Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.1
6.1 Inleiding
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605897:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30320, en nadien bijv. Kuiper 2009; zie Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 20 voor de aanduiding “een vorm van een verlofstelsel.”
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 18, 20, 22, 40.
Wiewel 2007; Van Woensel 2007.
Kuiper 2009.
CRM 27 juli 2010, nr. 1797/2008, NJ 2012/305, m.nt. Schalken (Mennen/Nederland); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland); CRM 24 juli 2014, nr. 2097/2011 (Timmer/Nederland).
Contourennota Modernisering Strafvordering 2015b, p. 116.
Methodologische opmerking: getracht is om van alle literatuur en jurisprudentie over artikel 410a Sv kennis te nemen. Een zoekslag op ‘410a’ in diverse zoeksystemen is hierbij het vertrekpunt geweest.
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal in hoeverre het steevast als verlofstelsel aangeduide1artikel 410a Sv toelaatbaar is onder het verdragsrecht. In grote lijnen voorziet dit verlofstelsel in schriftelijke verlofbeoordeling door één raadsheer voor een categorie van strafzaken die zich wat ernst betreft bevinden tussen bagatellen waarvoor geheel geen appel openstaat enerzijds en zware strafzaken waarop het verlofstelsel geheel niet van toepassing is anderzijds. Voor deze tussencategorie van zaken biedt het verlofstelsel een “veiligheidsklep”, aldus de toelichting.2 Na behandeling in eerste aanleg toetst de zogenoemde voorzitter of behandeling in hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. De voorzitter kan de toegang tot beroep op basis van deze rechtsbedelingsmaatstaf na summier schriftelijk onderzoek weigeren of verlenen. Weigering impliceert dat de strafzaak finaal is afgehandeld, verlening brengt mee dat de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt.
Op artikel 410a Sv is nogal wat kritiek gekomen. Reeds bij invoering ervan werd getwijfeld aan de werklastbesparende effecten van het verlofstelsel.3 Enige jaren daarna bleek dat de verschillende gerechtshoven het verlofstelsel sterk uiteenlopend toepassen.4 Van groot belang zijn voorts de veroordelingen van Nederland voor toepassing van het verlofstelsel door zowel het EHRM als het CRM. Het EHRM veroordeelde Nederland op grond van artikel 6 EVRM in de zaak Lalmahomed/Nederland, het CRM wees Nederland terecht op grond van artikel 14 lid 5 IVBPR in de zaken Mennen/Nederland en Timmer/Nederland.5 Met name deze veroordelingen hebben de minister ervan overtuigd dat afschaffing van het verlofstelsel in hoger beroep wenselijk is, welk voornemen naar verwachting in de modernisering van het Wetboek van Strafvordering zal worden meegenomen.6
Desondanks wordt het verlofstelsel van artikel 410a Sv hier geanalyseerd en beoordeeld. Dit heeft meer dan alleen (bijna) historische relevantie, omdat het laat zien hoe problematisch een verlofstelsel in hoger beroep kan zijn met het oog op verdragsrecht en welke aspecten van de huidige wettelijke regeling in een eventueel toekomstig verlofstelsel niet moeten worden gekopieerd. Het hoofdstuk vangt in de paragrafen 2 tot en met 5 aan met een beschrijving en analyse van de ratio, achtergrond en wettelijke regeling van het verlofstelsel in hoger beroep.7 Vervolgens wordt in paragraaf 6 nagegaan wat de ruimte voor toepassing van dit verlofstelsel is binnen de grenzen van het verdragsrecht. Ter afsluiting volgen in paragraaf 7 enkele conclusies en beschouwingen. Grote delen van dit hoofdstuk zijn eerder gepubliceerd in Van Kempen en Pesselse 2014.