Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.8.3
6.8.3 Evenwichtige belangenbehartiging
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687262:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
S. de Laat, ‘De medezeggenschap voor gepensioneerden in pensioenfondsen’, SR 1988/4, p. 117-118; Th.L.J. Bod, Het juridische kader van pensioen, Preadvies voor de ledenvergadering van Vereniging voor Pensioenrecht gehouden op 26 maart 1996 te Nieuwegein, Deventer: Kluwer 1996, p. 32; Th.L.J. Bod, ‘De autonomie van de pensioenregeling en van de uitvoering daarvan door het pensioenfonds’, in: CSO, Onverdeeld vermogen, inkomen en vermogen van ouderen en medezeggenschap bij pensioenfondsen, Utrecht: Uitgeverij SWP 1996, p. 49; R.H. Maatman, Het pensioenfonds als vermogensbeheerder, Deventer: Kluwer 2004, p. 148; P.S. van Straten, ‘Het civielrechtelijke toepassingsbereik van de evenwichtige belangenbehartiging’, TPV 2020/2.
J.G.G. Neven, ‘Wetsontwerp regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen aanvaard’, TPV juli 1989, p. 63; R.M. Beltzer, ‘Zeggenschap van gepensioneerden’, SMA 2001/10, p. 479; R.H. Maatman, ‘Pensioen en pensioenfonds in transitie’, Ondernemingsrecht 2013/109; I. Witte, ‘Evenwichtige vertegenwoordiging’, TPV 2016/5; M. Heemskerk, ‘Evenwichtige belangenafweging, zo doet u dat!’, TPV 2020/3.
Kamerstukken I 1988/89, 19008, nr. 253c, p. 3; zo ook E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV januari 1990, p. 16. Een hardere norm zou daardoor niet mogelijk zijn, aldus Kamerstukken I 1988/89, 19008, nr. 253c, p. 7.
Slechts als voorbeelden van feitelijke instanties noem ik Ktr. Amsterdam 28 augustus 1996, PJ 1996/73 (Kamermans/Pensioenfonds Bull Nederland c.s.); CBb 4 juli 2000, PJ 2000/62 (Pensioenfonds TNO/Verzekeringskamer); Hof Amsterdam (OK) 12 april 2011 (Deelnemersraad Shell Pensioenfonds/Shell Pensioenfonds); Rb. Rotterdam 25 april 2013, PJ 2013/169 (Pensioenfonds Johnson & Johnson/DNB); Rb. Rotterdam 28 augustus 2015, PJ 2015/161, m.nt. I.R.W. Witte (Alcatel-Lucent Pensioenfonds/DNB). Volgens CBb 15 februari 2017, PJ 2017/39 (DNB/Pensioenfonds voor het Slagersbedrijf), is een schending niet pas aan de orde als de belangenafweging ‘evident onredelijk’ is.
E. Lutjens, ‘Indexering op de tocht: gepensioneerden in de kou?’, NJB 2002/28, p. 1344.
Kamerstukken II 2013/14, 33847, nr. 7, p. 22; Kamerstukken I 2013/14, 33847, D, p. 14 en p. 24; Kamerstukken I 2013/14, 33847, F, p. 10. Zo ook bevestigd als norm 1 in de Code Pensioenfondsen: het bestuur voert de regeling naar beste vermogen uit, in een evenwichtige afweging van belangen, en heeft hiervoor de eindverantwoordelijkheid.
A.F. Verdam, ‘Toezicht en verantwoording binnen het pensioenfonds’, WPNR 2011/6871; K. Bitter e.a., ‘Governance pensioenfondsen’, in: E.K. Beckers e.a. (red.), Pensioenrecht in beweging, Vereniging voor Pensioenrecht, Den Haag: Sdu 2015, p. 254-255.
R.H. Maatman en S.R. Schuit, ‘Versterking bestuur pensioenfondsen’, Ondernemingsrecht 2012/68. Volgens P.S. van Straten, ‘Het civielrechtelijke toepassingsbereik van de evenwichtige belangenbehartiging’, TPV 2020/2, zijn belangenconflicten onderdeel van de taak van evenwichtige belangenbehartiging door het systeem van solidariteit binnen een pensioenfonds. Zij meent daarom dat er sprake moet zijn van grove verontachtzaming van de belangen wil vernietiging aan de orde zijn (overduidelijke onevenwichtigheid).
Vergelijk: E. Lutjens, De PSW: Wetshistorisch overzicht en commentaar, Deventer: Kluwer 1998, p. 91, waar de auteur betoogt dat bij bijzondere omstandigheden, die neerkomen op een systematische benadeling van de (ex-)werknemer ten faveure van de (ex-)werkgever, het in strijd kan komen met evenwichtige belangenbehartiging als een overschot niet in de pensioensfeer wordt besteed.
Hof Amsterdam (OK) 9 juli 2002, PJ 2002/97, m.nt. W. van Heest, ARO 2002/107, JOR 2002/230 (Deelnemersraad Pensioenfonds Protector/Pensioenfonds Protector).
In gelijke zin Hof Den Haag 16 april 2019, PJ 2019/60, m.nt. W.P.M. Thijssen (gepensioneerden/Pensioenfonds Metaal en Techniek).
R.H. Maatman, Het pensioenfonds als vermogensbeheerder, Deventer: Kluwer 2004, p. 142 en p. 146-147.
E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, S&V 1990, p. 10.
Vergelijk: F.H.W. Brouwer, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen en -regelingen’, TPV juni 2001/3, p. 66. Ook P.S. van Straten, ‘Het civielrechtelijke toepassingsbereik van de evenwichtige belangenbehartiging’, TPV 2020/2, meent dat beargumenteert kan worden dat de ex-werknemer betrokkene is omdat het doel van de stichting is gericht op hun belangen. Wel meent zij dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of ook de ex-werkgever betrokkene is. J.M. Blanco Fernández, ‘Het toepassingsbereik van artikel 2:8 BW’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 129 en p. 131, schaart begunstigden aan wie op grond van de statuten van een stichting een recht tot uitkering toekomt onder de kring van artikel 2:8 BW, en werknemers in de werknemer-werkgever relatie erbuiten omdat zij niet in een rechtspersonenrechtelijke verhouding tot elkaar staan.
Rb. Amsterdam 14 juli 2004, PJ 2004/100, m.nt. E. Lutjens (Werknemers/Pensioenfonds Vliegend Personeel der KLM en Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers); Rb. Midden-Nederland 29 oktober 2014, PJ 2018/181, m.nt. M.J.C.M. van der Poel (gepensioneerde/Bedrijfstakpensioenfonds PNO).
Rb. Dordrecht 30 juni 1999, PJ 1999/68, m.nt. E. Lutjens (Vereniging van gepensioneerden Pensioenfonds Wessanen Zuivelgroep c.s./Pensioenfonds Wessanen Zuivelgroep c.s.).
Rb. Utrecht 14 maart 2007, PJ 2007/65 (werknemers/Pensioenfonds PGGM). Beroep op vernietigbaarheid van een besluit ook afgewezen in Hof ’s-Gravenhage 9 november 2007, PJ 2008/105 (ex-werknemer/Pensioenfonds Kemira); Hof Amsterdam 17 november 2009, PJ 2010/102, m.nt. L.H. Blom (ex-appellant/Pensioenfonds Medische Specialisten) en Rb. Den Haag 29 september 2021, PJ 2021/134, m.nt. E. Lutjens (eiser/Aegon Levensverzekering).
Ten aanzien van de schending van de plicht tot evenwichtige belangenbehartiging ex artikel 105 lid 2 Pw betogen meerdere auteurs1 dat een ex-werknemer zich bij schending van het vereiste rechtstreeks zou moeten kunnen beroepen op vernietiging van besluitvorming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 onder b BW), iets wat voorheen de goede trouw heette.2 Sommigen achten dit mogelijk indien sprake is van besluitvorming die stelselmatig tot voordeel strekt van de werknemers en tot nadeel van de ex-werknemers, anderen daarentegen achten het mogelijk bij voorkomende individuele besluiten. Ik denk dat het ‘stelselmatige’ aspect geen strikt vereiste is, maar wel een belangrijk bewijsmatig aspect. De plicht tot evenwichtige belangenbehartiging is nu eenmaal een open, bijzonder vage norm.3 De concrete invulling daarvan zal altijd afhangen van de omstandigheden van het geval, de zwaarte van de wederzijdse belangen en de aard van de te nemen besluiten.4 De rechtspraak waarin aan het vereiste is getoetst is daarom uitermate casuïstisch.5 Het is vooral een vereiste dat dwingt tot een gedegen motivering waarom na een bepaalde overweging wordt gekozen een bepaalde groep te bevoordelen.6 Het biedt het pensioenfonds in dat opzicht dus beleidsvrijheid.7 Aangezien die beleidsvrijheid tot verschillende beslissingen kan leiden, is het vereiste moeilijk juridisch te toetsen, althans moet dat zeer terughoudend gebeuren.8 Bijna altijd zal er wel een categorie belanghebbenden zijn die ontevreden is over het uiteindelijke besluit.9 Als er een systematisch patroon van benadeling is van bijvoorbeeld gepensioneerden, zal naar mijn mening een individueel besluit eerder in strijd komen met de evenwichtige belangenbehartiging.10 Ook de OK stelt daarom in de Protector-zaak11 dat ‘van een onevenredige belangenbehartiging sprake [kan] zijn indien het fonds over een reeks van jaren – per saldo – aanzienlijke overschotten zou behalen en aan de ondernemingen zou restitueren terwijl geen, althans volstrekt onvoldoende, middelen zouden worden besteed aan koopkrachtbehoud van de gepensioneerden’. Ook de solidariteit tussen werknemers en ex-werknemers dient naar mijn mening tot uiting te komen bij de invulling van evenwichtige belangenbehartiging.12
De mogelijkheid van een rechtstreeks beroep op vernietigbaarheid bij schending van evenwichtige belangenbehartiging is in ieder geval in de wetsgeschiedenis van het betreffende artikel bevestigd: ‘Een beroep op de rechter wegens strijd met de goede trouw komt daarnaast toe aan ieder individu, zoals de Verzekeringskamer ook aangeeft. Deelnemers en gewezen deelnemers kunnen die weg eventueel eveneens bewandelen’.13 De wetgever zag hier dus geen probleem dat een beroep op vernietigbaarheid door (ex-)werknemers bij strijd met de redelijkheid en billijkheid is beperkt tot de ‘interne verhoudingen’ binnen de rechtspersoon op grond van artikel 2:8 BW. Het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen interne en externe verhoudingen is in de praktijk ook lastig te maken, doordat zij vaak in elkaar overvloeien.14 De literatuur is verdeeld over de vraag of de (ex-)werknemer en (ex-)werkgever een beroep op vernietigbaarheid kunnen doen ten opzichte van het pensioenfonds. De hiervoor al genoemde auteurs zijn voorstander van een ruime opvatting, bijvoorbeeld omdat de rechten en verplichtingen van (ex-)werkgever en (ex-)werknemer in hoge mate worden beïnvloed door besluiten van het pensioenfonds als rechtspersoon.15 Anderen zijn kritischer en menen dat (ex-)werknemers niet onder de interne verhoudingen waren te scharen.16 Mij komt de ruime opvatting juist voor, gezien het bijzondere karakter van een pensioenfonds, dat immers zijn bestaansrecht enkel en alleen ontleent aan de pensioenrechten en -verplichtingen van de (ex-)werkgever en (ex-)werknemer.17
Ten aanzien van de rechtspraak hieromtrent: deze is schaars en biedt geen duidelijk beeld. Lagere rechters gingen er in een tweetal uitspraken zonder nadere overweging vanuit dat de deelnemers hier een beroep op mogen doen, maar wijzen de vorderingen op andere overwegingen af.18 In een andere zaak strandt een vordering tot vernietiging wegens schending van evenwichtige belangenbehartiging door een vereniging van gepensioneerden en diverse ex-werknemers doordat deze vordering werd gedaan in een verzoekschriftprocedure, wat volgens de rechtbank niet mogelijk is gelet op artikel 2:15 lid 3 BW. Daarnaast was de vernietiging ook niet tijdig gevorderd.19 Er zijn nog wel een paar andere voorbeelden waarin een beroep op vernietiging is geprobeerd, welke zaken geen verband hielden met evenwichtige belangenbehartiging. Daarbij stelt de rechtbank Utrecht dat artikel 2:8 BW slechts ziet op de interne verhouding van de rechtspersoon en deze werknemers niet bij de organisatie van het pensioenfonds betrokken zijn.20 Het leerstuk is dus bepaald nog niet uitgekristalliseerd.