Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.9.4.2
5.9.4.2 Rechtsgang student in het hoger onderwijs bij een bijzondere rechter in historische context
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949593:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 40 Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1970, 601).
Artikel 40 Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1981, 137).
Artikel 39 Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1970, 601).
Artikel 12 Uitvoeringsbesluit W.U.B. (Stb. 1970, 710).
Artikel 46bis e.v. van de Wub (Stb. 1977, 312). Zie het Besluit Universitaire Kiesraad (Stb. 1978, 733) voor de nadere uitwerking van de Universitaire Kiesraad).
Artikel 46quater van de Wub (Stb. 1977, 312).
Artikel 77ter van de Wwo (Stb. 1981, 137).
Kamerstukken II 1985/85, 16 802, nr.s, 139-140, p. 9 en Louw 2011, p. 488-489.
Artikel 139 van de Wwo 1986 (Stb. 1986, 414).
Artikel 177 e.v. van de Whbo (Stb. 1986, 289).
Zie over de totstandkoming van het CBHO uitgebreider Beijk 2022, p. p. 39-59.
Artikel 7.66, eerste lid, van de Whw (Stb. 1992, 593).
Zie hierover uitgebreider Orthel 2009.
Stb. 2022, 134.
Stb. 2022, 134.
Kamerstukken II 2020/21, 35 625, nr. 3, p. 12-13.
In 1970 zag de wetgever dat de “gelegenheid [moet] bestaan om geschillen over onderwijs en wetenschapsbeoefening, indien zij niet in der minne kunnen worden opgelost, voor te leggen aan een hoger orgaan.”1 Daarbij moet volgens de wetgever onderscheid gemaakt worden tussen geschillen die het beleid betreffen en individuele geschillen tussen leden van de universitaire gemeenschap. Bij geschillen is volgens de wetgever een belangrijke rol weggelegd voor onder meer de rector magnificus en de studentendecaan. Zij kunnen vaak voorkomen dat geschillen ‘verscherpen’2. Zoals geschetst in § 5.8.6 ontstond met de Wub de mogelijkheid om bij een commissie van de faculteitsraad bezwaar in te stellen tegen beslissingen inzake examenresultaten.3 Deze commissie ging in 1981 op in het Cbe.4
De wetgever vond dat de wet daarnaast behoort te voorzien in een beroepsmogelijkheid buiten de universiteit.5 Hiertoe werd beroep opengesteld bij de Academische Raad. De bevoegdheden en de procedure werden door de wetgever niet uitgewerkt, dit werd aan de Raad overgelaten. Ook werd niet duidelijk of bij de Academische Raad hoger beroep openstond tegen beslissingen van de commissie van de faculteitsraad inzake examenresultaten. Aangezien bij de Academische Raad beroep ingesteld kon worden inzake geschillen tussen leden van de universitaire gemeenschap leek dit niet uitgesloten.6
Vanaf 1971 stond daarnaast beroep open bij de Universitaire Kiesraad tegen beslissingen van centrale stembureaus van openbare universiteiten.7 Het betrof geschillen die verband hielden met verkiezingen voor de medezeggenschap. De Universitaire Kiesraad was in eerste instantie geregeld in het Uitvoeringsbesluit W.U.B. en werd later in de Wub geregeld.8 In de Wub werden onder meer de toetsingsgronden bepaald die de Universitaire Kiesraad diende te gebruiken, namelijk:
de beslissing in strijd is met enig algemeen verbindend voorschrift;
het bureau of college bedoeld in artikel 46bis, bij het nemen van de beslissing van zijn bevoegdheid kennelijk tot een ander doel gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waartoe die bevoegdheid gegeven is;
het onder b bedoelde bureau of college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen;
de beslissing van het onder b bedoelde bureau of college in strijd is met enig ander in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.”9
Ten slotte ontstond met de Wet tweefasenstructuur de mogelijkheid om in het kader van de inschrijving bij een opleiding beroep in te stellen bij de Commissie van beroep verlenging inschrijvingsduur.10
De Universitaire Kiesraad ging in 1986 samen met de Commissie verlenging inschrijvingsduur en de commissie voor beroep van de Academische Raad.11 De Universitaire Kiesraad werd vervolgens omgedoopt tot het College van Beroep voor het Wetenschappelijk Onderwijs (CBWO). Het CBWO was grotendeels op dezelfde wijze vormgegeven als de Universitaire Kiesraad. Onder meer de toetsingsgronden die het CBWO diende te hanteren waren gelijkluidend aan die van de Universitaire Kiesraad.12 Bij het CBWO kon (hoger) beroep worden ingesteld tegen beslissingen inzake de inschrijving, het colloquium doctum, verkiezingen voor de medezeggenschap en ontzegging van de toegang tot de universiteit. Tegen beslissingen van het Cbe stond destijds geen beroep open bij het CBWO. Voor het hoger beroepsonderwijs werd in 1986 het College van Beroep voor het Hoger Beroepsonderwijs ingesteld (CBHBO).13 De wijze waarop het CBHBO werd vormgegeven is door de wetgever ontleend aan het CBWO.14
Met de Whw werden het CBWO en het CBHBO samengevoegd in het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO).15 Bij het CBHO stond vanaf de inwerkingtreding van de Whw beroep open tegen beslissingen genomen krachtens titel 2 en titel 3 van hoofdstuk 7 van de Whw.16 Het ging om beslissingen inzake de inschrijving, vooropleidingseisen, eigen bijdrage, afgifte van het getuigschrift en het universitair kiesrecht.17 De wetgever koos voor een bijzondere rechter voor het hoger onderwijs gezien het belang van een snelle uitspraak, waardoor de studievoortgang zo min mogelijk wordt verstoord.18
Met de Wet versterking besturing werd de bevoegdheid van het CBHO ingrijpend gewijzigd.19 Sinds 1 september 2010 kon het CBHO niet langer in eerste instantie oordelen over een geschil. Slechts als een student eerst beroep had ingesteld bij het Cbe of bezwaar had ingesteld bij het instellingsbestuur, kon het CBHO in tweede en laatste instantie oordelen over dat geschil.20 Het beroep dat kon worden ingesteld bij het CBHO beperkte zich niet tot een beperkt aantal beslissingen. De student kon in principe in beroep tegen alle beslissingen die de relatie student-instelling betroffen en die waren gebaseerd op de Whw of regelingen van de instelling.21 Sindsdien kon de student wiens beroep bij het Cbe inzake een tentamen ongegrond was verklaard, beroep instellen bij het CBHO. De wetgever koos ervoor om de competentie van het CBHO uit te breiden omdat dit college door studenten als laagdrempelig werd ervaren en omdat het college in korte tijd tot een uitspraak kwam.22 Op de aard van het CBHO en toetsingskader dat het CBHO hanteerde wordt in de volgende paragraaf dieper ingegaan.
Bij het CBHO stond enkel beroep open voor studenten uit het hoger onderwijs. Studenten die studeerden in het middelbaar beroepsonderwijs moesten met hun geschillen naar de burgerlijke rechter. De wetgever heeft beoogd de drempels in de rechtsbescherming voor deze studenten te verlagen, zodat zij eenvoudiger kunnen opkomen voor hun rechten.23 Daartoe heeft de wetgever de rechtsbescherming in het middelbaar beroepsonderwijs geharmoniseerd met die in het hoger onderwijs.24 Studenten in het middelbaar beroepsonderwijs kunnen in het vervolg hun bezwaar- en beroepsschriften indienen bij een toegankelijke faciliteit. Vervolgens staat, voor wat betreft geschillen inzake examens, administratief beroep open bij het Cbe. Sinds 1 augustus 2023 staat in tweede instantie een bijzondere rechtsgang open bij de Afdeling.25 Hier kunnen zowel studenten uit het middelbaar beroeps- als het hoger onderwijs terecht met geschillen die zij hebben met hun instelling.26 Het CBHO is per 1 januari 2023 opgegaan in de Afdeling. Alvorens de student hier beroep kan instellen dient hij naargelang het geschil eerst administratief beroep in te stellen bij het Cbe of bezwaar in te stellen bij het instellingsbestuur.
Voor studenten uit het middelbaar beroepsonderwijs is de mogelijkheid om via een bijzondere rechtsgang beroep in te stellen bij een bestuursrechter nieuw. Volgens de wetgever heeft de rechtsgang bij de Afdeling, ten opzichte van de gang naar de burgerlijke rechter, een aantal voordelen. Zo wordt de kennis van het onderwijsrecht geconcentreerd binnen één rechterlijk college, is de rechtsgang minder formeel (er hoeft bijvoorbeeld geen dagvaarding uitgebracht te worden), is het griffierecht lager en kan de student in beginsel niet worden veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten.27