Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.4.1
5.4.1 Wettelijke en statutaire beperkingen en uitbreidingen van bestuursbevoegdheden; het verleggen van de bevoegdheid tot strategiebepaling naar de AV
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232591:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld hiervan is artikel 2:107a BW. Mijns inziens zou het wetsartikel dan ook moeten aanvangen met de woorden: “Behoudens beperkingen volgens de wet en de statuten…”. Zie in dezelfde zin par. 7 van de reactie op de consultatie van het voorontwerk bedenktijd voor beursvennootschappen van Allen & Overy van 7 februari 2019, internetconsultatie.nl/wetsvoorstelbedenktijd/reacties.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/121 en 155-156. In dezelfde zin, specifiek ten aanzien van het bepalen van de strategie: Van Olffen, Ondernemingsrecht 2019/12, par. 2.1 en Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 3. Laatstgenoemde ziet het bepalen van de strategie als kerntaak van het bestuur, die niet aan het bestuur kan worden ontnomen en overgedragen aan de AV. Zie ook: Van Schilfgaarde, nr. 67. Opname in de statuten van bevoegdheden van de AV ten aanzien van de strategie lijkt hem “een hachelijke zaak”.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/5.
Bulten, Ondernemingsrecht 2019/76, par. 3.7.
Assink, MvO 2018/7, par. 5.8b; Timmerman 2018, par. 2.2.9; Assink 2019, par. 9.
De genoemde flexibiliteit wordt niet beperkt door de codificatie van de bevoegdheid tot bepaling van beleid en strategie zoals voorgesteld in het Wetsvoorstel Bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap. Zowel uit de tekst van de voorgestelde wet als uit de memorie van toelichting blijkt dat dit het bestaande systeem niet wijzigt. Zie ook verderop in deze paragraaf.
Dit wordt geopperd in Assink 2019, par. 9.
Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 3 en Bulten, Ondernemingsrecht 2019/76, par. 3.7.
Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. Blanco Fernández (Stork), r.o. 3.14; HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.3; HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI), r.o. 4.4.1; HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.6.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.3.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.3; HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI), r.o. 4.4.1.
In Hof Amsterdam (OK) 13 mei 2008, JOR 2008/158, r.o. 3.1 (ASMI) noemde de Ondernemingskamer deze bevoegdheden en tevens het agenderingsrecht. Het agenderingsrecht is met name een procedurele en geen inhoudelijke bevoegdheid, dus niet goed valt in te zien hoe die de bestuurstaak zou kunnen beperken anders dan in combinatie met een inhoudelijke bevoegdheid.
Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3 (MvT), p. 10.
Zie ook paragraaf 6.2.4 van dit proefschrift.
Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 2, artikel I.B.
Bulten, Ondernemingsrecht 2019/76, par. 3.7.
Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3, p. 10 en 37.
Zie ook: Van Olffen, Ondernemingsrecht 2020/51, par. 2.1.
Assink, MvO 2018/7, par. 5.8b. Zie ook Timmerman 2018, par. 2.2.9. In dergelijke gevallen zal op aandeelhouders bij het totstandkomen van de besluitvorming in de AV een zwaardere zorgvuldigheidsplicht rusten om rekening te houden met de belangen van de vennootschap, haar onderneming en relevante stakeholders. Zie hierover paragraaf 5.2.2.
Artikel 2:25 BW. Zie in dezelfde zin: Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/231.
Artikel 2:10 BW.
Artikel 2:69 BW.
Artikel 2:85 BW.
Artikel 2:94b BW.
Artikel 2:94c BW.
Artikel 2:101 en 392 BW.
Artikel 2:126 BW.
Artikel 2:141 BW.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §51.1.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/155.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/389 en 414. In vergelijkbare zin: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/155.
Koelemeijer, par. 7.3.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/155 en Kamerstukken II 1998/99, 26 277, nr. 3 (MvT), p. 11.
Zie paragraaf 5.2.2 van dit proefschrift.
Assink 2007, nr. 8. Zie ook: par. 3.7 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Delaware Supreme Court, Paramount Communications, Inc. v. Time Inc., 571 A.2d 1140 (Del. 1989).
Artikel 2:129 lid 4 BW. Voor de BV is met de Wet Flex-BV de mogelijkheid ingevoerd om niet slechts algemene maar ook concrete instructies te geven aan het bestuur, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (zie artikel 2:239 lid 4 BW). Een dergelijke instructiebevoegdheid van aandeelhouders kon overigens ook al in de arbeids- of managementovereenkomst van de bestuurder worden opgenomen; hoewel de status hiervan niet geheel duidelijk is, wordt hier in de rechtspraak wel degelijk belang aan gehecht. Zie Rb. Amsterdam 12 januari 2011, JOR 2011/250, m.nt. C.D.J. Bulten (Canicula/ING Trust) en Rb. Amsterdam 2 augustus 2017, JOR 2018/117, m.nt. S.M. Bartman (Cancun Holding II/TMF). In zijn annotatie is Bartman kritisch op laatstgenoemde uitspraak. In de literatuur wordt door sommigen al aangenomen dat het onderscheid tussen algemene en concrete instructies met de wijziging van het BV-recht ook voor de NV is verdwenen. Zie hierover uitgebreid: Assink & Verbrugh 2016, par. 3.3.4 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/153. Voor zover dat niet zo zou zijn, zie ik geen reden waarom de mogelijkheid om te voorzien in een statutair specifiek instructierecht niet ook in het NV-recht zou moeten kunnen worden opgenomen.
HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I), r.o. 4.2.1.
Rb. Amsterdam 2 augustus 2017, JOR 2018/117, m.nt. S.M. Bartman (Cancun Holding II/TMF), r.o. 4.11-4.12.
Hof Amsterdam 23 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1790.
Zoals de rechtbank overwoog: “De enquêteprocedure kent een eigen inrichting en procesregels en dient een ander doel dan de onderhavige procedure. De rechtbank zal dus zelfstandig de aan het adres van Equity Trust gemaakte verwijten beoordelen en vaststellen of deze een persoonlijk ernstig verwijt dan wel schending van verplichtingen uit de managementovereenkomst opleveren.” Zie Rb. Amsterdam 2 augustus 2017, JOR 2018/117, m.nt. S.M. Bartman (Cancun Holding II/TMF), r.o. 4.8.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §4.2.
Kamerstukken II 1990/91, 21 038, nr. 22, p. 5-6; Kamerstukken II 1997/98, 25 732, nr. 3 (MvT), p. 2 en 6; Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1, p. 15; Kamerstukken II, 30 419, nr. 3 (MvT), p. 16. Zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 038, nr. 22, p. 4: “…een vasthoudende bieder die de meerderheid van de aandelen verwerft, zal, indien hij zich de tijd gunt, naar wordt aangenomen iedere hindernis kunnen nemen die is opgeworpen…”.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.4.1, p. 20-21.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.34.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.35.
Voor de bestuursbevoegdheid blijkt uit artikel 2:129 lid 1 BW dat deze beperkt kan worden. Dit artikel spreekt van “beperkingen volgens de statuten”, maar hierbij moet worden aangenomen dat beperkingen ook uit de wet kunnen volgen.1 Een voorbeeld hiervan vormt artikel 2:107a BW. Wettelijke beperkingen van de bestuursbevoegdheid kunnen ook volgen uit het overhevelen van bevoegdheden aan de AV en kunnen meen ik ook zien op het beleid en de strategie van de NV. Hoewel het bestuur de algemene bevoegdheid toekomt om het beleid te bepalen, zijn ook specifieke bevoegdheden aan de AV toegekend op het gebied van beleid, die daarmee dus niet toekomen aan het bestuur. Een voorbeeld van zo’n AV-bevoegdheid op grond van de wet is het bepalen van het beleid voor de bezoldiging van het bestuur.2
Over hoe ver statutaire beperkingen van de bestuursbevoegdheid kunnen gaan, met name waar die beperkingen het gevolg zijn van het overhevelen van bevoegdheden naar de AV, in het bijzonder voor zover die zien op de strategie, wordt verschillend gedacht. Van Solinge, Nieuwe Weme en Van Olffen menen dat de bestuursbevoegdheid, waaronder het bepalen van de strategie, enkel aan het bestuur kan worden ontnomen, maar dat die bevoegdheid niet statutair aan een ander orgaan kan worden toebedeeld.3 Wel kan volgens hen in besloten verhoudingen mogelijk van dit standpunt worden afgeweken, maar bij een beursvennootschap achten zij het in ieder geval niet geoorloofd dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de strategie wordt overgedragen aan de AV.4 Bulten verdedigt de ‘strenge leer’ en stelt dat onderdelen van de bestuurstaak nimmer aan een ander orgaan kunnen worden overgedragen.5 Tegenover de Nijmeegse school staan Timmerman en Assink, die menen dat het toegelaten is dat een deel van de bestuursbevoegdheid, waaronder het vaststellen van de strategie, wordt overgeheveld naar een ander orgaan, zoals de AV.6
Ik sluit mij in dit geval aan bij de Rotterdamse school. Uit de tekst van artikel 2:129 lid 1 BW blijkt dat ons vennootschapsrecht hier flexibiliteit biedt en dat de statuten beperkingen kunnen bevatten die zien op de gehele bestuursbevoegdheid.7 Daarbij lijkt het mij onlogisch en niet getuigen van een effectief ondernemingsrecht als een onderdeel van de bestuursbevoegdheid, zoals het bepalen van de strategie, wordt ontnomen aan het bestuur, maar niet wordt toebedeeld aan een ander orgaan. Wordt er dan geen strategie bepaald? Daarvan kan geen sprake zijn, zeker niet wanneer de NV een onderneming drijft. Valt die ontnomen bestuursbevoegdheid dan op grond van artikel 2:107 lid 1 BW van rechtswege toe aan de AV?8 Dat laatste is een mogelijkheid, maar dat zou de facto neerkomen op eenzelfde uitkomst als wanneer de desbetreffende bevoegdheid statutair aan de AV zou worden toegekend. Dat betekent dat er in elk geval geen sprake is van een principiële strijd met de vennootschappelijke orde, wanneer de bevoegdheid tot het bepalen van de strategie wordt toebedeeld aan de AV, zoals door sommigen wordt betoogd.9 Deze visie wordt mijns inziens ondersteund door de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin meerdere keren is geoordeeld dat “het bepalen van de strategie van een vennootschap en de daaraan verbonden onderneming inbeginsel een aangelegenheid is van het bestuur van de vennootschap” [onderstreping SBGN].10 Ik lees hierin dat de bevoegdheid tot het bepalen van de strategie niet absoluut is en onder andere beperkt kan worden door concrete statutaire en wettelijke bevoegdheden van andere organen. Die lezing wordt ondersteund doordat de AV op haar beurt “haar opvattingen terzake tot uitdrukking kan brengen door uitoefening van de haar in wet en statuten toegekende rechten” [onderstreping SBGN].11 Het woord “terzake” slaat terug op de strategie zoals die “in beginsel” bepaald wordt door het bestuur. Volgens de Hoge Raad wordt hiermee over het algemeen bedoeld dat het bestuur niet verplicht is de AV vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is (waaronder het bepalen van de strategie) “behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen”.12 Dergelijke regelingen kunnen zien op het recht om commissarissen en bestuurders te benoemen en te ontslaan,13 maar ook op statutaire herallocatie van strategische bevoegdheden. Tot slot blijkt ook uit de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap dat het bestuur, in ieder geval binnen besloten verhoudingen, in voorkomende gevallen niet noodzakelijkerwijs de strategie bepaalt.14 Volgens mij kan datzelfde in theorie gelden bij open verhoudingen, en verzetten de formulering van en de toelichting op voornoemd wetsvoorstel zich daar niet tegen. Op basis van de wet, jurisprudentie en wetsgeschiedenis zou ik daarom willen aannemen dat de bevoegdheid tot strategiebepaling strikt genomen van regelend recht is en kan worden beperkt door nadere wettelijke en statutaire regelingen, ook door die bevoegdheid geheel of deels aan een ander orgaan toe te kennen.15
Op het moment van schrijven is het voornoemde wetsvoorstel nog niet aangenomen. In het wetsvoorstel wordt een wijziging van artikel 2:129 lid 1 BW voorgesteld. Deze wijziging komt erop neer dat voor beursvennootschappen wordt bepaald dat onder het besturen van de vennootschap in ieder geval wordt begrepen het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.16 Met Bulten meen ik dat deze wijziging enkel verduidelijkt dat het bepalen van het beleid en de strategie onder de bestuurstaak moet worden begrepen.17 De woorden “[b]ehoudens beperkingen volgens de statuten” zien ook op het tweede deel van het voorgestelde artikel. Daarnaast merkt de wetgever in de memorie van toelichting op dat de voorgestelde wijziging een codificatie van jurisprudentie betreft (welke jurisprudentie ruimte laat voor afwijkingen, zie hiervoor) die inhoudt dat het bestuur in beginsel over het beleid en de strategie gaat.18 In mijn visie is statutaire afwijking van het beginsel dat het bestuur het beleid en de strategie bepaalt daarmee na de eventuele invoering van dit voorstel nog net zo goed mogelijk als onder het (op het moment van schrijven) huidige recht.19
Voor zover de strategie louter gaat over de visie en doelstellingen op hoofdlijnen, meen ik met Assink dat het vaststellen hiervan volledig bij de AV zou kunnen worden gelegd.20 Ook kunnen bestuursbesluiten, zelfs waar die gaan over het beleid en de strategie, onderworpen worden aan de voorafgaande goedkeuring van de AV. In besloten verhoudingen, zoals bij groepsvennootschappen van een concern of bij portfoliovennootschappen die gehouden worden door private equity maatschappijen, is het niet ongebruikelijk dat meerjarige businessplannen en jaarlijkse budgetten moeten worden goedgekeurd of vastgesteld door de AV, hetgeen feitelijk niets anders is dan het inkaderen van de vrijheid van het bestuur om de strategie te bepalen, door deze bevoegdheid deels bij de AV te leggen. Ik geef direct toe dat dit in de context van beursvennootschappen minder praktisch lijkt, maar dat maakt het niet principieel onmogelijk of ongewenst. Bij beursvennootschappen met een grootaandeelhouder, zoals bij Boskalis, Heineken of Randstad, lijkt het me in voorkomende gevallen ook logisch en gewenst dat de strategie wordt bepaald in samenspraak met de grootaandeelhouder.
Er zijn wat mij betreft twee belangrijke beperkingen op het verleggen van onderdelen van de bestuurstaak van het bestuur naar een ander orgaan. Ten eerste kan dit niet zien op bevoegdheden die dwingendrechtelijk zijn toegekend aan het bestuur. Dit volgt uit het feit dat van de bepalingen van boek 2 BW slechts kan worden afgeweken, voor zover dat uit de wet blijkt.21
Bestuurstaken die dwingendrechtelijk zijn toebedeeld aan het bestuur en die om die reden niet kunnen worden verlegd naar een ander orgaan betreffen de volgende: de verplichtingen tot het voeren van een deugdelijke administratie,22 het inschrijven van de vennootschap in het handelsregister,23 het bijhouden van een aandeelhoudersregister,24 het ondertekenen van een beschrijving van een inbreng op aandelen anders dan in geld25 of van de beschrijving in het kader van de Nachgründungsregeling,26 het opmaken van de jaarrekening en het bestuursverslag en het toevoegen van de gegevens als bedoeld in artikel 2:392 BW,27 het oproepen van een AV indien het vermogen is gedaald tot een bedrag gelijk aan of lager dan de helft van het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal,28 het bij het handelsregister neerleggen van een afschrift van statutenwijziging en de gewijzigde statuten,29 het verschaffen van noodzakelijke gegevens aan de raad van commissarissen,30 het opstellen van een voorstel tot fusie en een toelichting daarop, het neerleggen van afschriften ter inzage daarvan en het informeren van de AV over na het voorstel gebleken belangrijke wijzigingen in de activa en de passiva31 en de gedeelde bevoegdheid (tezamen met de raad van commissarissen) tot het ontslaan van aansprakelijkheid van een voormalig aandeelhouder voor het op een aandeel te storten bedrag.32
Ten tweede kan het verleggen van bestuursbevoegdheden niet zover gaan dat hierdoor feitelijk de volledige bestuurstaak aan dat andere orgaan wordt toegekend. De bestuurstaak kan niet geheel aan het bestuur worden ontnomen.33 Zij kan ook niet onbeperkt worden ingeperkt. De bestuurstaak kan niet aan anderen worden opgedragen en de statuten mogen de bestuursbevoegdheid niet aan het bestuur ontnemen, bijvoorbeeld door te vergaande statutaire instructierechten en benodigde goedkeuringen door een ander orgaan voor te schrijven.34 Er moet een “rest aan reële autonome bestuursbevoegdheid overblijven”35 en er mag geen sprake zijn van “volledige uitholling van de bestuurstaak”.36 Zo is het niet mogelijk om (vrijwel) alle bestuursbesluiten aan goedkeuring van een ander orgaan te onderwerpen.37 Voor zover de bestuursbevoegdheid wordt ingeperkt door het overhevelen van bevoegdheden aan de AV, moet ervan worden uitgegaan dat er op de AV een toenemende verantwoordelijkheid rust bij uitoefening van die bevoegdheden, met name waar die bevoegdheden zien op de strategie van de NV.38
Ook in de Verenigde Staten valt het bepalen en uitvoeren van het beleid en de strategie onder de bestuursrol.39 Dit betreft tevens het bepalen van strategische doelen op de lange termijn. Die kerntaak van het bestuur kan volgens de Delaware Supreme Court niet worden uitgeoefend door aandeelhouders: “The fiduciary duty to manage a corporate enterprise includes the selection of a time frame for achievement of corporate goals. That duty may not be delegated to the stockholders.”40
Een statutaire beperking van bestuursbevoegdheid kan er ook in bestaan dat een statutair instructierecht voor de AV wordt opgenomen waarin wordt bepaald dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de AV die de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in de statuten aangegeven terreinen betreffen.41 Deze statutaire instructiemacht moet onderscheiden worden van de ‘feitelijke instructiemacht’ van de AV. Hierover ging de behandeling van een cassatiemiddel in de Cancun-beschikkingen. In dit middel werd betoogd dat het belang van de joint venture geheel samen zou vallen met de belangen van de aandeelhouders, op gelijke wijze als een statutaire instructiebevoegdheid (die niet was opgenomen). De Hoge Raad overwoog dat het bestuur van een vennootschap niet verplicht is de instructies van de AV of van een of meer bepaalde aandeelhouders op te volgen, maar een eigen verantwoordelijkheid heeft om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming. Dat is niet anders indien de aandeelhouders op grond van de machtsverhoudingen binnen de vennootschap ‘feitelijke instructiemacht’ hebben.42 Interessant is dat de vennootschap na de genoemde enquêteprocedure een bodemprocedure begon tegen de voormalig bestuurders om schade op hen te verhalen. De rechtbank ging hier (net als eerder de Ondernemingskamer) in op de vraag of de bestuurders er goed aan hadden gedaan om de instructie van de aandeelhouders op te volgen. De rechtbank kwam bij de beoordeling van deze vraag tot een ander oordeel dan de Ondernemingskamer en de Hoge Raad in de enquêteprocedure:
“Nu de emissie een initiatief van de aandeelhouders was, bijgestaan door advocaten, zonder betrokkenheid van het bestuur van Cancun II, was het primair aan de aandeelhouders zelf om de door hen gemaakte afspraken over de tijdelijkheid van de emissie vast te leggen en voorzieningen te treffen voor het geval Sabadell toch zou afhaken. HetvoertnogalveromditvanEquityTrustteverwachten,diealstrustbestuurderdeinstructiesvandeaandeelhoudershadoptevolgen. […]
DerechtbankisvanoordeeldatEquityTrusttegoedertrouwisafgegaanopdeinstructiediezijvandeaandeelhouderskreeg.Zijmochtervanuitgaandathetpanklareplandatzijkreeggepresenteerd,doordeaandeelhoudersenhunadvocatengoedwasdoordachtinhetlichtvanhunonderlingeverhoudingen,inclusiefderuilverhoudingenhetniveauwaaropdeemissiezouplaatsvinden (in Efesyde dan wel in Cancun II). Bij deze stand van zaken kan Equity Trust er geen verwijt van worden gemaakt dat zij niet heeft gecontroleerd of er een zakelijke ruilverhouding werd gehanteerd en dat zij geen voorwaarden heeft gesteld of zekerheden heeft bedongen. Evenmin heeft Equity Trust hier in strijd gehandeld met haar verplichtingen uit de managementovereenkomst, waarvoor geen strengere maatstaf geldt dan artikel 2:9 BW.”43 [onderstreping SBGN]
Inmiddels is het vonnis van de rechtbank in hoger beroep bekrachtigd.44 Uiteraard betreffen de enquêteprocedure en de civiele procedure twee verschillende procedures met verschillende beoordelingskaders. In de enquêteprocedure is vastgesteld dat sprake is geweest van wanbeleid door een bestuurder en van verwijtbaar handelen door de trustbestuurder. Dit brengt niet automatisch met zich dat in de aansprakelijkheidsprocedure ook geoordeeld wordt dat de trustbestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.45 Niettemin is het wat mij betreft opmerkelijk – en ergens zelfs onwenselijk – dat over de vraag of de bestuurder de instructie van de aandeelhouder mocht (of moest) opvolgen in zulke sterk tegenstrijdige bewoordingen wordt geoordeeld in de verschillende procedures.
De gedachte van de feitelijke instructiemacht vertoont gelijkenissen met de in de literatuur wel uitgesproken gedachte dat het zich in de praktijk niet goed laat indenken dat de visie van een meerderheid van de aandeelhouders consequent en langdurig wordt genegeerd.46 Die gedachte zou ook gezien kunnen worden als een informele beperking van de bestuursbevoegdheid. Ook in de parlementaire geschiedenis is in de periode van 1991 tot en met 2005 herhaaldelijk (in wisselende bewoordingen) het standpunt ingenomen dat de ondernemingsleiding een ingrijpend gewijzigde (economische) machtsverhouding in de AV niet voor onbepaalde tijd moet kunnen negeren.47 De Commissie Peters merkte in 1997 ook op dat algemeen onder de kapitaalverschaffers levende opvattingen over onderwerpen die hen aangaan door de ondernemingsleiding niet langdurig genegeerd mogen worden.48 Met name de zinsnede “over onderwerpen die hen aangaan” lijkt me van belang bij het inkaderen van de hiervoor genoemde overtuigingen. De AV moet in beginsel inderdaad kunnen besluiten over de onderwerpen die binnen haar bevoegdheid vallen. Relevant is in dat kader wat bedoeld wordt met “negeren”. Zoals ook blijkt uit het Fugro-arrest, heeft de AV enkel iets te zeggen (in de zin dat zij bindende besluiten kan nemen) over onderwerpen die haar aangaan. Gaat het om onderwerpen waarover de AV niet bevoegd is, dan mogen de aandeelhouders daarover op de AV van gedachten wisselen, maar zij mogen daarover niet stemmen en kunnen niet hun wil opleggen aan het bestuur. In laatstbedoelde zin kan de meerderheid van de AV wel degelijk “genegeerd” worden.
Zoals blijkt uit de AkzoNobel-beschikking betekent het feit dat een besluit van de NV niet strookt met de wil van (een meerderheid van) de aandeelhouders niet zonder meer dat de NV in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen.49 Wat ook blijkt uit de AkzoNobel-beschikking is dat een onder de aandeelhouders levend onbegrip over het gevoerde beleid niet genegeerd kan worden.50 Ik begrijp dit zo dat het bestuur verplicht is om verantwoording af te leggen aan de aandeelhouders binnen de AV over de wijze waarop hij de NV bestuurt en over het gevoerde beleid en de gevoerde strategie. De AV is een plek waar aandeelhouders en bestuur met elkaar van gedachten kunnen wisselen, ook over zaken waartoe de AV niet bevoegd is om te besluiten. In die zin kan de AV niet “genegeerd” worden. Wanneer de onvrede van aandeelhouders voortduurt, ook bij voortdurende en zorgvuldige verantwoording over een verdedigbaar beleid, kan het bestuur uiteindelijk toch kiezen zijn eigen strategische route te volgen wanneer dit in het belang is van de NV en haar onderneming. Gezien de ontwikkelingen in de rechtspraak lijkt het mij dan ook dat het zich in de praktijk wel laat indenken dat de visie van een meerderheid van de aandeelhouders consequent en langdurig wordt genegeerd door het bestuur, in die zin dat de mening van een meerderheid van de AV niet wordt gevolgd, mits dit in het belang is van de NV en haar onderneming, het bestuur zorgvuldig omgaat met de belangen van aandeelhouders en hierover voldoende verantwoording blijft afleggen. Uiteraard is dit een onwaarschijnlijk scenario, waarin de meerderheid van de AV consequent aanstuurt op een ontwikkeling die strijdig is met het belang van de NV en haar onderneming. Een beleid dat ingaat tegen de wensen van aandeelhouders kan enkel gevolgd worden indien sprake is van adequate beschermingsconstructies, omdat de AV anders simpelweg het bestuur en de raad van commissarissen kan vervangen of de noodzakelijke medewerking aan belangrijke besluiten kan weigeren. In algemene zin zal het ook binnen de verantwoordelijkheid van het bestuur passen om te zorgen dat de organen van de vennootschap op dusdanige wijze met elkaar samenwerken dat efficiënte besluitvorming wordt gegarandeerd.