Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.6.5
II.4.3.6.5 Tussenconclusie
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625529:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.3.4 ‘Art. 6:227 BW’.
Vgl. ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 101 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 50, waarin wordt opgemerkt dat vanwege de gelijkenis met de overeenkomst het gewenst is om op eenzijdige rechtshandelingen zo veel mogelijk de voor de overeenkomst geldende regels toe te passen.
Vgl. het citaat in B. Schols 2007a, p. 115 uit de Parl. Gesch. Vast. (Boek 4), p. 772: ‘Door het legaat ontstaat een verbintenisrechtelijke verhouding, welke op één lijn moet worden gezien met de verbintenisrechtelijke verhouding, die uit een overeenkomst ontstaat.’
Parl. Gesch. Boek 6, p. 895-896 en Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123: ‘[…] de vaststelling kan geschieden naar van tevoren vaststaande criteria, die een subjectief element kunnen inhouden, in dier voege dat de nadere vaststelling van de inhoud aan een derde, ja zelfs aan een der partijen kan worden opgedragen, in welk laatste geval de vaststelling moet plaatsvinden met inachtneming van hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd.’ Zie over de aanvulling van overeenkomsten door een van de partijen Meijers 1916.
Het bepaaldheidsvereiste verlangt dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar zijn. Dat betekent dat de prestatie op het moment dat de verbintenis ontstaat nog niet in volledigheid bepaald hoeft te zijn. Het is voldoende indien zij op een later moment kan worden geconcretiseerd, eventueel door middel van subjectieve elementen.1
De hiervoor genoemde facultatieve, alternatieve en generieke verbintenis zijn voorbeelden van zo’n nadere concretisering van bepaalbare verbintenissen. Hierbij vormt een keuzebevoegdheid het wezenlijke element voor de uiteindelijke vaststelling van de inhoud van de verbintenis. De keuzebevoegdheid van de facultatieve, alternatieve en generieke verbintenis is met andere woorden een manier waarop bepaalbaar uiteindelijk (definitief) bepaald wordt. Ofwel: de keuzebevoegdheid concretiseert de verbintenis.
Zoals in de hiervoor genoemde voorbeelden van de facultatieve en alternatieve verbintenissen al naar voren kwam, speelt de concretisering van verbintenissen door middel van keuzes niet enkel een rol bij meerzijdige rechtshandelingen, zoals de koopovereenkomst of de schenkingsovereenkomst, maar kan er ook met keuzes worden gewerkt bij de verbintenissen die voortvloeien uit eenzijdige rechtshandelingen, zoals de verbintenissen voortkomend uit een legaat. Ik wil hier de gelijkenis tussen het legaat en de schenking in herinnering brengen (zie paragraaf 2.4).2 De verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking die ontstaat door een legaat is mijns inziens wezenlijk niet anders dan de verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking die ontstaat door een (schenkings-) overeenkomst.3 De bepaalbaarheid die geldt voor verbintenissen die ontstaan uit overeenkomsten (art. 6:227 BW: ‘de verbintenissen die partijen op zich nemen, moeten bepaalbaar zijn’) en de mogelijkheid om haar te concretiseren met behulp van een keuzebevoegdheid, kan mijns inziens dan ook gelijk worden toegepast voor de verbintenissen die ontstaan uit legaten. Of dit ook mogelijk is voor andere uiterste wilsbeschikkingen, zoals de erfstellingen, behandel ik in het vijfde hoofdstuk van dit onderzoek.
De mogelijkheid om de inhoud van een (bepaalbare) verbintenis nader te concretiseren met behulp van een keuzebevoegdheid, is mijns inziens een species van de mogelijkheid om de inhoud van een (bepaalbare) verbintenis nader vast te stellen door middel van een bindend oordeel van bijvoorbeeld één van de partijen of van een derde.4