Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/14.4.1
14.4.1 Achtergrond
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947790:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1987/88, 20264, nr. 3, p. 48. Zie voorts Elzinga, Kummeling & Schipper-Spanninga 2012, p. 177. Vermeldenswaardig is een incident dat zich voordeed bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 in een Arnhems stembureau, waar bleek dat de rode potloden in het stemhokje van het merk Samsom waren. Dat zou associaties kunnen oproepen met de toenmalige lijsttrekker van de PvdA, Diederik Samsom. Gelukkig werden de vermeldingen op de potloden onmiddellijk afgeplakt. Zie Handelingen II 2012/13, nr. 2, item 3, p. 3.
Zie bijvoorbeeld de Circulaire gemeenteraadsverkiezingen 2014 (regelingnummer 2014-0000021436), par. 9.
Kamerstukken II 1987/88, 20264, nr. 3, p. 48; Kamerstukken II 1988/89, 20264, nr. 8, p. 126-127; Kamerstukken II 1988/89, 20264, nr. 18, p. 65-66;
Er zijn geen wettelijke regels die eraan in de weg staan dat partijen ook op verkiezingsdag nog campagne voeren. De grens daarvan ligt, blijkens de Kieswet, echter bij de muren van het stembureau. Op het moment dat de kiezer het stemlokaal betreedt, moet deze geacht worden zijn keuze bepaald te hebben en zijn pogingen om zijn mening te doen veranderen ontoelaatbaar. Naast artikel J 15 Kw, waarin het stemgeheim is vastgelegd, beoogt nog een tweetal andere bepalingen in de Kieswet de stemvrijheid in het stemlokaal te waarborgen. Het gaat om de artikelen J 14 en J 36 Kw. Beide artikelen werden geïntroduceerd bij de algehele herziening van de Kieswet in 1989 en beogen ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding te voorkomen.1Artikel J 14 Kw bepaalt: ‘De leden van het stembureau geven tijdens de uitoefening van hun functie geen blijk van hun politieke gezindheid.’ De bepaling moet voorkomen dat de leden van het stembureau een schijn van partijdigheid wekken. In concreto betekent dit, volgens de memorie van toelichting, in ieder geval dat de leden van het stembureau ‘geen speldjes, buttons of dassen van politieke partijen mogen dragen tijdens de uitoefening van hun functie’.2 Ook verbale uitingen kunnen echter geacht worden onder de reikwijdte van het artikel te vallen. Zo dienen de leden van het stembureau zich te onthouden van ‘opiniërende’ uitingen, zowel in het stemlokaal zelf als op sociale media tijdens hun werkzaamheden.3 Aan het strafrechtelijk sanctioneren van een overtreding van dit voorschrift bleek bij de introductie van de bepaling geen behoefte. De regering achtte het voldoende dat kiezers bezwaren tegen de leden van het stembureau op dit gebied konden laten opnemen in het proces-verbaal van het stembureau. Desnoods zouden burgemeester en wethouders het betreffende lid per direct van zijn taak kunnen ontheffen. 4
Waar artikel J 14 Kw zich richt tot de leden van het stembureau, richt artikel J 36 Kw zich tot de overige in het stemlokaal aanwezige personen. Het artikel bepaalt: ‘In het stemlokaal worden geen activiteiten ontplooid die erop gericht zijn de kiezers in hun keuze te beïnvloeden.’ Tot 1989 werd de Kieswet, gezien het uitputtende karakter van de bepalingen omtrent de inrichting van het stemlokaal, al geacht in de weg te staan aan bijvoorbeeld het ophangen van verkiezingsposters in het stemlokaal. De wetgever vond het echter wenselijk om uitdrukkelijk vast te leggen dat iedere activiteit die de kiezer in het stemlokaal in zijn keuze trachtte te beïnvloeden, uit den boze was. Daaronder kunnen ook pogingen vallen om kiezers te overtuigen af te zien van het uitbrengen van hun stem. De voorzitter van het stembureau werd, in het kader van zijn taak als handhaver van de openbare orde, belast met het toezicht op de naleving van deze bepaling. 5In een uiterst geval zou zelfs de stemming in het betreffende stembureau ongeldig kunnen worden verklaard.6 Afgezien van de verschillende normadressaten, onderscheidt artikel J 36 Kw zich ook wat betreft zijn reikwijdte van artikel J 14 Kw. Dat laatste artikel staat in de weg aan het op welke wijze dan ook blijk geven van een politieke overtuiging, waar het eerste slechts spreekt over het ontplooien van activiteiten, hetgeen betekent dat een actieve handeling is vereist. Artikel J 36 Kw belet een kiezer dus niet om, bijvoorbeeld, een button van een bepaalde politieke partij te dragen als hij zijn stem uitbrengt. 7