Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.13.4
5.13.4 Oprichting, vertegenwoordiging en inrichtingsvrijheid
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633584:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 423.
Van der Ploeg 2012, p. 95.
Van Kooten 2014, p. 361 bepleit dat vanuit onder meer bewijsrechtelijk oogpunt; Volgens Asser/Rensen 2-III 2017/390 komt het in de praktijk voor dat de oprichtingshandeling in een notariële akte wordt opgenomen; hierin kan dan het statuut worden opgenomen of ernaar verwezen worden.
Van der Ploeg 2014, p. 391; Van Kooten 2014, p. 363; Asser/Rensen 2-III 2017/395.
Van der Ploeg 2012, p. 88, 90, 93.
Van der Ploeg 2014, p. 393, 394.
Van der Ploeg 2012, p. 90, 91.
Van der Ploeg 2012, p. 90.
De wet bevat geen oprichtingseisen voor een kerkgenootschap zodat de oprichting van een kerkgenootschap vormvrij is. Voor de oprichting is geen notariële akte of een ander document zoals een onderhandse akte vereist.1 Sommige schrijvers – zoals Van der Ploeg – pleiten echter wel voor enig vormvereiste, bij voorkeur de notariële akte, omdat dit het rechtsverkeer ten goede komt.2 Voor de oprichting van de (formele) vereniging en stichting gelden daarentegen wel wettelijke vereisten.
Kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, zodat ze de vrijheid genieten om hun organisatie naar eigen inzicht vorm te geven, zij het binnen de grenzen van de wet. Deze bestuurlijke autonomie is wettelijk verankerd in artikel 2:2 BW. Hoewel het statuut niet geschreven hoeft te zijn, wordt in de literatuur gezien het belang ervan in de praktijk (zoals de vertegenwoordigingsbevoegdheid) aangeraden het wel vast te leggen, bij voorkeur in een notariële akte.3 Verenigingen en stichtingen zijn daarentegen gebonden aan dwingende wettelijke voorschriften over de inrichting, het bestuur en de vertegenwoordiging van hun organisatie. Dit is duidelijk een beperking vergeleken met de rechtsvorm kerkgenootschap, waarvoor zulke bepalingen ontbreken. Het interne (al dan niet schriftelijke) statuut bepaalt bijvoorbeeld in beginsel in hoeverre een vertegenwoordiger van een kerkgenootschap bevoegd handelt en een kerkgenootschap bindt ten opzichte van een derde.4 Bij vereniging en stichting daarentegen wordt dat door de wet of de statuten bepaald, hetgeen in het rechtsverkeer meer duidelijkheid schept. Als hoofdregel bepaalt de wet dat het verenigingsbestuur onbeperkt en onvoorwaardelijk bevoegd is om de vereniging te vertegenwoordigen (art. 2:45 BW). Ook de stichting kent een behoorlijk autonoom bestuur (art. 2:291, 292 BW).5
Een opvallend verschil tussen de vereniging enerzijds en de stichting anderzijds is dat alle bevoegdheden die niet door de wet of de statuten aan een bepaald orgaan zijn toebedeeld, bij de stichting aan het bestuur toekomen en bij de vereniging aan de algemene vergadering (art. 2:40, lid 1 BW).6 De vereniging leent zich daarom vooral voor meer democratische rsl-organisaties en minder voor die van hiërarchische aard. Bij de stichting heeft de rechter veelal op verzoek van belanghebbenden maar ook ambtshalve belangrijke bevoegdheden om bijvoorbeeld de statuten van een stichting te wijzigen of haar bestuurders te ontslaan. Een ander verschil is dat voor wat betreft de interne regeling bij de stichting de oprichters veel kunnen bepalen in de statuten terwijl voor de vereniging de wetgever uitgebreide regels geeft. De stichting heeft een grotere vrijheid van inrichting dan de vereniging omdat de wet nauwelijks regels voor de inrichting van de stichting bevat, maar de inrichtingsvrijheid van de stichting is weer kleiner dan bij het kerkgenootschap.7
In tegenstelling tot de vereniging kent de stichting in beginsel niet een bepaald orgaan dat de statuten kan wijzigen.8 In uitzonderlijke gevallen kan de rechter de stichtingsstatuten wijzigen (art. 2:294 BW). De oprichters van een stichting kunnen in de statuten bepalen dat statutenwijziging deels of helemaal niet mogelijk is. Dit komt overeen met de wijzigingsmogelijkheden van het statuut van een kerkgenootschap, die bepaald worden door het statuut zelf.