Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.6.1
II.4.3.6.1 Inleidend
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623671:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragraaf 4.3.2.1 ‘Onderwerp’.
Zie over de subjecten van de verbintenis Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 28 e.v. Zie in dit kader ook de opmerking in noot 24 van dit hoofdstuk. Zie over de verbintenis in het algemeen Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I).
Zie in dit kader ook mijn opmerking in noot 13 van hoofdstuk 2.
Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 28-29: ‘Bij een verbintenis is er minstens één schuldeiser en één schuldenaar. Zij zijn de subjecten van de verbintenis.’[…]. Uit het bovenstaande uitgangspunt [te weten dat bij een verbintenis minstens één schuldeiser en één schuldenaar is, toev. NB] vloeit ook voort dat een verbintenis zonder schuldeiser of schuldenaar onbestaanbaar is.’
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 23.
Hierover Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 145 e.v. De facultatieve, alternatieve en generieke verbintenis moet worden onderscheiden van de enkelvoudige verbintenis. Dat is de verbintenis waarvan de prestatie bij het ontstaan van de verbintenis reeds vaststaat en ten aanzien waarvan geen keuzebevoegdheid voor het verrichten van een andere verbintenis een rol kan spelen. Zie voor een andere mogelijkheid om de inhoud van een (bepaalbare) verbintenis nader te concretiseren paragraaf 4.3.7 ‘Object van de verbintenis: concretisering door middel van een bindend oordeel.’
De bepaaldheid van verbintenissen als bedoeld in art. 6:227 BW ziet op het object van de verbintenis. Dat wil zeggen datgene waartoe de schuldenaar verplicht en de schuldeiser gerechtigd is.1 Het ziet zodoende niet op de subjecten van de verbintenis, dat zijn de schuldenaar en schuldeiser.2 Dat lijkt ook overbodig, want uit het karakter van de verbintenis – namelijk een (vermogensrechtelijke) rechtsbetrekking tussen twee of meer personen3 – vloeit de bepaaldheid van de subjecten doorgaans al voort.4 Niettemin kennen we de rechtsfiguur van de ‘nader te noemen meester’ of ‘nader aan te geven koper’, waarin één contractspartij bij aanvang van de overeenkomst nog onbepaald is. Op de figuur van de ‘nader te noemen meester’, op de vraag in hoeverre schuldenaar en schuldeiser bepaald dienen te zijn en op de vraag of er keuzemogelijkheden zijn ten aanzien van de subjecten van de verbintenis, kom ik in paragraaf 4.3.8 terug.
In deze paragraaf heb ik aandacht voor het object ofwel de prestatie van de verbintenis. Het object dient, zoals gezegd, niet steeds in alle bijzonderheden te zijn bepaald. Het is voldoende dat de bepaaldheid later kan worden verkregen: bepaalbaar voldoet.5 Dit ‘later verkrijgen’ ofwel het naderhand vaststellen (concretiseren) van de inhoud van de verbintenis kan plaatsvinden aan de hand van subjectieve elementen, bijvoorbeeld door middel van een keuzebevoegdheid. Ik doel dan op de keuzes die besloten liggen in de facultatieve, alternatieve en generieke verbintenissen.6