Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/6.3.2
6.3.2 De toepasselijkheid van de afstemmingsregel in de enquêteprocedure
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197017:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aan de afstemmingsregel ligt ten grondslag dat de rechtsverhouding tussen partijen in een contradictoire bodemprocedure, zo nodig na bewijslevering en rapportage door deskundigen, in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, hetgeen in kort geding niet het geval is (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128 (KB-Lux), r.o. 3.3.3). Zie hierover 6.3.1.
Over het karakter van de enquêteprocedure zie 2.6. en 2.7.
Vgl. nr. 168.
Zie 2.6, 2.7 en nr. 106.
Voor bijzonderheden over de procedure zie 2.4-2.7.
Bijv.: de gewone burgerlijke rechter beoordeelt of iemand aandeelhouder is (OK 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, ARO 2008/79 (Yukos), r.o. 3.5). De aanduiding ‘vennootschapsrechtelijke betrekkingen’ is ook gangbaar. Tot de jurisdictie van de gewone burgerlijke rechter horen meer procedures die zijn gebaseerd op bepalingen van Boek 2 BW, bijvoorbeeld vorderingen op grond van onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurder (art. 2:9 BW).
Storm 2018, 2.1.
Willems 2016, p. 2.
Willems spreekt over “corporate en business policy” (Willems 2016, p. 2).
Zowel de bodemrechter als de voorzieningenrechter.
Dat is het gedrag van de ‘maatman’. Over de maatman zie Castermans 2008. Hij noemt de maatman een meetinstrument van het burgerlijk recht en geeft een overzicht van methoden van vormgeven van de maatman.
Timmerman, WPNR 2013/6969. Het onderscheid valt niet één op één samen met het verschil tussen de rechtsvragen in de bodemprocedure en de geschilpunten in de enquêteprocedure.
Die bepaald worden door betrekkingen van vermogensrechtelijk aard, zie bijv. OK 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, ARO 2008/79 (Yukos), r.o. 3.5.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/790. Ook zo: Eikelboom 2017, p. 8.3.2.4, nt. 29. Die omschrijving spreekt mij aan. Er dringen zich deze vragen op: zijn niet alle rechtsregels (ook structuur- en ordeningsregels) uiteindelijk 'gestolde' redelijkheid en billijkheid; is niet elke schending van rechtsregels uiteindelijk schending van redelijkheid en billijkheid? Dit zijn vragen van meer filosofische aard, die in het kader van dit onderzoek niet worden besproken.
Zie nr. 193 over vaststelling van die betrekkingen in de tweede fase. Wel kan de Ondernemingskamer de inhoud van ondernemingsrechtelijke betrekkingen tijdelijk wijzigen door middel van onmiddellijke voorzieningen. Die beslissingen zijn bindend in zoverre ze niet worden gecasseerd.
Zie nr. 203 over de beoordeling van contractuele verplichtingen door de Ondernemingskamer.
OK 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, ARO 2008/79 (Yukos). In Moskou was Yukos Oil failliet verklaard. De aangestelde curator had namens Yukos Oil aandeelhoudersbesluiten genomen. Zie over deze casus ook 6.3.1.
Zie 2.5.2. over de enquêtebevoegdheid van aandeelhouders.
Rb. Amsterdam 31 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6782 (Yukos). Over de bevoegdheid van de Russische curator zijn in Nederland kort gedingen en een bodemprocedure gevoerd. Zie ook 6.3.1. Dit oordeel over de rechtsgeldigheid van uitgeoefende vennootschapsrechtelijke bevoegdheden betreft een structuurvraagstuk.
De Ondernemingskamer beslist over ontvankelijkheid van de verzoekers, maar stelt het aandeelhouderschap – de rechtsbetrekking – niet bindend vast.
OK 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, ARO 2008/79 (Yukos), r.o. 3.12-3.16.
OK 21 maart 2008 (Yukos), r.o. 3.6. De verzoekers werden in de enquêteprocedure niet enquêtebevoegd bevonden en werden niet-ontvankelijk verklaard.
. In de zaak KB-Lux was de bestuursrechter – en niet de civiele rechter – bevoegd ter zake van de rechtmatigheid van het bestuursbesluit en in de zaak Yukos was de gewone civiele rechter – en niet de Ondernemingskamer – bevoegd te oordelen over het aandeelhouderschap.
OK 21 maart 2008 (Yukos), r.o. 3.9.
OK 21 maart 2008 (Yukos), r.o. 3.11.
H.B. Krans, annotatie bij HR 7 januari 2011, NJ 2011/304, nr. 8, 9, 12. Zie hierover 6.3.1.
Zie over overmacht 7.8.2.
Dat is een vraag naar een vermogensrechtelijke betrekking.
Eikelboom merkt op dat de Ondernemingskamer in OK 31 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL3680, ARO 2010/6 (Inter Access) de inhoud van een (aandeelhouders)overeenkomst uitlegt (Eikelboom 2017, p. 11.2.2). Ik veronderstel dat hem r.o. 3.14 voor ogen staat. Daarin staan bewoordingen als “aannemelijk is”, “geenszins valt uit te sluiten” en “indien in een meergenoemd artikel (…) is neergelegd, het beroep daarop bij de huidige stand van zaken (…) als onaanvaardbaar worden aangemerkt”. Die formuleringen zouden er op kunnen wijzen dat de Ondernemingskamer zich hier een voorstelling van de inhoud van verplichtingen maakt, dan wel, voor het geval de verplichtingen de beschreven inhoud hebben, de getroffen onmiddellijke voorziening motiveert. Of daarmee inhoud van de overeenkomst wordt vastgesteld, laat ik hier in het midden, gelet op mijn in 1.4 vermelde betrokkenheid. Vgl. nt. 44 bij 8.4.1.
De omstandigheid dat die rechter eerder oordeelt, brengt dus geen voorrang van de contractuele verplichting mee (vgl. onderzoeksvraag f.). Het eerdere oordeel van de burgerlijke rechter leidt niet tot geldigheid van het eerste scenario.
Naast de belemmeringen voor toepassing, die samenhangen met de verschillen in aard tussen de enquêteprocedure en de procedure voor de gewone civiele rechter, zoals in nr. 200 vermeld.
Indien aan de overige voorwaarden voor toepassing is voldaan. Zie voor het toepassingsbereik 6.3.1. In hfdst. 9 wordt aandacht besteed aan beïnvloeding over en weer van (oordelen over) gedragsvraagstukken in bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures en (oordelen over) verkeersopvattingen over het risico voor het niet nakomen van contractuele verplichtingen ten gevolge van een onmiddellijke voorziening.
[199] Beschouwt men de enquêteprocedure in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde grondslag van de afstemmingsregel, dan valt het volgende op.1 De eerste fase van de enquêteprocedure is niet een contradictoire procedure waarin rechtsverhoudingen tussen partijen bindend kunnen worden vastgesteld.2 Voor bewijslevering en rapportage door deskundigen is voorafgaand aan het oordeel in de eerste fase (de facto) geen plaats.3 In de eerste fase van de procedure zijn de oordelen in wezen gebaseerd op twijfel over het beleid van de rechtspersoon, waarover pas in de tweede fase, na het onderzoek, uitsluitsel kan worden verkregen.4 Dat zijn redenen voor toepassing van de afstemmingsregel in de eerste fase van de enquêteprocedure, in die zin dat de enquêterechter zich dient te richten naar een eerdere beslissing van een gewone civiele rechter in een bodemprocedure. Voor de beslissing over een onmiddellijke voorziening geldt dat eens te meer; die komt tot stand na een onderdeel van de enquêteprocedure, dat met beperkte waarborgen is omgeven en wel wordt vergeleken met het kort geding.5 Er zijn echter redenen om aan te nemen dat de rol van de afstemmingsregel in de enquêteprocedure beperkt is. Die redenen worden hieronder uiteengezet.
[200] Verwantschap van procedures en samenhang van rechtsvragen kunnen nauwelijks los van elkaar gezien worden. Of een civiele bodemprocedure en een enquêteprocedure voldoende verwantschap vertonen en of de in die procedures voorliggende rechtsvragen voldoende samenhangen om de afstemmingsregel toe te passen, kan alleen in de omstandigheden van het geval worden vastgesteld. Wel kan in het algemeen het volgende worden opgemerkt over de verschillen in aard tussen de civiele bodemprocedure en de enquêteprocedure.
Enerzijds is de enquêteprocedure een rechtsgang met de Ondernemingskamer als exclusief bevoegde rechter.6 Anderzijds is de gewone burgerlijke rechter exclusief bevoegd ter zake van (ondernemingsrechtelijke) rechtsvragen over de inhoud van ondernemingsrechtelijke rechtsbetrekkingen en ter zake van contractuele relaties van de rechtspersoon.7 Die betrekkingen kan hij bindend vaststellen. Storm merkt op dat met het enquêterecht beoogd wordt in te grijpen in het functioneren van een onderneming. Daarmee verschilt het enquêterecht wezenlijk van het overige ondernemingsrecht.8 Bij de gewone burgerlijke rechter gaat het om handhaving van rechten. Willems spreekt over “twee afzonderlijke kolommen van exclusieve rechterlijke bevoegdheid”.9 Hij wijst er op dat het enquêterecht geen materieel ondernemingsrecht inhoudt en ook geen regeling van rechtsvordering behelst.10 Het enquêterecht is een juridisch instrument waarmee de rechter in het kader van de enquêteprocedure kan ingrijpen in het beleid van de rechtspersoon en zijn onderneming.11 Dat instrument ontbeert de civiele rechter die oordeelt over de inhoud van rechtsbetrekkingen. Er zij op gewezen dat dit instrument ook valt te onderscheiden van de maatregelen die de voorzieningenrechter treft. Die laatste maatregelen lopen vooruit op het beoordelen en vaststellen van rechtsbetrekkingen in de civiele bodemprocedure. De bevoegdheid tot (blijvende) ingrepen in het beleid heeft de voorzieningenrechter niet. Het karakter van de enquêteprocedure correspondeert in dit opzicht niet met de aard van de procedure voor de gewone civiele rechter.12 Dit verschil in aard tussen de beide procedures moet niet worden verward met het verschil in aard tussen de kortgedingprocedure en de bodemprocedure, dat is beschreven in 6.3.1. Dat laatste verschil, dat aan de afstemmingsregel ten grondslag ligt, ziet op de waarborgen in die procedures.
Concrete procedures kunnen op het eerste gezicht verwant zijn, zeker als min of meer hetzelfde feitencomplex voorligt. Ik meen dat het beschreven uiteenlopen van de karakters van de enquêteprocedure en de civiele bodemprocedure kan meebrengen, dat de verwantschap dan toch onvoldoende is voor toepasselijkheid van de afstemmingsregel.
[201] Ook de mate van samenhang tussen de rechtsvraag in de contradictoire civiele procedure en de rechtsvraag in de enquêteprocedure, hangt af van de omstandigheden van het geval. Met betrekking tot de mogelijke mate van samenhang kan het volgende worden bedacht. De beoordeling in de enquêteprocedure van het beleid en het functioneren van een rechtspersoon komt neer op beoordeling van gedrag. Het vertoonde gedrag wordt afgezet tegen een norm, namelijk hoe het gedrag zou moeten zijn.13 Een door Timmerman gemaakt onderscheid kan licht werpen op het type rechtsvragen dat dan beoordeeld wordt.14 Hij onderscheidt gedragsvraagstukken van structuurvraagstukken. Die tweede categorie gaat over de inrichting van vennootschappen en de interne rechtsposities.15 Hij betoogt dat rechtszekerheid voorop hoort te staan bij rechterlijke beoordeling van vragen over de structuur van een vennootschap. Daarentegen is een hoofdrol weggelegd voor redelijkheid en billijkheid, als – achteraf – gedrag wordt beoordeeld en zo nodig aan de hand van de omstandigheden van het geval – achteraf – de gedragsnorm wordt bepaald.
In de enquêteprocedure wordt bij de beoordeling van het functioneren van een rechtspersoon de norm van redelijkheid en billijkheid gehanteerd. Dat klinkt door in de omschrijving door Van Solinge en Nieuwe Weme van het begrip wanbeleid. Volgens hen is wanbeleid in de kern genomen een schending van de norm van redelijkheid en billijkheid.16
Als de gewone civiele rechter oordeelt over de inhoud van ondernemingsrechtelijke betrekkingen, beoordeelt hij rechtsvragen in het kader van structuurvraagstukken. Die rechtsvragen liggen in een ander domein dan de thema’s waarover de enquêterechter beslist, die zich beweegt op het gebied van de ondernemingsrechtelijke gedragsnormen. Ook rechtsvragen over andere vermogensrechtelijke betrekkingen, waarover de gewone burgerlijke rechter oordeelt, liggen buiten het gedragsnormen-domein van de enquêterechter.
Kunnen rechtsvragen uit deze verschillende domeinen bij beoordeling door verschillende rechters resulteren in verschillende, onverenigbare rechtsgevolgen? Die vraag is relevant als de mogelijke onverenigbaarheid cruciaal is voor de samenhang tussen de rechtsvragen, zoals in nr. 198 is gesuggereerd. Beoordeling van structuurvragen hebben vastgestelde rechtsverhoudingen en verplichtingen tot rechtsgevolg. Enquêteverzoeken zijn gericht op andersoortige rechtsgevolgen: vaststelling dat het beleid niet deugt; ingrepen in het beleid. Waar rechtsvragen uit verschillende domeinen resulteren in ongelijksoortige rechtsgevolgen, lijkt het me niet erg voor de hand liggend, dat die rechtgevolgen onverenigbaar zijn. Bij het ontbreken van onverenigbaarheid van de rechtsgevolgen, zou er ook weinig samenhang tussen de rechtsvragen zijn. De (structuur)rechtsvragen in de civiele bodemprocedure en de enquêterechtelijke vragen in de enquêteprocedure zouden dan onvoldoende samenhangen voor toepassing van de afstemmingsregel in de enquêteprocedure.
[202] De Ondernemingskamer beoordeelt in de eerste fase van enquêteprocedures geen structuurvragen; ze stelt de inhoud van ondernemingsrechtelijke betrekkingen niet bindend vast.17 Ze begeeft zich dus niet op het terrein van de gewone burgerlijke rechter. Wel kan ze te maken krijgen met structuurvraagstukken die behoren tot het domein van die rechter.18 Dat deed zich voor toen een enquête bij Yukos Finance B.V. en Yukos International UK werd verzocht.19 De enquêtegerechtigdheid van verzoekers, die hun bevoegdheid baseerden op de hoedanigheid van aandeelhouder van Yukos Finance, werd ter discussie gesteld.20 De enquêterechter diende te beslissen over de ontvankelijkheid, die afhankelijk was van het aandeelhouderschap van de verzoekers. Opgemerkt zij, dat het ontvankelijkheidsoordeel geen inhoudelijk enquêterechtelijk oordeel over gedrag betreft. Of iemand wel of niet aandeelhouder is van een vennootschap, is een structuurkwestie, het betreft de inhoud van een interne rechtsbetrekking van de rechtspersoon. De verzoekers claimden aandeelhouder te zijn geworden, doordat de curator van Yukos Oil hen de aandelen Yukos Finance had verkocht en geleverd. De Rechtbank Amsterdam had eerder (in een bodemprocedure) geoordeeld dat de curator niet bevoegd was en dat door hem genomen aandeelhoudersbesluiten nietig waren.21 De Ondernemingskamer oordeelde dat niet kon worden aangenomen dat verzoekers eigenaar van de aandelen waren geworden.22 Ze legde aan dat oordeel de door de rechtbank uitgesproken onbevoegdheid van de curator ten grondslag.23 De enquêtebeschikking houdt in dat, nu de gewone, absoluut bevoegde civiele rechter in de bodemprocedure heeft beslist, die beslissing door de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure moet worden gevolgd.24 Er valt een parallel te bespeuren met het door de Hoge Raad beoordeelde geval van KB-Lux. Er was niet slechts sprake van een eerdere beslissing in een met waarborgen omklede bodemprocedure, bovendien was het eerdere oordeel gegeven door de bevoegde rechter, terwijl de later oordelende rechter – in de zaak Yukos: de Ondernemingskamer – op dat punt juist niet bevoegd was.25 Het geval Yukos laat dus het volgende zien. De Ondernemingskamer, geconfronteerd met een structuur-rechtsvraag die behoort tot het domein van de gewone burgerlijke rechter, stemt haar beslissing in de enquêteprocedure af op het oordeel van de bevoegde rechter.
Een van de verzoekers in de Yukos-enquêteprocedure was geen partij geweest in de procedure voor de Rechtbank Amsterdam. De Ondernemingskamer haakte aan bij artikel 236 lid 2 Rv en overwoog dat het vonnis van de rechtbank ook jegens die partij als uitgangspunt in de enquêteprocedure geldt.26 Bovendien achtte zij niet aannemelijk dat de gewone civiele rechter, in een procedure waarin die partij wel betrokken zou zijn, tot een ander oordeel zou komen.27 Daarmee geeft deze uitspraak blijk van de ook door Krans verwoorde opvatting, dat voor afstemming de partijen in beide procedures niet precies dezelfde hoeven te zijn.28
[203] Voor de goede orde zij er op gewezen, dat rechtsvragen over contractuele verhoudingen niet helemaal vergelijkbaar zijn met structuurrechtsvragen over de inrichting van vennootschappen en de interne rechtsposities. Ze hebben met structuurvragen gemeen, dat ze gaan over vermogensrechtelijke betrekkingen. Over gedragskwesties gaan ze in wezen niet. Wel kunnen gedragsnormen een rol in de beoordeling spelen, bijvoorbeeld bij de vraag of er overmacht van de schuldenaar is.29
Als de Ondernemingskamer een voorziening treft die conflicteert met een contractuele verplichting van de rechtspersoon, beoordeelt zij niet de rechtsvraag ‘welke inhoud heeft de verplichting’.30 Die vraag staat in de enquêteprocedure niet ter discussie. Het bestaan van een verplichting met een bepaalde strekking is in de enquêteprocedure uitgangspunt. Tussen partijen in de enquêteprocedure kan onenigheid bestaan over de precieze inhoud van de verplichting. Ook dan stelt de Ondernemingskamer die inhoud niet vast.31 De onmiddellijke voorziening, die het nakomen van een verplichting met een bepaalde strekking belemmert, wordt dan getroffen voor het geval en voor zover de verplichting die strekking heeft. De strekking van de verplichting hoeft niet vast staan in de enquêteprocedure, om er een onmiddellijke voorziening op toe te snijden. De rechtsvraag naar de inhoud van een verplichting speelt in die zin in de enquêteprocedure geen rol. Dat is niet anders, indien een gewone civiele rechter al over de inhoud van de contractuele verplichting van de rechtspersoon heeft geoordeeld en deze heeft vastgesteld.32
De Ondernemingskamer treedt dus niet in een structuurvraag als ze beslist over voorzieningen die kunnen conflicteren met contractuele verplichtingen van de rechtspersoon. Ik vind het ook daarom onaannemelijk dat de afstemmingsregel toepasselijk is bij die categorie beslissingen, die in dit onderzoek centraal staat.33
[204] Ook aan de gewone burgerlijke rechter worden wel gedragskwesties voorgelegd. Dat gebeurt bijvoorbeeld in procedures over bestuurdersaansprakelijkheid en, in de eerste aanleg, in geschillenregelingsprocedures.34 Als de oordelen van die rechter en de enquêterechter over gedragsvraagstukken tot onverenigbare rechtsgevolgen kunnen leiden, zou dat aanleiding kunnen zijn voor toepassing van de afstemmingsregel.35