Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.8
3.4.3.8 Contractuele vorderingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471935:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN).
Vgl. art. 6:261 lid 1 BW.
Vorderingen vanwege de beëindiging van een overeenkomst kunnen weliswaar ook voortvloeien uit de wet (vgl. art. 6:271 BW voor ontbinding), maar het fundament dat deze vorderingen hebben in de beëindigde overeenkomst, rechtvaardigt naar mijn mening een gezamenlijke behandeling met de vorderingen als gevolg van beëindiging die uit het contract zelf ontspruiten.
HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.).
De Hoge Raad scherpte de categorie bestaande vorderingen hiermee verder aan tot terstond vaststaande vorderingen tot periodieke betalingen.
De Hoge Raad verwijst in zijn arrest naar de art. 1584 lid 1, 1586, 1588, 1589 en 1591 BW (oud). Door Rongen is de vraag opgeworpen of de redenering van de Hoge Raad nog opgaat voor de huidige wettelijke regeling van de huurovereenkomst (titel 7.4 BW). Zie Rongen 2012/868. Ik zie echter geen reden waarom het oordeel over het ontstaansmoment van huurvorderingen door deze nieuwe regeling zou zijn achterhaald.
In deze zin bijv. ook Van der Grinten, noot bij HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Emmerig q.q.); Kortmann 1989, p. 58-59; Van Hees 1997, p. 127; Rongen 2012/869; Schuijling, noot bij HR 21 juni 2013, JOR 2013/320 (Eringa q.q./ABN Amro), nr. 9; en Verstijlen 2013a.
Zie ook Rongen 2012/868.
Zie ook HR 6 juni 1997, NJ 1998/128, m.nt. P.A. Stein (Van Bommel/Ruijgrok) ten aanzien van opschorting en ontbinding
Vgl. Rongen 2012/875.
Vgl. Van Hees 1997, p. 128-129 over de vorderingen uit operational en financial lease.
Zo ook Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/81. Vgl. over canon en retributievorderingen uit hoofde van erfpacht en erfdienstbaarheid: Bartels & Tweehuysen 2012, p. 70-73.
Vgl. art. 7:610 lid 1 BW; HR 18 december 1953, NJ 1954/242; en Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/81. Het begrip loon in art. 40 lid 2 Fw wijkt hiervan niet af, zo volgt uit HR 3 december 1999, JOR 2000/17, m.nt. Boekraad, NJ 2000/53, m.nt. P. van Schilfgaarde (LISV/Wilderink q.q).
Vgl art. 7:623 BW.
Vgl. art. 7:624 BW.
Anders: Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/81, die aanneemt dat het loon onverschuldigd is betaald.
Vgl. Franken 2011, p. 41; en Verstijlen 2013a.
Asser/Van den Berg 7-VI 2013/157, onder verwijzing naar Cremers 1931, p. 170 en Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/607. Zie ook Franken 2011, p. 51-52; en Verstijlen 2013a. Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1057 (Utiliteitsbouw). Anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 12 augustus 2014, JOR 2015/51, m.nt. N.E.D. Faber (Verdonk q.q./Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland) waar wordt aangenomen dat de vordering ontstaat bij het sluiten van de overeenkomst.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 12 augustus 2014, JOR 2015/51, m.nt. N.E.D. Faber (Verdonk q.q./Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland).
Asser/Van den Berg 7-VI 2013/157; en Hof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1057 (Utiliteitsbouw). De termijnen kunnen bijvoorbeeld ook (mede) zijn gekoppeld aan de waarde van de nog niet verwerkte grond- of bouwstoffen.
Zo ook Verstijlen 2013a. Vgl. ook (in het kader van art. 37 Fw) Hof ’s-Gravenhage 30 december 2014, JOR 2015/179, m.nt. T.T. van Zanten (Poot/Peters q.q.); Hof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1057 (Utiliteitsbouw); en Rb. Almelo 28 december 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BW0886 (Woningborg/ Daniëls q.q.).
TM, Parl. Gesch. Boek 7, titels 1, 7, 9 en 14 (Inv. 3, 5 en 6), p. 333; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/129; HR 5 april 1918, NJ 1918/573 (Fuldauer/Erven Huismans) en HR 9 december 1932, NJ 1933/300 (Van den Berg & Co/De Waard). Zie ook Hof Arnhem 13 maart 2012, JOR 2012/300 (Graaco/Huisman q.q.).
Vgl. TM en MvT, Parl. Gesch. Boek 7, titels 1, 7, 9 en 14 (Inv. 3, 5 en 6), p. 333-334 en Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/129 en 130. Zie ook de art. 7:426, 7:431 en 7:432 BW.
MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, p. 42.
Dan wel uit de overeenkomst anders voortvloeit. Zie art. 7:461 BW.
MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, p. 42. Zie ook Rb. Amsterdam 15 april 2015, JOR 2016/14, m.nt. B.A. Schuijling (Fa-Med/Kreikamp q.q.).
CBb 28 januari 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BL2085 (Orde van Medisch Specialisten/ Nederlandse Zorgautoriteit). Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 393, nr. 3, p. 16; en Rb. Amsterdam 15 april 2015, JOR 2016/14, m.nt. B.A. Schuijling (Fa-Med/ Kreikamp q.q.).
Zie ook Rb. Amsterdam 15 april 2015, JOR 2016/14, m.nt. B.A. Schuijling (Fa-Med/ Kreikamp q.q.).
Zie art. 7A:1791 BW en Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/215 en 246.
Vgl. Asser/Van Schaik 7-VIII*, nr. 216; en Verdaas 2012, p. 20-25.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/76 en Asser/Van Schaik 7-VIII* 2012/216.
Vgl. Asser/Van Schaik 7-VIII* 2012/216; en Verdaas 2012, p. 20-25.
Vgl. art. 7.2.1.1 Ontwerp Van Opstall 1972 en de art. 7:118 en 120 BW van het consultatiedocument wetsvoorstel consumentenkredietovereenkomsten, goederenkrediet en geldlening.
Vgl. HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle), r.o. 3.5.
Vgl. HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle), r.o. 3.6. Deze vordering tot terugbetaling kan overigens een voorwaardelijk karakter hebben. Zie HR 29 november 2002, NJ 2003/50 (Helm/Aerts).
Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/253; zie ook Suijling II-1 1934/231.
Zie Rongen 2012/896, voetnoot 304, voor een overzicht.
Vgl. art. 6:44 lid 1 BW en 128 Fw.
Vgl. TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 180-181.
TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94 en 96. Zie ook NvW, Parl. Gesch. Boek 6, p. 533 in verbinding met TM, Boek 6 p. 528-529. In deze zin ook Faber 2005/271. Vgl. Kortmann 1989, p. 59. Vgl. ook (in het kader van art. 3:291 BW) HR 16 juni 2000, NJ 2000/733, m.nt. W.M. Kleijn (Derksen/Rabobank). Anders: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/49, 81 en 267, waar (in ieder geval voor een lening met vaste looptijd en vaste rente) wordt aangenomen dat de rentevordering ontstaat (als een vordering tot periodieke betaling) bij het aangaan van de geldlening. In vergelijkbare zin Mijnssen 1988, p. 19; Van Mierlo 1988, p. 92; en Rongen 2012/896.
Daarin onderscheidt zich de contractuele rente van de wettelijke rente ex art. 6:119 e.v. BW, die met iedere dag dat zij loopt ook opeisbaar wordt.
Zo ook Suijling II-1 1934/238.
Vgl. art. 6:140 BW. Zie ook Faber 2005/187.
Overigens kan het saldo van de rekening ook worden bijgewerkt zonder dat dit het gevolg is van de boeking van een vordering of schuld. De mutatie kan ook een louter administratieve handeling zijn om het saldo te corrigeren en in overeenstemming te brengen met de werkelijke rechtstoestand tussen partijen. Zie Faber 2005/187.
Vgl. HR 23 maart 2012, JOR 2012/236, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2012/421, m.nt. P. van Schilfgaarde (ING/Manning q.q.).
Zie bijv. HR 23 maart 1990, NJ 1990/416 (Hazeweijer-Oldenburg/NMB). Zie voorts Parl. Gesch. Boek 6, p. 518 en 520; en Faber 2005/185.
Wibier 2007a en Wibier 2007b, p. 22-27.
HR 28 april 2006, JOR 2006/223, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2006/503, m.nt. P. van Schilfgaarde (Huijzer q.q./Rabobank); en HR 23 maart 2012, JOR 2012/236, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2012/421, m.nt. P. van Schilfgaarde (ING/Manning q.q.).
Zie HR 26 januari 2001, JOR 2001/51 (Standard/ING).
Zie HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285, m.nt. P. Scholten (Staat/Buitenlandsche Bankvereeniging); HR 10 januari 1975, NJ 1976/249, m.nt. B. Wachter (Giro/Standaardfilms) en HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees (Van den Bergh/ Van de Walle), r.o. 3.9.
Zie daarover nr. 200 en 214.
Zo ook Faber, noot bij HR 23 maart 2012, JOR 2012/236 (ING/Manning q.q.), onder 4.
Vgl. art. 6:114 BW. Zie ook HR 31 maart 1989, NJ 1990/1, m.nt. J.B.M. Vranken (Vis q.q./NMB); en HR 20 maart 2015, JOR 2015/251, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2015/264, m.nt. F.M.J. Verstijlen en m.nt. A.I.M. van Mierlo (JPR/Gunning q.q.).
Girale betaling is een verbintenisrechtelijke figuur. Of de rekeninghouder een vordering verkrijgt op zijn bank als gevolg van een girale boeking, is dan ook een verbintenisrechtelijke kwestie. Zie HR 26 januari 2007, JOR 2007/79, m.nt. N.E.D. Faber (Ontvanger/De Kerseboom I).
Vgl. HR 10 januari 1975, NJ 1976/249, m.nt. B. Wachter (Giro/Standaardfilms); HR 8 juli 1987, NJ 1988/104, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Loeffen q.q./Bank Mees & Hope I); HR 7 oktober 1988, NJ 1989/449, m.nt. J.B.M. Vranken (AMRO/THB); en HR 3 december 2004, JOR 2005/51, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2005/200, m.nt. P. van Schilfgaarde (Mendel q.q./ABN Amro).
Zo ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, 462.
HR 15 juni 2012, JOR 2012/274, m.nt. A. Steneker, NJ 2012/458, m.nt. A.I.M. van Mierlo (De Kerseboom/Ontvang.
Vgl. HR 26 januari 2001, JOR 2001/51; (Standard/ING); HR 3 december 2004, JOR 2005/51, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2005/200, m.nt. P. van Schilfgaarde (Mendel q.q./ ABN Amro); HR 16 september 2011, NJ 2012/89, m.nt. P. van Schilfgaarde (SNS Bank/Pasman q.q.); en art. 19 lid 3 ABV 2009. Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 463.
Voor beslag is deze beperking terug te voeren op HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285, m.nt. P. Scholten (Staat/Buitenlandsche Bankvereeniging). Wat betreft stille verpanding bij voorbaat is zij recent door de Hoge Raad bevestigd in HR 17 februari 2012, JOR 2012/234, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/605, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Kézér q.q.).
HR 24 maart 1995, NJ 1996/447, m.nt. H.J. Snijders (Jahn/Nask).
HR 3 december 2010, JOR 2011/63, m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.). In vergelijkbare zin reeds Van Boom 1993, p. 722.
Vgl. ook Meijers 1958, p. 102-103, over de gevolgen van een ingrijpende wijziging van de rechtsverhouding op het voortbestaan of ontstaan van een verbintenis.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 787.
HR 3 december 1999, JOR 2000/17, m.nt. Boekraad, NJ 2000/53, m.nt. P. van Schilfgaarde (LISV/Wilderink q.q).
HR 12 november 1993, NJ 1994/229, m.nt. W.M. Kleijn (Frima q.q./Blankers).
Zie HR 18 juni 2004, JOR 2004/221, m.nt. G.A.J. Boekraad, NJ 2004/617, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van Galen q.q./Circle Vastgoed) en HR 19 april 2013, JOR 2013/224, m.nt. G.A.J. Boekraad, NJ 2013/291, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Koot Beheer/Tideman q.q.).
Zie Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/249; Asser/Maeijer 5-V 1995/157 e.v.; en HR 3 mei 1968, NJ 1968/267, m.nt. G.J. Scholten (Otten).
HR 25 maart 1988, NJ 1989/200, m.nt. W.M. Kleijn (Staal Bankiers/Ambags q.q.).
HR 3 december 2010, JOR 2011/63, m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.).
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 482-483. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/333.
Vgl. HR 23 mei 2014, JOR 2014/252, m.nt. B.A. Schuijling (ABN AMRO/UBO 35). Vgl. ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/325 ten aanzien van schuldvernieuwing.
108. Bij vorderingen met een contractuele grondslag rijst in het bijzonder de vraag of de vordering reeds ontstaat door het enkele tot stand komen van de obligatoire overeenkomst of dat zij afhankelijk is van een nader rechtsfeit. Het bestaan van een vordering kan nog niet worden aangenomen op de enkele grond dat zij haar onmiddellijke grondslag vindt in een reeds bestaande rechtsverhouding.1 Bij wederkerige overeenkomsten, in het bijzonder degene die tot (periodieke) opeenvolgende of voortdurende prestaties verplichten (duurovereenkomsten), speelt de vraag of het ontstaan van een vordering uit die overeenkomst afhankelijk is van de verrichting van de daartegenover staande prestatie.2
Hierna komen achtereenvolgens aan bod het ontstaansmoment van vorderingen uit enkele benoemde duurovereenkomsten (zoals huur en arbeidsovereenkomst), uit opdracht en aan opdracht verwante overeenkomsten (zoals aanneming van werk), uit geldlening en betalingstransacties en, tot besluit, vorderingen als gevolg van de beëindiging of wijziging van een overeenkomst.3 Voor een deel van de te behandelen vorderingen heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld over het ontstaansmoment. Voor de overige vorderingen zal het vermoedelijke ontstaansmoment worden aangewezen aan de hand van de aard van de betrokken overeenkomst en de verwantschap met reeds besliste gevallen.
– Duurovereenkomsten: huur, huurkoop en pacht
109. Een vordering uit een bestaande duurovereenkomst kan voor haar ontstaan afhankelijk zijn van de verrichting door de schuldeiser van de prestatie waarvoor de vordering de tegenprestatie vormt. Mocht deze onzekere omstandigheid zich niet voordoen, dan ontstaat de vordering niet. In ieder geval voor huurvorderingen geldt dat zij in principe afhankelijk zijn van de verschaffing van het daartegenover staande huurgenot van het verhuurde goed.
In het arrest WUH/Emmerig q.q. speelde het ontstaansmoment van huurvorderingen in de context van een zekerheidscessie.4 Deze vorderingen kunnen, volgens de Hoge Raad, niet worden geacht hun bestaan reeds aan te vangen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand komt. Het ontstaan van huurvorderingen is afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot, waarvoor de desbetreffende termijn de tegenprestatie vormt. Dit geldt ongeacht of het een huurovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd betreft. De huurvorderingen kunnen niet gelijk worden gesteld met terstond bij het sluiten van een overeenkomst reeds hun bestaan aanvangende vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling, of met vorderingen tot terstond vaststaande periodieke betalingen.5
Het oordeel werd door de Hoge Raad gemotiveerd met een beroep op de aard van de huurovereenkomst, zoals deze (thans) tot uitdrukking komt in de art. 7:201, 203-208, 210 en 220 BW.6 Het oordeel van de Hoge Raad beperkt zich overigens tot het geval dat de nog niet verschenen huurtermijnen het huurgenot betreffen over een tijdvak dat nog moet aanvangen of nog niet is geëindigd. Het ontstaansmoment van de desbetreffende huurvordering zal bovendien vroeger zijn gelegen indien de huurtermijn bij vooruitbetaling dient te worden voldaan. Ik zou willen aannemen dat in dat geval de huurvordering al ontstaat op het tijdstip waarop deze termijn dient te worden voldaan, dat wil zeggen opeisbaar wordt, ongeacht of het met deze betaling corresponderende tijdvak nog moet aanvangen of eindigen.7
Een verwarrend element is het tijdstip waarop de huurbetalingsverplichting van de huurder aanvangt. Buiten de context van cessie en verpanding van huurvorderingen, volgt uit de wettelijke regeling in titel 7.4 BW en de rechtspraak van de Hoge Raad dat deze huurbetalingsverplichting van de huurder een bestaande verbintenis betreft. Dit wekt eenvoudig de suggestie dat de verhuurder daaraan een bestaande vordering tot huurbetaling ontleent.8 De verplichting van de huurder tot het voldoen van een tegenprestatie is een essentieel kenmerk van de huurovereenkomst (vgl. art. 7:201 lid 1 BW). De huurder dient de tegenprestatie op overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen (art. 7:212 BW). Indien de verhuurder tekortschiet in zijn verplichting om huurgenot te verschaffen, kan de huurder – onder omstandigheden – de betaling van de huurprijs opschorten (art. 6:262 BW), de huurovereenkomst (gedeeltelijk) ontbinden (art. (6:270 jo.) 6:265 BW) of vermindering van de huurprijs vorderen (art. 7:207 BW).9 In het arrest HR 10 augustus 2012, NJ 2012/483 (Menckeberg-Kalse/LüskeBos) overweegt de Hoge Raad in algemene zin dat de aard van de huurovereenkomst meebrengt dat, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de overeenkomst van partijen anders voortvloeit, de in die overeenkomst bepaalde tegenprestatie van de huurder is verschuldigd vanaf het moment waarop de verhuurder het gehuurde aan de huurder in gebruik heeft verstrekt. Dit brengt, volgens de Hoge Raad, mee dat die tegenprestatie, behoudens andersluidende afspraken, opeisbaar wordt wanneer de verhuurder de zaak in gebruik heeft verstrekt. De wetgever en de Hoge Raad lijken daarmee uit te gaan van het bestaan van een (duur)verbintenis van de huurder tot het voldoen van de tegenprestatie. De daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot is – naast het ingaan van de huur – geen vereiste voor het ontstaan van deze opeisbare verplichting, zij is slechts een reden voor opschorting, ontbinding of anderszins huurprijsvermindering. Niettemin zou ik uit de wettelijke regeling en voornoemde rechtspraak niet willen afleiden dat de wetgever of de Hoge Raad zijn terugkomen op het oordeel in het arrest WUH/Emmerig q.q. Noch in de parlementaire toelichting op de huidige regeling, noch in de rechtspraak van de Hoge Raad is de problematiek van cessie en verpanding van toekomstige huurtermijnen uitdrukkelijk heroverwogen. Daarmee resteert echter wél een – onwenselijke – terminologische verwarring tussen de toekomstige huurvorderingen ten aanzien van toekomstige huurtermijnen en de bestaande (zelfs opeisbare) huurbetalingsverplichting uit hoofde van een aangevangen huur.
110. Het ontstaansmoment van huurvorderingen moet worden onderscheiden van die van vorderingen uit huurkoop. Het wordt algemeen aangenomen dat de met de huurkooptermijnen corresponderende vorderingen terstond ontstaan met het sluiten van de huurkoop.10 Dit verschil kan worden verklaard door het verschil in karakter tussen beide typen contract. De huurkoop is een bijzondere vorm van de koop op afbetaling (art. 7A:1576h BW) en verplicht de huurverkoper in beginsel slechts tot het ter beschikking stellen van het verkochte goed. Voor alle opeisbare en niet-opeisbare termijnen uit overeenkomsten die de strekking van huurkoop hebben (vgl.art. 7A:1576h lid 2 en 3 BW), mag worden aangenomen dat de koopprijsvorderingen terstond (periodiek) zijn verschuldigd bij het van kracht worden van de overeenkomst.11
111. De rechtsregel uit het arrest WUH/Emmerig q.q. is van overeenkomstige toepassing op het ontstaansmoment van vorderingen tot betaling van de pachtprijs.12 Dit ligt in de rede gelet op de nauwe verwantschap tussen de overeenkomsten van huur en pacht, dat in wezen een huur van grond ter uitoefening van de landbouw is.13 Het ontstaan van pachtprijsvorderingen is aldus mede afhankelijk van het daadwerkelijk ter beschikking stellen en laten van het verpachte, waarvoor de pachttermijn de tegenprestatie vormt.
– Duurovereenkomsten: arbeidsovereenkomst
112. Het loon dat krachtens de arbeidsovereenkomst door de werkgever aan de werknemer wordt verschuldigd, vormt de vergoeding ter zake van de bedongen arbeid.14 Het ontstaan van deze loonvordering, is – naar alle waarschijnlijkheid – in principe afhankelijk van de verrichting van de bedongen tegenprestatie over het relevante tijdvak. Dit spoort met de aard en regeling van de arbeidsovereenkomst. Het adagium “geen arbeid, geen loon” vormt hier het uitgangspunt en is met zoveel woorden neergelegd in art. 7:627 BW: geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. Met andere woorden, het loon moet eerst door arbeid worden verdiend. Dat is slechts anders voor zover het niet-verrichten van de arbeid een oorzaak heeft die voor rekening komt van de werkgever (art. 7:628 BW), bij loondoorbetaling bij ziekte (art. 7:629 BW) en gedurende vakantie (art. 7:639 BW). Wordt het loon naar tijdruimte vastgesteld, dan zal de loonvordering telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon krachtens de arbeidsovereenkomst moet worden berekend, ontstaan.15 Voor variabel loon, dat mede afhankelijk is van andere toekomstige onzekere gebeurtenissen dan het verrichten van arbeid (zoals een provisie, prestatieloon of winstdeling) geldt in beginsel dat deze vordering ontstaat zodra het verschuldigde bedrag kan worden bepaald.16 In de praktijk wordt geregeld overeengekomen dat het loon eerder wordt betaald dan wettelijk voorgeschreven, bijvoorbeeld reeds voor afloop van het tijdvak waarop het loon betrekking heeft. In die gevallen meen ik dat de loonvordering reeds ontstaat op het moment waarop de “vooruitbetaling” van het loon opeisbaar is. Zou de werknemer na de betalingsdatum en vóór het einde van het tijdvak niet meer werken, dan doet dit niet af aan de verschuldigdheid van de loonbetaling.17 Zij is immers geschied ter delging van een opeisbare verbintenis. Niettemin heeft de werkgever een recht op vergoeding van het – achter bezien – teveel betaalde loon.
– Onderhanden werk: aannemingsovereenkomst
113. Een andere categorie vorderingen betreft de vorderingen uit het zogeheten “onderhanden werk”. Hoewel onderhanden werk geen vastomlijnd (juridisch) begrip is, wordt er doorgaans mee gedoeld op bestaande, maar nog niet volledig uitgevoerde overeenkomsten van opdracht en aanneming van werk.18
De overeenkomst van aanneming verplicht de aannemer jegens de opdrachtgever tot het – buiten dienstbetrekking – tot stand brengen en opleveren van een werk van stoffelijke aard tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs (aanneemsom). Ontstaat de vordering van de aannemer tot betaling van de aanneemsom reeds (voorwaardelijk) bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst of op een later tijdstip? In de literatuur wordt aangenomen dat, tenzij anders overeengekomen, de betalingsverplichting van de opdrachtgever eerst ontstaat nadat het bedongen werk is tot stand gebracht en opgeleverd. De vordering van de aannemer tot betaling van de verschuldigde prijs is daarmee in haar ontstaan afhankelijk van het verrichten van de daar tegenover staande prestatie.19 Dit brengt mee dat als uitgangspunt de aanneemprijsvordering eerst ontstaat bij oplevering van het gehele werk. Het uitbrengen van een factuur door de opdrachtgever is voor dit ontstaansmoment niet relevant.20
Van het uitgangspunt dat de aanneemprijsvordering ontstaat bij oplevering kan worden afgeweken, hetgeen zich in de praktijk geregeld voordoet. De opdrachtgever en aannemer zullen vaak afspreken dat de betaling van de aanneemprijs in een aantal termijnen zal geschieden. De verschuldigdheid van deze termijnen wordt veelal gekoppeld aan het bereiken van een zekere stand van het werk.21 Zodra een termijn wordt verschuldigd ingevolge een dergelijke termijnregeling, is sprake van een bestaande vordering van de aannemer, ongeacht of het werk als zodanig nog niet is opgeleverd.22
– Onderhanden werk: opdracht
114. Verbindt een partij, de opdrachtnemer, zich bij overeenkomst jegens de andere partij, de opdrachtgever, tot het verrichten van werkzaamheden (anders dan op grond van arbeidsovereenkomst, bewaarneming, aanneming van werk, uitgeefovereenkomst of vervoersovereenkomst) dan heeft men van doen met een overeenkomst van opdracht.23 Deze overeenkomst kan meebrengen dat de opdrachtgever een vergoeding (loon) is verschuldigd aan de opdrachtnemer.24 De aanspraak op loon ontstaat als uitgangspunt eerst nadat de bedongen prestaties zijn verricht.25 Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken. Zo zal bij langlopende opdrachten al tijdens de uitvoering van de opdracht loon verschuldigd kunnen zijn. Daarnaast is mogelijk dat slechts loon is verschuldigd, indien de werkzaamheid van de opdrachtnemer tot het beoogde resultaat heeft geleid. Of loon verschuldigd is indien geen resultaat wordt bereikt, hangt af van de inhoud en de strekking van de overeenkomst (bijvoorbeeld afspraken op basis van no cure, no pay of pars quota litis), en voorts van het gebruik. Zo zullen de bemiddelaar, commissionair en handelsagent in het algemeen eerst een aanspraak op loon (provisie) verkrijgen, zodra de beoogde transactie tot stand komt.26
115. Een bijzondere opmerking verdient de loonaanspraak van de hulpverlener uit hoofde van een geneeskundige behandelingsovereenkomst als species van de opdracht. Het gaat daarbij om de tegenprestatie voor de verrichting van medische handelingen.27 In beginsel is de opdrachtgever (in de regel tevens de patiënt) de hulpverlener loon verschuldigd. Dit is anders voor zover de hulpverlener voor zijn werkzaamheden loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde.28 De uitzondering houdt ermee verband dat de hulpverlener in de gezondheidszorg zijn declaratie vaak rechtstreeks bij de zorgverzekeraar van de patiënt kan indienen.29 De verschuldigdheid van het loon ontstaat zodra de overeengekomen handeling is verricht. Echter, bij langdurige behandelingen kan tijdens de uitvoering van de overeenkomst meermalen loon verschuldigd zijn.30 De tussentijdse aanspraak op loon (bijvoorbeeld periodiek of na iedere verrichte deelbehandeling) kan zijn overeengekomen, maar kan evenzeer uit het gebruik voortvloeien.
De tarieven, de declaraties en het betalingsverkeer ter zake van geneeskundige behandelingen zijn in hoge mate publiekrechtelijk gereguleerd. Zo geeft de Wet marktordening gezondheidszorg de Zorgautoriteit onder meer de bevoegdheid om – ten behoeve van het stroomlijnen van het declaratie- en betalingsverkeer – regels vast te stellen omtrent de wijze waarop en voorwaarden waaronder aan wie, door wie, namens wie of via wie een tarief in rekening wordt gebracht.31 De vergoeding kan in de regel eerst gedeclareerd worden na afronding van de behandeling (of na het verloop van de maximale administratieve looptijd daarvan), mits de behandeling op de juiste wijze is geadministreerd en gevalideerd. In dit kader rijst de vraag of de vordering van de hulpverlener in haar ontstaan afhankelijk is van de vervulling van deze declaratieregels. Het antwoord op deze vraag lijkt ontkennend te zijn. De bevoegdheid tot het stellen van declaratieregels maakt namelijk geen inbreuk op de rechten en plichten van degenen die de prestatie verrichten en het tarief mogen declareren, degenen die de betaling van de declaratie verschuldigd zijn en degenen die geacht worden de declaratie te betalen.32 Uit rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven volgt dat de publiekrechtelijke zorgwetgeving geen zelfstandig recht op betaling voor een prestatie door een zorgverlener in het leven roept. Deze wetten scheppen, voor zover het om tariefregulering gaat, slechts publiekrechtelijke verplichtingen voor de betrokken partijen met betrekking tot met name de hoogte en declaratiewijze van de prijs voor een prestatie, die in acht genomen moeten worden telkens wanneer een zorgaanbieder jegens een ander aanspraak maakt op betaling als tegenprestatie voor verrichte of te verrichten diensten. Voor het geldend kunnen maken van een aanspraak op betaling zal een civielrechtelijke grondslag moeten bestaan. Doorgaans betreft het een loonvordering die de opdrachtgever in het kader van een geneeskundige behandelingsovereenkomst aan de hulpverlener is verschuldigd.33 De slotsom is dat de publiekrechtelijke declaratie- en betalingsregels geen invloed uitoefenen op het ontstaan van de vorderingen van de hulpverlener uit hoofde van de geneeskundige behandelingsovereenkomst.34
– Geldlening en banksaldo
116. In de verhouding van een bank tot haar cliënt kunnen verscheidene vorderingen over en weer ontstaan uit hoofde van hun contractuele verhouding. Deze paragraaf beperkt zich tot vorderingen uit hoofde van een tussen de bank en de cliënt overeengekomen kredietovereenkomst (geldlening) of rekening-courantverhouding (bankrekening).
– Geldlening
117. Een overeenkomst van geldlening is een overeenkomst van verbruikleen waarbij de ene partij (kredietgever) zich verbindt om aan de andere partij (kredietnemer) een som geld te verstrekken en de kredietnemer zich verbindt om een gelijke som geld terug te verstrekken. De overeenkomst kan en zal in de regel inhouden dat de kredietnemer aan de kredietgever een vergoeding (rente) is verschuldigd.35 Op welk moment krijgt de kredietnemer een vordering op de kredietgever tot het verschaffen van het geld? Het antwoord op die vraag is in grote mate afhankelijk van het karakter van de geldlening als een reële of consensuele overeenkomst. Van oudsher wordt de geldlening aangemerkt als een reële overeenkomst die pas tot stand komt doordat – naast wilsovereenstemming tussen partijen – de geleende som aan de kredietnemer wordt verschaft.36 De kredietnemer zou aldus geen vordering hebben op de kredietgever tot uitbetaling conform het toegezegde krediet. Hieruit volgt echter nog niet dat het onmogelijk zou zijn om een contractuele verplichting tot het uitlenen van geld te scheppen. Voor zover nodig kan tussen partijen een voorovereenkomst (kredietovereenkomst) worden aangenomen, die (afdwingbaar) opgevolgd dient te worden door een geldlening.37 De kredietnemer zou in dat geval een vordering hebben tot het aangaan van een nadere overeenkomst van geldlening. Het reële karakter van de geldlening wordt echter betwist in de literatuur, in ieder geval voor zover een professionele kredietverlener partij is.38 Het toekennen van een consensueel karakter aan de geldlening, waarbij de enkele wilsovereenstemming over het te verlenen krediet volstaat om de overeenkomst tot stand te brengen, ligt ook in lijn met verscheidene ontwerpen voor een nieuwe regeling van de figuur.39 Neemt men reeds naar huidig recht aan dat de geldlening door consensus tussen partijen tot stand komt, dan verkrijgt de kredietnemer op datzelfde moment een vordering op de kredietgever tot uitbetaling van het overeengekomen krediet. Is de verschaffing van het geld echter nog afhankelijk van het “afroepen” van het krediet door de kredietnemer, zoals in het geval van een kredietfaciliteit, dan ontstaat pas een verbintenis voor de kredietgever tot uitbetaling van een bedrag uit de kredietruimte wanneer die cliënt van zijn bevoegdheid tot afroep gebruik maakt. Het enkele bestaan van een kredietovereenkomst tussen kredietgever en kredietnemer brengt in dat geval niet mee dat de kredietgever reeds een – vooralsnog voorwaardelijke – vordering heeft op de kredietnemer.40 Zodra het geld is verschaft aan de kredietnemer, komt op hem de verbintenis te rusten om een gelijke som terug te verstrekken (vgl. art. 7A:1800 BW). De kredietgever verkrijgt aldus door het verstrekken van het geld onmiddellijk een vordering op de kredietnemer tot terugbetaling.41 Dat de kredietnemer niet gehouden is tot een eerdere aflossing dan overeengekomen (art. 7A:1796 BW), werkt slechts in op de opeisbaarheid van de vordering.42 Op het bestaan van de vordering heeft deze tijdsbepaling geen invloed.
– Rente
118. Het is gebruikelijk dat de kredietnemer een vergoeding is verschuldigd aan de kredietnemer over de geleende som en dat deze vergoeding evenredig is aan de omvang en de duur van het krediet (rente).43 Over het ontstaansmoment van deze rentevordering bestaat geen eenduidigheid. In de literatuur bestaan verschillende opvattingen over het ontstaansmoment van het (contractuele) recht op rente.44 Onderscheid kan worden gemaakt naar gelang de rente reeds is “verschenen”, zij nog “loopt” of de termijn waarover zij is verschuldigd nog moet aanvangen.45 Verschenen rente is opeisbaar, terwijl lopende rente en toekomstige rentetermijnen dat nog niet zijn.46 Hiermee is echter nog niet beslist of de lopende rente en de toekomstige rentetermijnen ook vooralsnog toekomstige vorderingen zijn. Het ligt naar mijn mening het meest in de rede om voor het ontstaansmoment van de rentevordering aan te knopen bij het tijdstip van haar opeisbaarheid. Dit sluit aan bij art. 3:9 lid 4 BW dat bepaalt dat een burgerlijke vrucht, waarvan rente op een geldvordering een typisch voorbeeld is, zelfstandig wordt door haar opeisbaar worden. Zolang de rente niet opeisbaar is, is sprake van een toekomstige vordering.47 Bedongen rente verschijnt doorgaans aan het einde van een bepaalde overeengekomen periode (postnumerando).48 Overigens staat het partijen vrij om vooruitbetaling te bedingen van rente aan het begin van de periode (prenumerando).49 In dat geval ontstaat de rentevordering op dit eerdere tijdstip.
– Banksaldo
119. Een bankrekening kan worden gekwalificeerd als een rekening-courant tussen een bank en een rekeninghouder. Een rekening-courant is een afwikkelingsmechanisme voor bepaalde tussen partijen bestaande vorderingen en schulden.50 Een bankrekening wordt bijgehouden door de bank en het saldo in de rekening wordt vanuit het perspectief van de rekeninghouder geadministreerd. Verkrijgt de rekeninghouder een vordering op de bank, dan wordt dit bedrag in de rekening bijgeboekt. Heeft de rekeninghouder een schuld aan de bank, dan wordt de rekening met dit bedrag gedebiteerd.51 Voor zover een verrekeningsbevoegdheid bestaat, worden de vorderingen en schulden die in de rekening worden geboekt dadelijk en van rechtswege verrekend, zodat op ieder tijdstip alleen het saldo van de rekening is verschuldigd.52 Een eventueel creditsaldo is aldus door de bank aan de rekeninghouder verschuldigd.53 Dit creditsaldo kan overigens uit verschillende vorderingen van de rekeninghouder op de bank zijn samengesteld. De nog niet verrekende vorderingen in de rekening blijven immers voortbestaan, zonder wijziging in hun aard of identiteit. Tenzij anders overeengekomen, worden zij niet door boeking in de rekening genoveerd.54
Door Wibier is nadrukkelijk gesuggereerd dat het bestaan van een creditsaldo nog niet meebrengt dat de rekeninghouder een of meer bestaande vorderingen op de bank heeft. Hij stelt, onder verwijzing naar het arrest Huijzer q.q./Rabobank, dat het waarschijnlijk is dat een saldo pas een concrete vordering op de bank oplevert nadat de rekeninghouder heeft gekozen op welke wijze hij het saldo wil aanwenden.55 Nu blinken de arresten Huijzer q.q./Rabobank en het daarop aansluitende arrest ING/Manning q.q. niet uit in helderheid omtrent de status van het creditsaldo, maar voor twijfel over de status van een creditsaldo als een vordering op de bank geven zij naar mijn mening niet de minste aanleiding. Het betrof in die zaken de vraag of de bank de bedragen die zij ten laste van het creditsaldo aan een derde heeft voldaan ingevolge een door de gefailleerde rekeninghouder na diens faillietverklaring gegeven betalingsopdracht aan de boedel kan tegenwerpen, indien de bank op de hoogte was of moest zijn van het faillissement. Voor de toepassing van art. 52 Fw oordeelde de Hoge Raad dat hier geen sprake kan zijn van de nakoming van een verbintenis die vóór het faillissement is ontstaan. Het creditsaldo ten gunste van de rekeninghouder betekent nog niet dat op die enkele grond reeds een verbintenis tot betaling voor de bank bestaat, aldus de Hoge Raad. De verbintenis tot het doen van een betaling ontstaat telkens eerst op het moment dat de rekeninghouder een door de bank aanvaarde concrete betalingsopdracht verstrekt, en eerst vanaf dat moment is de bank verplicht overeenkomstig de instructie van de rekeninghouder ten laste van het saldo van de rekeningcourant een betalingsopdracht uit te voeren en gerechtigd het bestaande creditsaldo met een corresponderend bedrag te verminderen.56 Uit deze overwegingen zou men kunnen afleiden dat volgens de Hoge Raad het creditsaldo van een bankrekening tot het tijdstip van een concrete betaalopdracht nog geen bestaande vordering oplevert van de rekeninghouder op de bank. Daarmee zouden de overwegingen van de Hoge Raad ten onrechte buiten hun context worden toegepast. De genoemde verbintenis tot het doen van een betaling ten laste van het saldo ziet niet op het bestaan van de vordering van de rekeninghouder op de bank uit hoofde van het saldo, maar op de bevoegdheid van de bank tot het verrichten van een betaling. De bank heeft bij een creditsaldo immers een schuld aan de rekeninghouder, maar zij mag deze schuld pas voldoen na een geldige opdracht daartoe.57 Het bestaan van een vordering van de rekeninghouder op de bank blijkt bovendien uit de mogelijkheid van beslag op het creditsaldo,58 en die tot verpanding van het creditsaldo.59 Aldus lijdt het geen twijfel dat in het creditsaldo van een bankrekening een of meer bestaande vorderingen van de rekeninghouder op de bank zijn begrepen.60
– Girale betalingen
120. De bankrekening kan worden gebruikt als een middel tot deelname aan het girale betalingsverkeer (betaalrekening). Dit verkeer vormt een belangrijke bron van vorderingen van de rekeninghouder op diens bank. Een girale betaling vindt plaats doordat en zodra het verschuldigde bedrag wordt gecrediteerd op een daartoe bestemde rekening ten name van de schuldeiser.61 De schuldenaar kan zich aldus van zijn schuld kwijten door zijn schuldeiser een (vervangende) vordering te verschaffen op de bank waar hij zijn betaalrekening aanhoudt.62 Het volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat door de creditering van de rekening de bank zich het bijgeboekte bedrag schuldig verklaart aan de rekeninghouder. De bank verschaft de rekeninghouder door creditering een vordering op de bank.63 Dit tijdstip van creditering is in de regel niet moeilijk vast te stellen.64
Het is niettemin denkbaar dat de vordering van de rekeninghouder op zijn bank reeds ontstaat vóór het tijdstip van creditering. Het gaat erom of de rekeninghouder de macht over de gelden kan uitoefenen, hetgeen onder omstandigheden ook mogelijk is zonder dat de gelden op de bankrekening van de rekeninghouder zijn bijgeschreven.65 Omgekeerd is het eveneens mogelijk dat ondanks de creditering – achteraf beschouwd – geen vordering van de rekeninghouder op zijn bank is ontstaan. Uit de rechtsverhouding tussen hen kan voortvloeien dat de bijschrijving in bepaalde gevallen boekhoudkundig ongedaan gemaakt kan worden. Daarbij valt te denken aan de ongedaanmaking van de creditering als gevolg van een gestorneerde automatische incasso, van een onjuiste boeking of van een onbevoegd gegeven betaalopdracht. Als gevolg van de uitoefening van een dergelijke bevoegdheid om de creditering administratief terug te boeken, is ondanks de aanvankelijke bijboeking van de rekening geen vordering van de rekeninghouder op de bank ontstaan ter grootte van het oorspronkelijk gecrediteerde bedrag.66
121. Andersoortige afdrachtvorderingen. De vordering van een rekeninghouder op zijn bank uit hoofde van de creditering van zijn bankrekening met een van een derde afkomstig bedrag is een belangrijk voorbeeld van een afdrachtvordering.67 Ook andersoortige rechtsverhoudingen kunnen leiden tot afdrachtverplichtingen van gelden en goederen die de ene partij (de tussenpersoon) ontvangt ten behoeve van de andere partij (de achterman). Deze afdrachtverplichting kan algemeen van aard zijn, bijvoorbeeld bij een assurantietussenpersoon, of bijzonder indien zij is gericht op het ontvangen en afdragen van bepaalde door partijen tevoren aangewezen gelden, zoals een incasso-opdracht aan een advocaat, de inschakeling van een notaris bij de levering van een registergoed of een derde-begunstiging onder een bankgarantie. De afdrachtverplichting van de tussenpersoon ontstaat in beide gevallen zodra hij ten behoeve van zijn achterman de goederen of gelden ontvangt. Indien bij deze inning door de tussenpersoon gebruik wordt gemaakt van een nadere tussenpersoon (een onderlasthebber), heeft dat geen invloed op het ontstaan van de vordering van de achterman of de tussenpersoon. Op het tijdstip dat de onderlasthebber gelden ontvangt ontstaat een vordering van de tussenpersoon op de onderlasthebber en tezelfdertijd een vordering van de achterman op de tussenpersoon tot afdracht van de geïncasseerde gelden.68 Het is aldus niet relevant voor de vordering van de achterman of zijn tussenpersoon reeds de beschikking heeft gekregen over de gelden.
– Vorderingen vanwege de beëindiging of wijziging van een overeenkomst
122. De beëindiging van een overeenkomst kan het ontstaan van tal van vorderingen tussen de voormalige contractspartijen veroorzaken. In de eerste plaats kan worden gedacht aan ongedaanmakings- en restitutievorderingen. Eindigt een overeenkomst door ontbinding of opzegging dan ontstaan de eventuele vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie als gevolg daarvan pas door de genoemde beëindigingshandeling, zodat de schuldeiser die vorderingen pas op dat moment verkrijgt. Aldus is tot de beëindiging geen sprake van reeds voordien (bij het sluiten van de overeenkomst of bij het verrichten van bepaalde prestaties uit hoofde van de overeenkomst) ontstane vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie onder de opschortende voorwaarde van ontbinding of opzegging. Dit volgt uit het arrest ING/Nederend q.q.69 Het betrof de restitutie van vooruitbetaalde pensioenpremies, voorschotten voor gasleveranties en een resterend frankeertegoed. Redengevend voor de Hoge Raad is dat door de ontbinding of opzegging de rechtsverhouding tussen partijen ingrijpend wordt gewijzigd, als gevolg waarvan veelal bestaande verbintenissen tot een einde komen en nieuwe verbintenissen (tot ongedaanmaking of restitutie) ontstaan.70 Deze uitkomst kan, voor zover de beëindiging niet van rechtswege intreedt, ook worden verklaard doordat de desbetreffende vorderingen afhankelijk zijn van het uitbrengen van een wilsverklaring tot opzegging of ontbinding door een van de partijen bij de overeenkomst. Overigens zal niet ieder “tegoed” dat een partij bij zijn wederpartij aanhoudt, pas bij beëindiging een vordering (tot afgifte) opleveren. Heeft het tegoed niet het karakter van een vooruitbetaling, maar bijvoorbeeld veeleer dat van een waarborgsom, dan zal – aangenomen dat partijen geen pandrecht op geld beogen te vestigen – reeds door het storten van de waarborgsom een vordering ontstaan op degene die de som heeft bedongen en ontvangen.71
In de tweede plaats kunnen sommige bijzondere overeenkomsten bij hun beëindiging bepaalde aanspraken verlenen aan een van de contractspartijen. De vorderingen ontstaan als uitgangspunt eveneens bij beëindiging van het contract. Voor arbeidsovereenkomsten kan worden gewezen op de verplichting om bij einde dienstverband niet-genoten vakantiedagen in geld uit te keren (art. 7:641 lid 1 BW). Deze vordering ontstaat volgens de Hoge Raad eerst bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.72 De opzegging van de arbeidsovereenkomst vormt ook de aanleiding voor het ontstaan van een eventuele verplichting van de werkgever tot affinanciering van de premievrije pensioenaanspraak van de werknemer. Eerst door de opzegging van de arbeidsovereenkomst ontstaat deze vordering van de werknemer. Van een voordien reeds bestaande verbintenis onder opschortende voorwaarde is uitdrukkelijk geen sprake.73
Bij huurovereenkomsten geeft de beëindiging aanleiding tot de opleveringsplicht van de huurder (vgl. art. 7:224 BW). Zowel de daaruit voortvloeiende ontruimingsplicht als de verplichting om de schade aan het gehuurde te herstellen of te vergoeden, zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen die bij het einde van de huur ontstaan.74
Een laatste voorbeeld houdt verband met de beëindiging van een overeenkomst van vennootschap (maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap). De vennootschap is een hoogstpersoonlijke rechtsbetrekking. Zij wordt door de vennoten aangegaan intuitu personae, als gevolg waarvan de vennootschap in beginsel wordt ontbonden door dood, curatele, faillissement of wettelijke schuldsanering van één van de vennoten.75 In de vennootschapsovereenkomst kunnen echter voortzettingsregelingen worden opgenomen om de continuïteit van de vennootschap tussen de resterende vennoten mogelijk te maken. Deze regelingen bestaan in de regel uit de afspraak tot voortzetting van de vennootschap in een gewijzigde samenstelling en, in verband daarmee, afspraken die beogen het vermogen van de vennootschap zo veel als nodig is bijeen te houden. Deze voortzettingsregelingen kunnen automatische werking hebben of afhankelijk zijn gemaakt van een nadere wilsverklaring.76 De uitgetreden vennoot zal in de regel recht hebben op een waardevergoeding van zijn deelgerechtigdheid in het vermogen van de voortgezette vennootschap. De omvang van deze vergoeding hangt af van hetgeen de vennoten daaromtrent zijn overeengekomen of, bij gebreke van een afspraak, van de inbreng van de uitgetreden vennoot en de grondslag waarop hij in winsten en verliezen deelt.77 Het ontstaansmoment van een voortzettingsregeling zonder automatisch effect is aan de orde geweest in HR 25 maart 1988, NJ 1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.). Het betrof een regeling voor het geval een van de maten failleerde. De maatschap werd ontbonden, tenzij de overige maten binnen een zekere termijn zouden beslissen om de maatschap voort te zetten. Tevens zouden de overige maten het maatschapsaandeel van de gefailleerde maat kunnen overnemen tegen een verplichting om hem de waarde van dit aandeel te vergoeden. Deze waardevergoedingsvordering van de gefailleerde op zijn maten was afhankelijk van twee wilsverklaringen van de overige maten, namelijk (i) de keuze om de maatschap voort te zetten en (ii) de uitoefening van hun recht om het maatschapsaandeel over te nemen. Volgens de Hoge Raad ontstaat een dergelijke vordering, die afhankelijk is van wilsverklaringen van de debiteur, eerst door aflegging van deze wilsverklaringen.78 Voor het geval van een automatische voortzettingsregeling ligt het in de rede om het ontstaansmoment aan te knopen bij het tijdstip waarop de regeling in werking treedt, hetgeen in de regel het tijdstip is waarop de vennootschapsovereenkomst ten aanzien van de uittredend vennoot eindigt. Dat sluit aan bij de overweging in het arrest ING/Nederend q.q. dat de rechtsverhouding tussen partijen door een ontbinding of opzegging ingrijpend wordt gewijzigd, als gevolg waarvan nieuwe verbintenissen tot ongedaanmaking of restitutie ontstaan.79
123. De wijziging van een overeenkomst kan, op vergelijkbare wijze als een beëindiging, zodanig ingrijpen in de rechtsverhouding tussen partijen dat hierdoor bestaande verbintenissen tot een einde komen en nieuwe verbintenissen ontstaan. Echter, niet iedere aanpassing van een bestaande overeenkomst zal leiden tot nieuwe verbintenissen. De vergelijking dringt zich hier op met novatie (schuldvernieuwing) waarbij krachtens overeenkomst een bestaande verbintenis wordt vervangen door een andere. In dat geval doet de schuldeiser afstand van zijn vordering waartegen de schuldenaar een nieuwe verbintenis op zich neemt (afstand om baat). De afstand heeft tot gevolg dat het oorspronkelijke vorderingsrecht tenietgaat, ook wanneer de afstand geschiedt in het kader van een (objectieve of subjectieve) schuldvernieuwing.80 Ook hier geldt dat niet iedere wijziging van de inhoud van de verbintenis door een nadere overeenkomst een schuldvernieuwing oplevert. Schuldvernieuwing zal moeten worden aangenomen indien (i) partijen ondubbelzinnig uitspreken dat zij zich van de bestaande verbintenis losmaken en hun rechtsverhouding uitsluitend door de nieuwe overeenkomst bepaald willen zien; of (ii) de nieuwe overeenkomst aan de verbintenis een zo afwijkende inhoud of strekking geeft dat deze naar verkeersopvatting niet meer als ‘dezelfde’ kan worden beschouwd.81 Van dit laatste zal sprake zijn indien het karakter van de overeenkomst wijzigt, bijvoorbeeld van huur naar koop. De wijziging van de omvang van de verbintenis of van bijkomstige eigenschappen van de rechtsverhouding zal daarentegen nog geen tenietgaan en ontstaan van vorderingen tot gevolg hebben. In het bijzonder is daarvan geen sprake indien de wederzijdse verplichtingen slechts worden gereduceerd.82