Vgl. HR 21 januari 2014, JOR 2014/119, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2015/82, m.nt. H.J. Snijders (Neo-River) met betrekking tot de aan de verpande vordering verbonden schuldeisersbevoegdheden.
Of vorderingen in een concreet geval uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Vgl. HR 21 januari 2000, JOR 2000/116, m.nt.N.E.D. Faber,NJ 2000/430,m.nt. A.R. Bloembergen (Stet/Braaksma) en HR 27 januari 2012, NJ 2012/244, m.nt. S.F.M.Wortmann (Gangadin/Sheoratan).
Zie meer uitgebreid Faber 2005/230 e.v.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 517; en Faber 2005/245 en 267.
Aldus ook Faber 2005/258 en 275. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/ 235.
162. Indien een vordering krachtens een levering bij voorbaat wordt verkregen, kan de vraag rijzen in hoeverre aan de nieuwe schuldeiser verweermiddelen en verrekeningsbevoegdheden kunnen worden tegengeworpen door de schuldenaar van de vordering.
– Verweermiddelen
163. Voor verweermiddelen geldt het uitgangspunt dat een overgang van de vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat (art. 6:145 BW). De gedachte is dat een vordering met inbegrip van alle aan haar klevende gebreken overgaat op de verkrijger.1 De schuldenaar blijft ondanks de overgang zoveel mogelijk in dezelfde positie en kan alle verweermiddelen ten aanzien van de vordering en die hij vóór de overgang tegen de oorspronkelijke schuldeiser had kunnen aanvoeren, aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen.2 In beginsel kan de schuldenaar slechts de verweermiddelen die ten tijde van de overgang bestonden, tegenwerpen aan de verkrijger.3 Het beslissende tijdstip is daarmee – als uitgangspunt – het tijdstip waarop de overgang plaatsvindt.4 Daarnaast mag worden aangenomen dat de schuldenaar tevens een beroep toekomt op verweermiddelen die weliswaar later ontstaan maar reeds een grondslag hebben in een ten tijde van de overgang bestaande rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser.5 Wanneer een toekomstige vordering bij voorbaat is geleverd, bestaat naar mijn mening geen goede reden om van dit toetsingmoment af te wijken. Eerst wanneer de vordering wordt verkregen door de vervreemder, kan een overdracht krachtens een levering bij voorbaat plaatsvinden. Dit tijdstip van overgang is beslissend in het kader van art. 6:145 BW. In het bijzonder is niet van belang welke verweermiddelen (reeds in de kiem) bestonden ten tijde van de verrichting van de levering bij voorbaat.
De schuldenaar kan zijn verweermiddelen ook inroepen tegen de beperkt gerechtigde tot de vordering, nu deze persoon immers slechts het recht van de schuldeiser uitoefent jegens wie de schuldenaar een verweer heeft.6 Dit betekent dat, anders dan in het geval van een overgang van de vordering, de schuldenaar zijn verweermiddelen ook kan tegenwerpen aan de pandhouder van de vordering, ongeacht of deze verweermiddelen ten tijde van de vestiging reeds bestonden.7 Het tijdstip waarop het pandrecht tot stand komt heeft geen fixerende werking wat betreft de verweermiddelen die de schuldeiser tegen de pandhouder kan inroepen.8 Ook hier is in ieder geval niet relevant welke verweermiddelen bestonden ten tijde van het bij voorbaat verrichten van de vestigingshandeling.
– Verrekening
164. Voor verrekening geldt het uitgangspunt dat de schuldenaar van een vordering, ondanks de overgang van die vordering, bevoegd kan zijn een tegenvordering op zijn oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen. Art. 6:130 lid 1 BW staat verrekening toe, mits de tegenvordering reeds vóór de overgang was opgekomen en opeisbaar geworden (compensatioex dispari causa) of de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de overgegane vordering (compensatio ex eadem causa).9 Dit uitgangspunt is van overeenkomstige toepassing op vorderingen die zijn bezwaard met een beperkt recht waarvan mededeling is gedaan aan de schuldenaar (art. 6:130 lid 2 BW).10 De regeling voor verrekening is daarmee sterk verwant aan de regeling van art. 6:145 BW inzake verweermiddelen.11 Art. 6:130 BW is ook van toepassing op toekomstige vorderingen. Voor de verrekening van vorderingen en schulden uit dezelfde rechtsverhouding brengt dit geen moeilijkheden met zich. Voor de compensatio exdispari causa rijst daarentegen de vraag of betekenis toekomt aan het tijdstip waarop de cessie of verpanding bij voorbaat is verricht. Ik meen van niet. Voor de toepassing van art. 6:130 BW is slechts beslissend of de tegenvordering opeisbaar is geworden vóór de (medegedeelde) overgang of bezwaring van de vordering op de schuldenaar. Dit is het tijdstip waarop de overdracht of bezwaring ten gevolge van de eerdere levering bij voorbaat daadwerkelijk tot stand komt (door de verkrijging van de vordering door de vervreemder) én daarvan (al dan niet bij voorbaat) mededeling is gedaan. Of de tegenvordering bijvoorbeeld reeds opeisbaar was ten tijde van het verrichten van de levering bij voorbaat, is voor de toepassing van art. 6:130 BW dus zonder belang.12