Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/3.4.0
3.4.0 Introductie
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS598528:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Belinfante 1929, p. 153-154, MvA 1925.
Dumoulin 1999, nr. 45-49.
Van der Heijden en aanvankelijk ook Van der Grinten meenden dat art. 46a lid 2 WvK niet van toepassing was als er geen besluit tot stand gekomen was. Er was dan slechts de schijn van een besluit, een schijnbesluit of ook wel non existent besluit. Artikel 46a lid 2 WvK gaf naar hun mening alleen een voorziening voor besluiten die tot stand gekomen waren. Van der Heijden Van der Grinten 1955 nr. 224, Van der Grinten 1949 p. 96, Verdam 1938, p. 205, HR 12 november 1971, NJ 1972, 41 m.nt. GJS (Prisma Shoes). Noldus dacht hier anders over. Hij las art. 46a lid 2 WvK zo dat lid 2 alleen zag op een voldoende aantal geldige stemmen. Dat bracht met zich mee dat in zijn visie de nietigheid van een dergelijk besluit kon worden ingeroepen. Noldus 1969, nr. 43, 47, 48 en 56, Dumoulin 1999, nr. 40-44.
In art. 46a WvK werden twee gronden voor het inroepen van de nietigheid van een besluit genoemd. De eerste grond was dat het besluit niet op 'regelmatige wijze' tot stand gekomen was. Een besluit was niet op regelmatige wijze, in de zin van art 46a WvK, genomen als de vergadering waarin dat besluit genomen werd niet op juiste wijze bijeengeroepen was.
Dat de nietigheid van een besluit dat niet op regelmatige wijze tot stand gekomen was, kon worden ingeroepen is op zichzelf een duidelijke bepaling. Toch leidde de bepaling tot vragen. Uit de toelichting bij art 46a WvK werd afgeleid dat alle bijeenkomsten van aandeelhouders, ongeacht hun wijze van bijeenroeping, aangemerkt moesten worden als een algemene vergadering. Als iedere bijeenkomst van aandeelhouders als een algemene vergadering beschouwd wordt, zou art. 46a WvK op alle besluiten van toepassing zijn, ongeacht of zij in een algemene vergadering of een andere bijeenkomst genomen waren. Dat verhield zich slecht met het onderscheid dat gemaakt werd tussen besluiten die in een algemene vergadering genomen werden en besluiten die buiten vergadering genomen werden. Het onderscheid tussen het nemen van besluiten in een algemene vergadering en buiten vergadering is terug te voeren op het Ontwerp Heemskerk. Daarin was een voorziening opgenomen voor het raadplegen van aandeelhouders op een andere wijze dan in een algemene vergadering. De tekst van art. 46b lid 2 uit het ontwerp Heemskerk luidde als volgt:
`Bij de akte van oprichting van zoodanige vennootschap kan worden bepaald, dat de raadpleging van de aandeelhouders op andere wijze dan door het houden van eene algemene vergadering zal kunnen geschieden. Alsdan treedt, waar in deze afdeeling sprake is van algemeene vergadering of een besluit van die vergadering, daarvoor in de plaats zoodanige andere wijze van raadplegen of een besluit krachtens deze andere wijze van raadplegen'.
Het opnemen van dit artikel werd met de volgende woorden toegelicht:
`Volgens § 4 van Artikel I(3) van het Gewijzigd ontwerp van wet - hetwelk in zooverre overeenkomt met § 4 van artikel II(4) van het oorspronkelijke wetsontwerp - geschiedt raadpleging van de aandeelhouders in een vergadering van aandeelhouders. Het houden van ten minste één algemeene vergadering per jaar wordt dwingend voorgeschreven (art 43a Gewijzigd ontwerp van wet). Ook verdere beraadslagingen vinden in vergadering plaats. Dit kan voor sommige vennootschappen tot noodelozen omslag leiden. Daarom opent art 46b(5) van het Gewijzigd ontwerp van wet de mogelijkheid om voor te schrijven, dat de raadpleging der aandeelhouders zal kunnen geschieden op andere wijze dan door het houden eener algemeene vergadering van aandeelhouders. Deze andere wijze zal in de practijk wel zijn schriftelijk overleg. Het moet steeds blijven een raadplegen van de aandeelhouders. Slechts dan kan het eventueele besluit gelijke beteekenis hebben als dat der algemeene vergadering. Het volgen van de "andere wijze" sluit van rechtswege de niet-toepasselijkheid van daarmede onvereenigbare bepalingen in. Zoo komt bij schriftelijke behandeling bij voorbeeld een oproeping ter vergadering in het algemeen niet te pas."1
In het Verslag van de commissie van voorbereiding bij het ontwerp Heemskerk werd er op gewezen dat de nv als rechtsvorm voor verschillende typen ondernemingsactiviteiten bruikbaar is. De vanuit economisch oogpunt als zuivere kapitaalsassociatie te beschouwen nv werd gesteld tegenover de familievennootschap, die zich kenmerkt door een nauwe onderlinge band tussen de aandeelhouders. Overwogen werd voor die 'besloten' vennootschappen aan een aantal bepalingen het dwingend karakter te ontnemen of een speciale familievennootschap in het leven te roepen. Uiteindelijk werd een aparte rechtsvorm niet noodzakelijk of wenselijk geacht. De voorgestelde regeling bood voldoende mogelijkheden tot differentiatie. Voor wat betreft de regeling over het houden van een vergadering werd wel een alternatief wenselijk geacht. Toegestaan werd dat bij dergelijke vennootschappen het raadplegen van aandeelhouders ook op een andere manier dan in een algemene vergadering kon geschieden. Dit werd vastgelegd in art. 46b lid 2 BW. Dit artikel stond toe dat aandeelhouders van een vennootschap met een besloten karakter - mits de statuten dat uitdrukkelijk toestonden - op 'andere wijze dan in een vergadering' geraadpleegd werden. Hoe dat diende te geschieden, was niet in de wet geregeld. In de toelichting bij het ontwerp, zie hiervoor, werd verondersteld, en zo werd dit voorschrift ook uitgelegd, dat dit in de praktijk wel een schriftelijke raadpleging zou zijn. De verhouding tussen art. 46a lid 2 en 46b lid 2 WvK bleek in de praktijk echter toch niet zo duidelijk te zijn als de opstellers van deze teksten veronderstelde,. Dat leidde tot nogal wat discussie over wat wij nu besluitvorming buiten vergadering noemen. Ik kan dat het beste illustreren aan de hand van de toelichting bij het ontwerp Heemskerk. Daarin werd gesteld dat een besluit niet op regelmatige wijze, in de zin van art 46a WvK, genomen was, als de vergadering waarin dat besluit genomen werd niet op juiste wijze bijeengeroepen was. Volgens de toelichting bij art 46a WvK konden alle bijeenkomsten van aandeelhouders, ongeacht hun wijze van bijeenroeping, aangemerkt worden als algemene vergadering. In een niet op correcte wijze bijeengeroepen vergadering konden dus wel besluiten genomen worden, maar deze besluiten waren vernietigbaar. Voor het raadplegen van aandeelhouders op andere wijze, zie lid 2 van art. 46b WvK en het op die manier nemen van een besluit, was het juist de bedoeling dat er géén algemene vergadering - in de zin van een tot dat doel bijeengeroepen bijeenkomst - gehouden werd. Door alle bijeenkomsten van aandeelhouders als algemene vergadering aan te merken werd het wel erg moeilijk gemaakt om anders dan in een vergadering besluiten te nemen. Dat was echter een minder groot probleem dan op het eerste gezicht leek. In de memorie van antwoord was over het nemen van besluiten op andere wijze dan in een vergadering opgemerkt dat het' in de praktijk wel om een schriftelijke raadpleging zou gaan'. Als er maar een raadpleging van aandeelhouders was, kon het besluit dezelfde betekenis hebben als een besluit genomen in een algemene vergadering. Het nemen van besluiten buiten vergadering (maar wel in een bijeenkomst van de aandeelhouders) was mogelijk, al diende men er voor te waken dat die bijeenkomst niet als een op onjuiste wijze bijeengeroepen algemene vergadering, werd aangemerkt. Dat leverde namelijk vernietigbare besluiten op en dat was niet de bedoeling van het op andere wijze raadplegen van aandeelhouders en anders dan in een algemene vergadering nemen van een besluit. Zolang men dus maar in het oog hield dat het raadplegen van aandeelhouders buiten vergadering op correcte wijze geschiedde was er weinig aan de hand. In de literatuur is aan deze controverse weinig aandacht besteed omdat zolang de nv als overeenkomst werd gezien, aangenomen werd dat een besluit van de aandeelhouders, hoe dat ook genomen was, een besluit van de vennootschap was.'2
Als tweede grond voor het inroepen van de nietigheid van een besluit noemde art. 46a WvK de totstandkoming van een besluit zonder de door de wet of statuten vereiste medewerking van aandeelhouders. In de Memorie van Antwoord werd als een voorbeeld daarvan genoemd een besluit waarover niet-aandeelhouders hadden meegestemd. De vraag rees of er in een dergelijk geval wel sprake was van een besluit en zo ja, of dat wel een besluit van de vennootschap was. De meestemmende 'niet aandeelhouder' stond immers niet in een verhouding tot de vennootschap. Rond dit vraagstuk, dat meer de totstandkoming van besluiten dan de toetsing betreft en dat ik daarom hier niet verder zal bespreken, ontwikkelde zich de problematiek van de schijnbesluiten.3