Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.6:4.4.6 Conclusies over het klachtvereiste in het kader van vervolgingsbeletselen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.6
4.4.6 Conclusies over het klachtvereiste in het kader van vervolgingsbeletselen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946215:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit klachtrecht zou daarmee logischerwijs ook gaan gelden voor de geregistreerd partner die op grond van art. 90octies Sr in dit verband inmiddels is gelijkgesteld aan een gehuwde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bestudering van de regeling van klachtdelicten binnen het kader van vervolgingsbeletselen leidt tot een aantal vaststellingen. Ten eerste valt op dat de vervolgingsbeletselen naar aard, inhoud en vormgeving stevig uiteenlopen, waarbij geen coherente systematiek in het totaal aan vervolgingsbeletselen is te ontwaren. De overeenkomst is dat het mechanismen zijn die het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie nader normeren. Daarbij is noemenswaardig dat de regeling van klachtdelicten het enige vervolgingsbeletsel betreft dat de belangen van een derde vooropstelt bij de vraag of het openbaar ministerie een verdachte kan vervolgen. Voorts maakt het onderscheid tussen vervolgingsvoorwaarden en vervolgingsuitsluitingsgronden inzichtelijk dat het verschil tussen absolute en relatieve klachtdelicten ook van betekenis is voor de wijze waarop die klachtvereisten in de rechtspraktijk door de rechter worden getoetst. Een rechter zal absolute klachtvereisten in alle gevallen ambtshalve moeten toetsen, terwijl dit bij relatieve klachtdelicten niet steeds aan de orde is. De bestudering van klachtdelicten binnen het totaal aan vervolgingsbeletselen leidt ook tot een tweetal wetswijzigingen dat overweging verdient. Het redengevende onderscheid voor de in art. 316 lid 1 en 2 Sr weergegeven vervolgingsbeletselen heeft door wijzigingen in het huwelijksvermogensrecht aan belang ingeboet. Dit geeft aanleiding om het onderscheid tussen beide vervolgingsbeletselen te heroverwegen en bij de in art. 316 lid 1 Sr beschreven relaties de vervolging niet volledig uit te sluiten. Dit huwelijkse vervolgingsbeletsel zou kunnen worden vervangen door een klachtrecht voor de door het vermogensdelict getroffen gehuwde.1 Daarnaast valt in de wettekst op dat vervolgingsbeletselen afwisselend de vervolging en de strafvordering verhinderen. Overwogen kan worden om aan dit terminologisch onderscheid structureel de consequentie te verbinden dat een verbod op strafvordering met zich brengt dat de opsporing van strafbare feiten evenzeer is uitgesloten. Indien de wetgever die betekenis zou willen toekennen aan het beschreven terminologische onderscheid, dan bestaat aanleiding om bij klachtdelicten niet langer de term ‘vervolging’ te bezigen en de strafvordering uit te sluiten. De ratio achter klachtdelicten geeft immers aanleiding om bij het ontbreken van een klacht ook opsporing achterwege te laten.