Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/3.4.3
3.4.3 De goede trouw als beoordelingsmaatstaf
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS600795:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Heijden 1929, nr. 42 en 223.
Belinfante 1929, p. 148, MvA 1925. Zie ook hoofdstuk 2 § 4 van dit boek.
Bij de toetsing van besluiten tot statutenwijziging werd al sinds 1923 op grond van een uitspraak van de Hoge Raad zonder de opstap van art. 1373 en 1375 (oud) BW aan de goede trouw getoetst. In die gevallen werd als volgt geredeneerd: een besluit tot wijziging van de statuten vormde een handeling ter uitvoering van de statuten die op hun beurt deel uitmaakten van de tussen de oprichters en aandeelhouders gesloten overeenkomst. De tussen hen bestaande verhoudingen werden beheerst door de goede trouw. Derhalve moest, als besloten werd de statuten te wijzigen, voldaan worden aan art 1374 lid 3 (oud) BW. Dat betekende dat een besluit tot statutenwijziging alleen geoorloofd was als het naar inhoud en wijze van totstandkoming, voldeed aan de op grond van art. 1374 (oud) BW gestelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Zie HR 29 november 1923, W 11147, NJ 1924, p. 129, (Louisse/Zeeuwsche Colip. Kunstmestfabriek), m.nt. Molengraaff. Weliswaar betrof het een cooperatieve vereniging maar de teneur van deze uitspraak werd doorgetrokken naar andere rechtspersonen. Zie over dit onderwerp ook Noldus 1969 nr. 139 en de daar genoemde uitspraken.
HR 13 februari 1942, NJ 1942, 360 (Baus De Koedoe 1). Kist Visser 1929, p. 2112, Verdam 1940, p. 111 ev.
Misbruik van meerderheidsmacht leidde tot besluiten die in strijd waren met hetzij de wet of de statuten, hetzij de openbare orde of goede zeden. Dergelijke besluiten waren nietig. Zeylemaker, 1932 p. 166 en later Verdam 1940, p. 25 en 119, hebben gepleit voor het aanvaarden van misbruik van meerderheidsmacht als zelfstandige grond voor de nietigheid van besluiten. Dat pleidooi heeft niet veel weerklank gevonden. Naar de huidige stand van zaken beschouwd wordt het misbruik maken van meerderheidsmacht bestreken door de redelijkheid en billijkheid, zie het huidige art. 2:15 lid 1 sub b jo art. 2:8 BW.
HR 9 januari 1941, NJ 1941, 528 (Ter Kuile Willink). Zie verder Noldus 1969 nr. 139 en de daar genoemde rechtspraak.
Van der Heijden - Van der Grinten (1946 ) nr. 224.1.
HR 20 december 1946, NJ 1947, 59 (Kessels - Kessel), HR 9 mei 1952, NJ 1953, 563 (Huurgenot), HR 19 maart 1954, NJ 1955, 44, HR 15 november 1957, NJ 1958, 67 (Baris Riezenkamp).
'IR 30 oktober 1964, NJ 1965, 107 m.nt. GJS, AA XIV 63, m.nt. VdGr (Mante). Zie ook Noldus 1969, nr. 139 ev., Koelemeijer 1999, p. 17.
HR 18 juni 1982, NJ 1983, 200 m.nt. Ma (De Vries - Biologische Tuinbouwvereniging Elderveld), HR 2 december 1983, NJ 1984, 583 m.nt. Ma, (ICNMP Hubert), HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 375 m.nt. Ma (Sjardin), HR 9 januari 1987, NJ 1987, 959 m nt Ma (Juliana - Vecolac). Noldus 1969 nr. 160-226, behandelt een keur aan uitspraken, zie aldaar.
Hillsmann 1935, p. 27, Verdam 1940a, p. 18, Noldus 1969, nr. 3-5, Van Vliet 1988, p. 226.
In de rond 1929 en ook daarna - tot ongeveer het midden van 20ste eeuw gebruikelijke contractuele opvatting over het karakter van naamloze vennootschappen werd het nemen van besluiten gezien als de uitoefening van een contractuele bevoegdheid die voortvloeide uit de in de akte van oprichting vastgelegde vennootschapsovereenkomst. Die bevoegdheid behoorde te goeder trouw te worden uitgeoefend. Van der Heijden schreef hierover:
`Uit het contractuele karakter der NV vloeit voort, dat de bij de oprichtingsovereenkomst toegekende of daarop steunende rechten te goeder trouw, d.i. naar redelijke opvatting van billijkheid moeten worden uitgeoefend (artt. 1374, 1375 BW).'
En:
`Het besluit is uitvoering der in de akte van oprichting neergelegde vennootschapsovereenkomst. Als zodanig moet het naar de wijze van totstandkoming en inhoud voldoen niet alleen aan de eischen van wet en statuten, doch ook aan die van de goede trouw. Het moet naar redelijkheid en billijkheid genomen zijn. Voldoet het besluit aan deze voorwaarden niet, dan kan de rechter nietigverklaring uitspreken.'1
Besluiten moesten dus voldoen aan de eisen van de wet, de statuten én de goede trouw. Ten aan zien van de beantwoording van de vraag hoe een besluit aan de goede trouw getoetst zou moeten worden was men minder eensgezind. Minister Heemskerk wilde inhoudelijke toetsing van besluiten aan de goede trouw alleen toestaan in het kader van de rechtmatigheid van besluitvorming. De rechter mocht immers niet de plaats van de algemene vergadering innemen door hem te laten oordelen over de doelmatigheid van een besluit. De beoordeling van de doelmatigheid van een besluit behoorde zijns inziens voorbehouden te zijn aan de algemene vergadering.2 De Hoge Raad toetste besluiten in voorkomende gevallen wel aan de goede trouw.3 Een voorbeeld hiervan vormt het arrest van de Hoge Raad betreffende Baus De Koedoe I waarin het ging om de benoeming van een bestuurder die, naar de aandeelhouders wisten, ongeschikt was voor de vervulling van zijn taken. De Hoge Raad overwoog dat de minderheid van de aandeelhouders het recht zou hebben de nietigheid van een besluit in te roepen wegens strijd met de goede trouw, openbare orde of goede zeden als er sprake was van misbruik van meerderheidsmacht. Misbruik van meerderheidsmacht werd echter pas aanwezig geacht als de aandeelhouders met de benoeming de bedoeling gehad zouden hebben zichzelf of een derde onbillijk te bevoordelen of de vennootschap of een derde te schaden.4 De Hoge Raad gebruikte de in die tijd gangbare bewoording misbruik van macht. In feite werd daar niets anders mee bedoeld dan dat het besluit in strijd met de goede trouw was.5 Soms werd uitdrukkelijk naar art. 1374 en 1375 (oud) BW verwezen, in andere gevallen werd zonder verwijzing aangenomen dat het besluit in strijd met de goede trouw was.6 In de literatuur en rechtspraak werd ondertussen gezocht naar een rechtsgrond voor de toetsing van besluiten aan de goede trouw zonder dat daarvoor aangehaakt hoefde te worden bij de art. 1374 en 1375 (oud) BW. Van der Grinten schreef in 1946:
`De vraag rijst of dit zoeken naar een rechtsgrond (voor het toetsen van besluiten aan de goede trouw, toev.: AKW) niet onvruchtbaar is. Waarom kunnen wij niet als norm van ons recht aanvaarden, dat een besluit redelijk en billijk moet zijn, zonder deze uitspraak op een bepaald wetsartikel te gronden'.7
Vanaf het moment dat de Hoge Raad ook andere - niet wederkerige - rechtsverhoudingen aan de goede trouw toetste, was de weg wij om besluiten rechtstreeks, dat wil zeggen niet meer via de opstap van art. 1374 en 1375 (oud) BW, aan de goede trouw te toetsen.8 Zie voor de toetsing van andere, niet-wederkerige rechtsverhoudingen het arrest Kessels-Kessels waarin wordt geoordeeld dat de verhoudingen tussen erfgenamen beheerst worden door de goede trouw. In het Huurgenot-arrest (goede trouw in de verhouding tussen deelgenoten) en het arrest Baris Riezenkamp (precontractuele goede trouw) werd in dezelfde lijn beslist. De verhoudingen tussen de aandeelhouders onderling en de aandeelhouders en de vennootschap werden niet langer uitsluitend vanuit het contractuele perspectief beoordeeld. Het spectrum verschoof naar de goede trouw als norm, zonder dat die norm overigens verbonden was met een of meer specifieke wettelijke regels. De rechtsverhoudingen tussen alle bij de rechtspersoon betrokkenen worden beheerst door de goede trouw. Zie ook het latere art. 2:8 BW (en tussen 1976 en 1992 art. 2:7 (oud) BW) waarin dit algemeen geldende beginsel werd gecodificeerd. In die context vormde het Mante-arrest van 1965 een belangrijke mijlpaal. In deze uitspraak werd voor het eerst uitdrukkelijk aangenomen dat een besluit 'rechtstreeks' aan de goede trouw getoetst kon worden:
`dat, ook indien aan alle formele vereisten bij wet of statuten voor de wijze van oproeping van een aandeelhoudersvergadering gesteld, is voldaan, de eisen van redelijkheid en billijkheid die aandeelhouders jegens elkaar in acht hebben te nemen, onder omstandigheden kunnen meebrengen dat een aandeelhoudersvergadering niet tot het nemen van een besluit aangaande een onderwerp waarbij de belangen van bepaalde aandeelhouders in bijzondere mate zijn betrokken, overgaat, alvorens te hebben nagegaan of die aandeelhouders genoegzaam in de gelegenheid zijn gesteld aan de besluitvorming over dit hen in het bijzonder rakende onderwerp deel te nemen.'9
In het Mante-arrest stond de totstandkoming van een besluit en de goede trouw die daarbij in acht genomen dient te worden centraal. Nadien volgden verschillende uitspraken waarin de toetsing van zowel de totstandkoming als de inhoud van een besluit aan de goede trouw aan de orde kwam.10
Door de aanvaarding van de goede trouw als zelfstandige grond om besluiten aan te toetsen, kon ten aanzien van het besluit beoordeeld worden of voldaan was aan de uit de goede trouw - in de huidige terminologie: redelijkheid en billijkheid - voortvloeiende eisen die de verhoudingen tussen aandeelhouders onderling bepaalden en die zij ten opzichte van elkaar in acht dienden te nemen. De aanvaarding van deze opvatting in literatuur en jurisprudentie betekende dat het voor de toetsing van besluiten aan de goede trouw niet meer nodig was het besluit als overeenkomst of als uitvoeringshandeling van de oprichtingsovereenkomst aan te merken.11 Door deze ontwikkelingen kon een besluit aan de goede trouw getoetst worden.