Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.3.2
2.3.2 Collisie van genotsrechten
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS389499:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie D. 8,4,15. Hetzelfde geldt voor rechten van waterleiding en waterhaling langs dezelfde plaats. Zie D. 8,3,2,1 (Neratius).
D. 8,3,2,2 (Neratius).
Zie D. 8,2,28 (Paulus). In het ius commune wordt de toepasselijkheid van dit vereiste betwijfeld. De Pandektisten erkennen evenwel nagenoeg unaniem de geldigheid van dit vereiste. Zie bijvoorbeeld Windscheid/Kipp I (1906), p. 1063 en Dernburg, Pandekten I (1894), p. 586. Voor de goede orde zij opgemerkt dat voortdurend niet wil zeggen onafgebroken. Het gaat erom dat de uitoefening niet slechts voor bepaalde tijd mogelijk moet zijn.
Zie Kaser I (1971), p. 442 en 443.
Anders Elvers 1854, p. 71 die ervan uitgaat dat het tweede recht toch tot stand komt, maar dat dit recht in de uitoefening moet wijken voor het eerst gevestigde recht. Deze toepassing van de prioriteitsgedachte in het kader van erfdienstbaarheden vindt evenwel geen steun in de bronnen.
Pomponius sluit in betreffende Digestentekst uitdrukkelijk de mogelijkheid uit om over dezelfde plaats zowel een recht van weg als een recht van waterleiding te vestigen.
Ook al is wat het goederenrecht betreft deze tweede vestiging zonder gevolg, de afspraken tussen partij hebben uiteraard wel verbintenisrechtelijke consequenties. Ook Windscheid acht het aannemelijk dat degene wiens recht niet tot stand gekomen is, zich met het verbintenissenrecht moet behelpen. Zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 1063, voetnoot 8. Mocht de eigenaar van het heersende erf toch in de uitoefening van zijn recht van erfdienstbaarheid worden belemmerd, dan kan hij met de actio confessoria optreden, niet alleen tegen de eigenaar maar tegen ieder die hem belemmert. Zie D. 8,5,10,1 (Ulpianus).
In mijn optiek is van collisie sprake indien rechten niet volledig naast elkaar kunnen worden uitgeoefend. Het gaat daarbij steeds om rechten van eenzelfde orde. Men spreekt dan ook niet van collisie indien een recht enkel door zijn bestaan een ander recht hindert, zoals het geval is tussen het recht van de eigenaar en dat van de beperkt gerechtigde. Zie Dernburg, Pandekten I (1894), p. 94.
Zie bijvoorbeeld D. 8,1,5,1 (Gaius) en 8,1,4,1 (Papinianus). Voor de goede orde zij opgemerkt dat het vereiste van de causa perpetua inhoudt dat een erfdienstbaarheid een permanente oorzaak moet hebben en derhalve blijvend moet kunnen worden uitgeoefend. Hieruit volgt geenszins dat de erfdienstbaarheid ook onafgebroken moet worden uitgeoefend.
Zie D. 8,3,2,1 (Neratius).
Zie D. 10,3,3,1 (Ulpianus).
Deze delingsactie wordt in de bronnen aangemerkt als utile (aangepaste) of quasi delingsactie.
Zie D. 43,20,4 (Julianus) en D. 7,1,13,3 (Ulpianus). In laatstgenoemd rescript wordt tevens als oplossing aangedragen dat partijen door stipulatie (overeenkomst) jegens elkaar een garantie geven over de wijze waarop zij het genot zullen uitoefenen. Deze weg zal echter slechts openstaan indien partijen in overleg tot een dergelijke overeenkomst kunnen komen.
Zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 873, voetnoot 3b.
Zie D. 10,3,10,1 (Paulus), waarover Elvers 1854, p. 74.
Zie D. 43,20,4 (Julianus) en D. 7,1,13,3 (Ulpianus).
Zie Kaser I (1971), p. 451.
Zie bijvoorbeeld D. 7,1,74 (Gaius) en D. 7,1,34 (Julianus).
Zie D. 7,1,13,3 (Ulpianus).
Zie Kaser I (1971), p. 451 en Windscheid/Kipp I (1906), p. 1031.
Ook in het geval van vestiging bij opvolging ontstaat een vruchtgebruik ten behoeve van meer personen. Hieraan besteed ik geen aandacht omdat aan beide gerechtigden achtereenvolgens het volledige vruchtgebruik toekomt, met als gevolg dat hun rechten niet met elkaar in conflict komen.
Zie D. 7,4,5,3 (Ulpianus), D. 8,5,9 pr. (Paulus), Kaser I (1971), p. 451.
Dit volgt wel uit de bronnen. Zie D. 7,1,15,7 (Ulpianus) en D. 7,1,16 (Paulus).
Terwijl het feit dat het vereiste van bezitsverschaffing niet expliciet uit de bronnen volgt, voor Windscheid een reden is om de toepasselijkheid ervan te ontkennen, komt Dernburg, gezien de analogie met het opstalrecht (zie voetnoot hierna), tot de tegenovergestelde conclusie. Zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 1114, voetnoot 3 en Dernburg, Pandekten I (1894), p. 647, voetnoot 5.
Ik schaar mij achter Dernburg, die uit het feit dat bestaande opstallen blijkens D. 43,18,1,7 (Ulpianus) door middel van traditio worden overgedragen, de gevolgtrekking maakt dat nieuwe opstallen eveneens door middel van traditio moeten worden gevestigd. Zie Dernburg, Pandekten I (1894), p. 644, voetnoot 8. Anders Windscheid/Kipp I (1906), p. 1121, voetnoot 12.
Zie Dernburg, Pandekten I (1894), p. 648.
De eigenaar die zijn grond met een erfdienstbaarheid heeft belast, behoudt de bevoegdheid om over zijn goed te beschikken. Het goederenrechtelijke karakter van de erfdienstbaarheid brengt met zich mee dat de eigenaar nog slechts kan beschikken over zijn goed met het daarop rustende beperkte recht. Als de beschikkingshandeling bestaat in het vervreemden van het goed, zal de verkrijger van het lijdende erf de erfdienstbaarheid moeten respecteren. Een stuk grond waarop de eigenaar reeds een erfdienstbaarheid heeft gevestigd, kan tevens nogmaals worden bezwaard met eenzelfde recht, aldus Paulus:
‘Dat degene die een recht van overpad of dreef over een bepaald terrein aan iemand heeft verleend, aan nog meer personen een recht van overpad of dreef kan verlenen, is juist. Evenzo kan iemand die zijn huis met een erfdienstbaarheid ten gunste van zijn buurman heeft belast, niettemin voor net zoveel anderen als hij maar wil hetzelfde huis met dienstbaarheden belasten.’1
De eigenaar van het lijdende erf kan dus zijn grond naar believen blijven bezwaren met erfdienstbaarheden. Hoewel de eerste vestiging van een erfdienstbaarheid ertoe leidt dat de eigenaar nog slechts beschikkingsbevoegd is over zijn goed met inachtneming van het daarop gevestigde beperkte recht, staat niets aan een meervoudige bezwaring met erfdienstbaarheden in de weg. Door een tweede bezwaring zal het eerder gevestigde recht van de grondeigenaar van het heersende erf immers veelal niet worden geschaad. Men denke aan meerdere rechten van overpad over dezelfde plaats, die doorgaans ongehinderd naast elkaar kunnen bestaan. Toch wijst Neratius erop dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid de vestiging van een tweede soortgelijk recht wel moet toelaten:
'Als het te leiden of te putten water toereikend is, kan men ook aan verscheidene personen toestaan om op dezelfde plaats en op dezelfde dagen of uren water te leiden.'2
In deze passage ligt een voorwaarde voor meervoudige vestiging besloten, te weten dat een eventueel tweede recht van erfdienstbaarheid naast het eerste kan bestaan. De vraag rijst hoe de verschillende beperkt gerechtigden zich tot elkaar verhouden als de eigenaar van het lijdende erf ondanks de ontoereikende hoeveelheid water overgaat tot de vestiging van een tweede recht van erfdienstbaarheid. Het gevolg daarvan zou immers zijn dat niet beide rechten van waterleiding respectievelijk waterhaling kunnen worden uitgeoefend. De – voor de moderne jurist wellicht voor de hand liggende – oplossing inhoudende dat de tweede beperkt gerechtigde in zijn uitoefening moet wijken voor het oudere recht, moet naar Justiniaans recht worden verworpen. Als algemeen vereiste voor de geldigheid van een servituut geldt namelijk dat het servituut voortdurend moet kunnen worden uitgeoefend (causa perpetua).3 Zo is voor de vestiging van een recht van waterleiding en waterhaling vereist dat er steeds, of steeds weer water vloeit.4 Aangenomen kan worden dat in het geval van een ontoereikende hoeveelheid water het tweede recht van erfdienstbaarheid niet tot stand komt omdat dit recht niet voortdurend kan worden uitgeoefend en daarmee niet voldoet aan alle geldigheidsvereisten.5 Uit D. 8,3,14 volgt tevens dat een tweede recht dat ofwel feitelijk niet kan worden uitgeoefend dan wel de feitelijke uitoefening van het eerst gevestigde recht volledig frustreert, niet kan worden gevestigd.6Het zal dientengevolge in zulke gevallen niet komen tot een collisie van de beperkt gerechtigden.7
Toch is het mogelijk dat er strijd ontstaat tussen de verschillende gerechtigden, bijvoorbeeld omtrent het tijdstip van uitoefening van hun rechten. Als zij tegelijkertijd van hun recht gebruik willen maken, is het denkbaar dat hun rechten collideren.8 De eigenaar van het lijdende erf kan de uitoefening van de rechten reguleren door regels op te stellen omtrent het gebruik van ieders recht. Zo kan de uitoefening worden verdeeld over bepaalde tijdsperioden en kan de wijze van uitoefening aan regels worden onderworpen.9 Door te bepalen dat de rechten van de verschillende buren op verschillende dagen of uren worden uitgeoefend, wordt collisie voorkomen.10 Ontbreken nadere bepalingen, dan kan de uitoefening van de erfdienstbaarheid door verschillende gerechtigden tot conflicten leiden. Om dergelijke geschillen te beslechten, is het van belang om te weten hoe de gerechtigden zich tot elkaar verhouden. Het is mogelijk om een rangorde vast te stellen aan de hand van het tijdstip van vestiging, niettemin wordt naar Justiniaans recht voor een andere oplossing gekozen. Ter zake van hun verhouding wordt namelijk een analogie gemaakt met mede-eigendom. Het Corpus Iuris veronderstelt in een dergelijk geval het bestaan van een gemeenschap tussen gelijkgerechtigden met als gevolg dat conflicten worden opgelost op grond van de regels die tussen mede-eigenaren gelden. Conform deze regels wordt de wijze van uitoefening in de eerste plaats bepaald door de afspraken die partijen daarover bij de vestiging van het recht hebben gemaakt.11 Als omtrent de uitoefening niets is afgesproken of het overeengekomene anderszins tot conflicten aanleiding geeft, kunnen de gerechtigden gezamenlijk de praetor om een delingsactie (iudicium communi dividendo12) verzoeken.13 Deze delingsactie leidt niet noodzakelijkerwijs tot een verdeling, maar kan ook resulteren in de regulering van de verhouding.14 Zo kan de rechter de wijze vaststellen waarop ieder der gerechtigden van zijn bevoegdheden gebruik mag maken of, indien hij dit in het belang van de partijen wenselijk acht, het recht aan de een toewijzen tegen betaling van een afkoopsom aan de ander.15 Deze oplossing stoelt – zo menen twee van de meest gezaghebbende klassieke juristen, te weten Julianus en Ulpianus – op de redelijkheid.16
In het kader van colliderende rechten van vruchtgebruik moet vooropgesteld worden dat vruchtgebruik in veruit de meeste gevallen wordt gevestigd bij testament.17 Aan de vestiging ligt vaak een verzorgingsgedachte ten grondslag. Met een recht van vruchtgebruik kan namelijk worden bewerkstelligd dat een erflater zijn vermogen aan een ander dan zijn echtgenote doet toekomen, maar aan haar wel een recht van vruchtgebruik legateert, om haar aldus niet onverzorgd achter te laten. Een situatie waarin meerdere personen een recht van vruchtgebruik hebben op één en dezelfde zaak komt in de Romeinsrechtelijke casuïstiek dan ook alleen in erfrechtelijk verband aan de orde, namelijk als gevolg van een erfstelling waarin aan meerdere personen gezamenlijk een recht van vruchtgebruik werd vermaakt.18 Ter beslechting van eventuele geschillen die tussen de vruchtgebruikers kunnen ontstaan, heeft het Romeinse recht ook hier in een delingsactie voorzien.19 De toepassing van een delingsactie in dit kader ligt in de rede omdat de vruchtgebruikers als deelgenoten in een gemeenschap gelijke rechten hebben met betrekking tot de goederen. De gemeenschap is ontstaan doordat aan de gerechtigden gezamenlijk het vruchtgebruik is vermaakt. De delingsactie is dan ook minder goed verdedigbaar indien de meervoudige gerechtigdheid anders dan door erfrechtelijke making ontstaat. Immers, dat het in het rechtsverkeer ongebruikelijk was, neemt niet weg dat het terdege mogelijk was om een vruchtgebruik onder levenden te vestigen om op die manier een goed te exploiteren.20 De vraag rijst of het mogelijk is dat er conflicten ontstaan doordat de eigenaar ter exploitatie van zijn goederen achtereenvolgens twee rechten van vruchtgebruik op dezelfde goederen vestigt.21 Uit het Corpus Iuris volgen weliswaar de nodige verbintenisrechtelijke sancties voor de eigenaar als hij inbreuk maakt op het recht van de vruchtgebruiker,22 de mogelijkheid op goederenrechtelijk gebied om op zijn goed een tweede recht van vruchtgebruik te vestigen krijgt geen behandeling. Hoewel uit dit enkele feit nog niet de conclusie kan worden getrokken dat de vestiging van een tweede vruchtgebruik niet mogelijk is, is die wel goed te verdedigen. Aan een vruchtgebruiker komt immers het volle genot van het goed toe. Het is onmogelijk om aan een tweede persoon datzelfde volle genot te verschaffen. De uitoefening van het tweede recht kan niet feitelijk mogelijk worden gemaakt, althans niet zonder het eerste recht te schaden. De eigenaar kan ook geen erfdienstbaarheden vestigen waardoor de positie van de vruchtgebruiker slechter wordt.23 Het komt mij voor dat beperkte rechten die het volle genot van de vruchtgebruiker beperken, niet tot stand kunnen komen. Een andersluidende oplossing – bijvoorbeeld dat het tweede recht conform de prioriteitsgedachte tot stand komt onder eerbiediging van het eerste recht van vruchtgebruik – vindt evenmin steun in de bronnen.
Ter zake van het recht van erfpacht kan aangenomen worden dat dit recht wordt gevestigd door middel van bezitsverschaffing (traditio).24 Hetzelfde geldt voor het opstalrecht.25 Nadat bezitsverschaffing heeft plaatsgevonden kan de eigenaar onmogelijk op hetzelfde goed nogmaals een recht vestigen waarvoor bezitsverschaffing is vereist. Na de vestiging komt het bezit immers toe aan de erfpachter of opstaller.26 Een collisie van erfpachters of opstallers op dezelfde onroerende zaak is dus ondenkbaar, omdat een tweede gelijksoortig recht niet tot stand kan komen.