Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.2:4.4.2 Terminologie
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.2
4.4.2 Terminologie
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946085:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Dorst 1989, p. 11-13.
Zie J.F. Nijboer 1990. Nijboer trok in zijn boekbespreking fel van leer tegen de keuze voor de term vervolgingsbeletselen en het onderscheid tussen vervolgingsvoorwaarden en vervolgingsuitsluitingsgronden. Hij noemde dit “pure fictie van de auteur”.
Corstens, Borgers & Kooijmans 2018, p. 196-197.
Cleiren & Van Male 1994, p. 66-67.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Enige opmerkingen over de terminologie zijn op hun plaats voordat ik dieper op de materie inga. Oorspronkelijk is vooral de term vervolgingsuitsluitingsgronden gebezigd ten aanzien van het verval van het recht op vervolging. Van Dorst introduceerde hiervoor de term vervolgingsbeletselen. Zijns inziens sluit de term vervolgingsuitsluitingsgronden te zeer aan op de term strafuitsluitingsgronden, terwijl belangrijke processuele verschillen tussen beide zijn te ontwaren. Van Dorst opteert om die reden voor de term vervolgingsbeletselen, waarna hij onderscheidt tussen vervolgingsvoorwaarden die de rechter steeds moet onderzoeken en vervolgingsuitsluitingsgronden die zijns inziens slechts onderzoek behoeven indien hierop een beroep is gedaan. Van Dorst plaatst direct de kanttekening dat het verschil tussen beide categorieën in de rechtspraktijk kan vervagen indien het dossier dat een rechter onder ogen krijgt, aanknopingspunten bevat voor het bestaan van een vervolgingsuitsluitingsgrond. In dat geval zal de rechter ook daarnaar ambtshalve onderzoek dienen te verrichten.1
Dit terminologisch onderscheid is niet direct onverdeeld positief ontvangen,2 maar desondanks komen facetten hiervan regelmatig terug in de literatuur. Corstens, Borgers en Kooijmans wijzen erop dat titel VIII van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht spreekt over het verval van een recht tot strafvordering en dat het om die reden gemakkelijker is in negatieve zin te spreken over vervolgingsuitsluitingsgronden of vervolgingsbeletselen dan in positieve zin over voorwaarden voor vervolging. Daaropvolgend signaleren zij dat de strafmachtsbepalingen positief zijn geformuleerd en dat dit aanleiding kan geven te spreken over voorwaarden voor vervolging.3 Hoewel de termen vervolgingsuitsluitingsgronden en vervolgingsbeletselen door hen als inwisselbaar zijn gehanteerd, maken ook zij onderscheid tussen voorwaarden die ruimte bieden voor vervolging en gronden die op enig moment de vervolging uitsluiten. Cleiren en Van Male onderscheiden op hun beurt tussen vervolgingsuitsluitingsgronden en niet-ontvankelijkheidsvoorwaarden en -gronden. Zij beschrijven dat het strafvorderlijke recht van het openbaar ministerie om te vervolgen – via het verdenkingscriterium in art. 27 Sv – inherent is verbonden aan het bestaan van een verdenking van een materieelrechtelijk strafbaar feit. Zij vinden (mede) hierin een verklaring voor de situatie dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zowel in het materiële strafrecht als in het strafprocesrecht is genormeerd. Dit leidt er volgens hen toe dat de gronden voor niet-ontvankelijkheid zowel materieelrechtelijk als voorwaarden voor vervolgbaarheid kunnen worden geduid als formeelrechtelijk als vervolgingsuitsluitingsgronden of vervolgingsbeletselen.4 Het voorgaande maakt duidelijk dat in de literatuur regelmatig dezelfde of vergelijkbare termen zijn gebezigd, maar dat daaraan niet steeds dezelfde betekenis is toegekend. Het onderscheid tussen vervolgingsvoorwaarden en vervolgingsuitsluitingsgronden is volgens Van Dorst immers terug te voeren op de wijze waarop de rechter deze beletselen toetst, terwijl Cleiren en Van Male met deze termen het verschil duiden tussen formeelrechtelijke en materieelrechtelijke gronden die vervolging beletten.
In het navolgende zoek ik aansluiting bij de terminologie van Van Dorst, waarbij de term vervolgingsbeletselen als overkoepelend begrip alle gronden omvat waarop de vervolging via een niet-ontvankelijkverklaring kan stranden. Redengevend voor deze keuze is dat het door Van Dorst beschreven processuele onderscheid tussen vervolgingsvoorwaarden en vervolgingsuitsluitingsgronden bruikbaar is gebleken bij de duiding van de regeling van klachtdelicten die hierna in paragraaf 4.5 volgt.