Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.5
4.4.5 Het klachtvereiste bezien binnen het totaal aan vervolgingsbeletselen
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946112:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cleiren & Van Male 1994, p. 76-77.
Van Dorst 1989, p. 11-13.
Van Dorst 1989, p. 109.
Van Dorst 1989, p. 113.
Van Dorst 2018.
HR 3 mei 1977, NJ 1978/692. Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.
Van Dorst 1989, p. 122 en Van Dorst 2018.
Zie hierover meer uitgebreid: Van Dorst 1989, p. 120-122 en Van Dorst 2018.
Kamerstukken II 1955-1956, 4141, nr. 2, p. 16-17.
Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 525 en HR 12 juli 2011, NJ 2011/379.
Van Dorst signaleerde al in 1985 dat art. 316 lid 1 Sr aanpassing behoeft, omdat dit geen recht doet aan de tegenwoordige rechtsverhoudingen tussen echtelieden. Zie: Van Dorst 1985, p. 65. Ook meer recent is bepleit dat de regeling aanpassing verdient, zie bijvoorbeeld: Van der Aa 2013, p. 760-770.
Zie Van der Aa 2013, p. 760-770 met verwijzing naar Rb. Amsterdam 14 juli 1980, NJ 1981, 22.
Hiervoor is vastgesteld dat vervolgingsbeletselen naar aard, inhoud en vormgeving stevig uiteenlopen. Er is dus geen coherente systematiek van vervolgingsbeletselen in welk licht de vormgeving en functie van de rechtsfiguur van het klachtdelict kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat een nadere bestudering van het klachtvereiste binnen het perspectief van vervolgingsbeletselen tot relevante inzichten leidt.
Allereerst verdient opmerking dat Cleiren en Van Male terecht signaleren dat de regeling van klachtdelicten het enige vervolgingsbeletsel betreft dat direct is geënt op het belang dat een derde heeft bij het al dan niet vervolgen van een dader. Zij beschrijven dat het belang dat partijen hebben bij vervolging hoofdzakelijk tot uitdrukking komt in de wijze waarop het openbaar ministerie invulling geeft aan het opportuniteitsbeginsel. Het openbaar ministerie moet zich bij de beslissing over vervolging immers rekenschap geven van het algemeen belang en dient rekening te houden met de belangen van eenieder die bij de strafprocedure kan worden betrokken, waaronder slachtoffers en getuigen.1 Klachtdelicten zijn dan ook een vreemde eend in de bijt. Concreet raakt het belang van bepaalde slachtoffers via een materieelrechtelijk verankerd vervolgingsbeletsel aan de formeelrechtelijk toegekende discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie om al dan niet te vervolgen. Daarbij werpt het belang van het klachtgerechtigde slachtoffer een drempel op die gepasseerd moet worden voordat het openbaar ministerie toekomt aan de op het opportuniteitsbeginsel geënte belangenafweging. Daaraan wordt in het navolgende hoofdstuk uitgebreider aandacht besteed.
Om meer inzicht te verkrijgen in de werking van de rechtsfiguur van het klachtdelict is het daarnaast verhelderend om deze rechtsfiguur te plaatsen binnen het terminologische kader dat Van Dorst schetste ten aanzien van vervolgingsbeletselen. Dit betreft allereerst het onderscheid tussen vervolgingsvoorwaarden en vervolgingsuitsluitingsgronden. De rechter moet ten aanzien van vervolgingsvoorwaarden steeds onderzoeken of daaraan is voldaan, terwijl de uitsluitingsgronden niet steeds aandacht behoeven. Onderzoek ten aanzien van die gronden is slechts aangewezen indien hierop een beroep is gedaan of indien het dossier concreet aanknopingspunten bevat voor het bestaan van een vervolgingsuitsluitingsgrond.2 Van Dorst onderscheidt – met het oog op de werking van vervolgingsbeletselen – voorts in de functie in rechtsgeding en buiten het rechtsgeding. Met het eerstgenoemde wordt gedoeld op de concrete rechtsgang die aanvangt met het uitbrengen van een dagvaarding en het laatstgenoemde ziet op de mate waarin de verschillende vervolgingsbeletselen doorwerken in de voorfase.3
Als de regeling van klachtdelicten aan de hand van deze terminologie wordt geïnterpreteerd dan valt allereerst een onderscheid op tussen absolute en relatieve klachtdelicten. Bij absolute klachtdelicten is een rechtsgeldige klacht een voorwaarde om te kunnen overgaan tot vervolging, terwijl de noodzaak van een klacht bij de vervolging van relatieve klachtdelicten niet steeds direct duidelijk is. Dit betekent – met het oog op de zojuist beschreven terminologie – dat de klacht bij absolute klachtdelicten fungeert als vervolgingsvoorwaarde, terwijl het relatieve klachtvereiste geregeld een vervolgingsuitsluitingsgrond betreft. Van Dorst beschrijft dat dit ertoe leidt dat een rechter bij de vervolging van absolute klachtdelicten ambtshalve moet nagaan of het dossier een rechtsgeldige klacht bevat, terwijl die plicht niet steeds bestaat bij relatieve klachtdelicten. Onderzoek naar een dergelijk klachtvereiste is slechts vereist indien het dossier daartoe aanleiding geeft of indien de verdachte of zijn raadsman stelt dat een klacht is vereist maar ontbreekt.4 Het verschil tussen absolute en relatieve klachtdelicten is dus ook van betekenis voor de wijze waarop die klachtvereisten in de praktijk door de rechter worden getoetst.
Het hierboven beschreven onderscheid tussen een absoluut klachtdelict als vervolgingsvoorwaarde en een relatief klachtdelict als vervolgingsuitsluitingsgrond speelt ook een rol buiten het rechtsgeding in de fase van opsporing. De wet geeft geen uitsluitsel of een beletsel dat in de weg staat aan vervolging ook maakt dat opsporing achterwege dient te blijven. De mate waarin vervolgingsbeletselen tevens de opsporing van strafbare feiten verhinderen loopt uiteen en hangt samen met het doel en de strekking die ten grondslag liggen aan die vervolgingsbeletselen.5 In hoofdstuk 3 is uiteengezet dat de Hoge Raad in 1977 oordeelde dat de strekking van de regeling van de klacht met zich brengt dat ook opsporingshandelingen achterwege dienen te blijven, tenzij de klachtgerechtigde expliciet te kennen geeft een opsporingsonderzoek te wensen.6 Dit betekent dat bij absolute klachtdelicten pas kan worden opgespoord nadat is geklaagd en dat de opsporing inzake een relatief klachtdelict moet worden gestaakt, zodra een familiaire relatie tussen het slachtoffer en de verdachte is vastgesteld die maakt dat voor vervolging een klacht is vereist. Van Dorst stelt dat bij twijfel hieromtrent wel naspeuringen mogen worden verricht, maar dat die in de eerste plaats gericht moeten zijn op het verkrijgen van duidelijkheid aangaande de mogelijkheid tot vervolging.7 In het geval van relatieve klachtdelicten zou dat onderzoek zich dus moeten richten op de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte en op de vraag of sprake is van mededaders ten aanzien van wie het klachtvereiste niet geldt.
In de discussie of vervolgingsbeletselen tevens in de weg staan aan opsporing gaat ook aandacht uit naar de vraag of een beletsel blijkens de wet de vervolging of de strafvordering verhindert. Zo is in de literatuur betoogd dat de term strafvordering in dit verband – analoog aan de betekenis die daaraan in procesrechtelijke zin op grond van art. 1 Sv wordt toegekend – ziet op de totale rechtsgang vanaf opsporing tot en met de executie van de straf, terwijl vervolging een beperkter bereik wordt toegedicht.8 Het verval van het recht tot strafvordering (zoals bijvoorbeeld in art. 69 en 70 Sr ) zou daarmee ook de opsporing verhinderen, terwijl het verval van het recht te vervolgen in deze visie niet in de weg staat aan daaraan voorafgaande opsporing. In lijn met dit idee heeft de wetgever in het wetsartikel dat in de weg staat aan de vervolging van kinderen onder de 12 jaar bijvoorbeeld welbewust de term vervolging gebezigd, omdat het onwenselijk werd geacht dat strafbare feiten gepleegd door die jeugdigen niet zouden mogen worden opgespoord.9 Dit idee verhoudt zich echter niet goed met de wijze waarop de regeling van klachtdelicten thans in de wet is verankerd. Bij alle klachtdelicten is immers vermeld dat bij gebreke aan een klacht de vervolging achterwege blijft, terwijl hiervoor reeds aan bod kwam dat de Hoge Raad bepaalde dat ook opsporing van klachtdelicten in beginsel achterwege behoort te blijven indien een klacht ontbreekt. In hoofdstuk 3 is reeds verwoord dat het beletten van opsporing bij het ontbreken van een klacht mijns inziens goed aansluit op de ratio die ten grondslag ligt aan de regeling van klachtdelicten. Het idee dat het terminologische onderscheid tussen het verval van het recht op strafvordering en vervolging richtinggevend zou zijn voor de beantwoording van de vraag of een beletsel ook in de weg staat aan opsporing verhoudt zich dus niet met de wijze waarop de rechter thans invulling geeft aan het klachtvereiste. Dit betekent dat indien de wetgever consequent invulling zou willen geven aan het hierboven beschreven onderscheid tussen de termen strafvordering en vervolging – en daaraan doorslaggevende betekenis zou willen toekennen met het oog op de vraag of een vervolgingsbeletsel tevens de opsporing belet – het overweging verdient om de in relatie tot klachtdelicten gebezigde terminologie te wijzen en bij het ontbreken van een klacht de strafvordering uit te sluiten.
Bestudering van klachtdelicten binnen het perspectief van vervolgingsbeletselen geeft tot slot aanleiding voor een vergelijking tussen het in art. 316 lid 1 Sr verankerde vervolgingsbeletsel ingegeven door het huwelijk en de in art. 316 lid 2 Sr verankerde grondslag voor relatieve klachtdelicten. Beide beletselen zien op de in titel XXII vervatte vermogensdelicten en zijn via schakelbepalingen eveneens van toepassing op een aantal andere vermogensdelicten.10 De nabijheid van twee verschillende vervolgingsbeletselen (hier zelfs in één wetsartikel) impliceert enige verwantschap. Die verwantschap is er ook nu aan beide vervolgingsbeletselen de idee ten grondslag ligt om overheidsingrijpen te beperken in het geval de dader en het slachtoffer innig op elkaar betrokken zijn. Het is echter niet zo dat de mate van intimiteit voor de wetgever redengevend was voor het onderscheid dat een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgeno(o)t(e) onder geen beding voor de betreffende vermogensdelicten kan worden vervolgd, terwijl bij de in art. 316 lid 2 bedoelde familiaire relatie tussen dader en slachtoffer na het indienen van een klacht toch kan worden vervolgd. Dit onderscheid stoelt op de omstandigheid dat het huwelijk niet alleen een emotionele band bezegelt, maar via een gemeenschap van goederen ook concreet raakt aan de vermogenspositie van de betrokkenen. Het gaat bij het huwelijkse vervolgingsbeletsel in art. 316 lid 1 Sr dus om een zedelijke grond en een stoffelijke grond die in de weg worden geacht te staan aan vervolging.11 Om die reden is vervolging van de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot ten aanzien van de in titel XXII vervatte vermogensdelicten onder alle omstandigheden uitgesloten.
De wetshistorische redengeving voor dit huwelijkse vervolgingsbeletsel verhoudt zich echter steeds minder goed met de ontwikkelingen in het huwelijksvermogensrecht.12 Zo is sinds 2018 een algehele gemeenschap van goederen niet meer het uitgangspunt bij een huwelijksvoltrekking. Bovendien maken huwelijkse voorwaarden niet dat het vervolgingsbeletsel van art. 316 lid 1 Sr geen toepassing vindt. De zinsnede “of van goederen gescheiden” ziet immers slechts op een goederengemeenschap die op vordering van één van de echtgenoten bij rechterlijk vonnis is opgeheven en niet op hetgeen (vooraf ) door de gehuwden is overeengekomen.13 Dit betekent dat het rechtshistorische gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan het huwelijkse vervolgingsbeletsel aan erosie onderhevig is doordat een huwelijk in het huidige tijdsgewricht doorgaans minder verstrekkende gevolgen heeft voor de vermogenspositie van betrokkenen dan waarmee indertijd rekening is gehouden. De vaststelling dat in het bijzonder de stoffelijke grond voor het huwelijkse vervolgingsbeletsel steeds meer aan belang inboet maakt een heroverweging van het onderscheid tussen art. 316 lid 1 en lid 2 Sr opportuun, omdat het verschil tussen de redengevende argumenten voor die vervolgingsbeletselen is afgenomen. Het verdient in dit licht overweging om het huwelijkse (absolute) vervolgingsbeletsel te laten vervallen en de in art. 316 lid 1 beschreven relatie eveneens via een (relatief) klachtvereiste bescherming te bieden. Dat biedt meer ruimte voor maatwerk ten behoeve van de benadeelde huwelijksgenoot. In die zin dat vervolging uitgesloten blijft indien de klachtgerechtigde huwelijksgenoot dat wenst, maar vervolging wél mogelijk is indien die betrokkene daarvoor aanleiding ziet.