Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.5.8.2
3.5.8.2 De PSLRA’s damages cap
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655864:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Strikt genomen is de schadevergoedingsbeperking van Section 21D (e) alleen van toepassing wanneer de eisende belegger in het kader van zijn vordering tot schadevergoeding aanknoopt bij de marktprijs van het litigieuze effect. In de praktijk is dat vrijwel altijd het geval.
Ik benadruk dat het hier gaat om de schadevergoeding per gekocht effect.
Zie over deze doelstelling van de wetgever onder meer Thompson 1996, p. 1193; Scudder 1997, p. 456-459; Booth 2004, p. 1047-1048.
Zie in dit verband ook de volgende overweging uit de uitspraak Acticon AG v. China North East Petroleum Holdings Ltd., 692 F.3d 34, 39 (2d Cir. 2012): ‘The PSLRA’s legislative history indicates that Congress imposed this limitation because it believed that “[c]alculating damages based on the date corrective information is disclosed may substantially overestimate plaintiff’s actual damages.” (…) It intended the “bounce back” provision to have the effect of “limiting damages to those losses caused by the fraud and not by other market conditions.” (…) Aside from imposing the “bounce back” cap on recoverable damages, Congress did not otherwise disturb the traditional out-of-pocket method for calculating damages in the PSLRA.’ (curs. ACWP)
Lev & De Villiers 1994.
Zie voor een instructieve beschrijving van de wijze waarop een crash zich in de praktijk ontvouwt Lev & De Villiers 1994, p. 14-15. Zie in dit verband ook Cornell & Rutten 2006, p. 464-469; Scudder 1997, p. 456-459.
Met ‘residuele koersdaling’ wordt hier bedoeld de koersdaling gecorrigeerd voor (het koerseffect veroorzaakt door) markt- en/of sectorspecifieke factoren.
Opvallend is dat in de regeling er kennelijk van wordt uitgegaan dat het bekend worden van de misleiding altijd een crash tot gevolg heeft (en dat de koers zich altijd op korte termijn weer herstelt). In de regeling wordt er kennelijk geen rekening mee gehouden dat het ook zo kan zijn dat het bekend worden van de misleiding geen crash tot gevolg heeft. Aangezien de regeling in het laatstgenoemde scenario onverminderd van toepassing is, heeft zij onbedoelde neven-effecten. In § 6.4.3 kom ik hier op terug.
Zie onder meer Thompson 1996; Dickey & Mayer 1996; Scudder 1997; Booth 2004.
§ 6.4.3.
De regeling van Section 21D(e) omtrent de maximering van de schadevergoeding is van toepassing op alle aansprakelijkheidsclaims die op grond van de Securities Exchange Act worden ingesteld.1 De regeling houdt in dat de schadevergoeding waarop de belegger maximaal recht heeft, gelijk is aan het verschil tussen enerzijds de koopprijs van het litigieuze effect (of bij van een misleidende negatieve voorstelling van zaken: de verkoopprijs) en anderzijds de gemiddelde koers van het effect gedurende een periode van negentig dagen nadat de misleiding bekend is geworden.2, 3 Heeft de belegger zijn effecten binnen deze periode van negentig dagen echter weer verkocht (of bij een misleidende negatieve voorstelling van zaken: weer teruggekocht), dan geldt een andere bovengrens. In dat geval wordt de schadevergoeding gemaximeerd op het verschil tussen enerzijds de koopprijs van het effect (of bij een misleidende negatieve voorstelling van zaken: de verkoopprijs) en anderzijds de gemiddelde koers gemeten over de periode die loopt van het tijdstip waarop de misleiding bekend werd en het tijdstip waarop de belegger zijn effecten heeft verkocht (of bij een misleidende negatieve voorstelling van zaken: het tijdstip waarop de belegger de eerder verkochte effecten heeft teruggekocht). In de literatuur wordt de genoemde negentig-dagen-periode (of de kortere periode bij een tussentijdse verkoop of terugkoop) ook wel aangeduid als ‘look back period’ of ‘bounce back period’.
Een van de problemen die de wetgever met deze bepaling beoogde te adresseren, was dat het in de praktijk nogal eens voorkomt dat het bekend worden van de misleiding resulteert in een zogenoemde ‘crash’, met als gevolg dat de (direct) door de misleiding veroorzaakte koersschade wordt overschat.4, 5 Met een crash wordt hier bedoeld dat de koers die tot stand komt vlak nadat de misleiding bekend is geworden, geen goede weerspiegeling is van de fundamentele waarde van het onderliggende aandeel. Hoewel deze doelstelling in de parlementaire stukken niet steeds even duidelijk naar voren komt, blijkt zij onder meer uit het feit dat in de toelichting op de PSLRA wordt verwezen naar een studie van Lev en De Villiers uit 1994.6 In deze studie wordt het fenomeen van de crash geanalyseerd. Zo’n crash kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de corrigerende mededeling tot gevolg heeft dat op grote schaal ‘paniekverkopen’ plaatsvinden.7 Die paniekverkopen zorgen er dan voor dat de residuele koersdaling8 die intreedt veel groter is dan de fundamentele waarde van de (informatie opgenomen in) corrigerende mededeling rechtvaardigt. Meestal zal zo’n door paniekverkopen veroorzaakte koersval echter maar van korte duur zijn en zal de koers zich op korte termijn weer herstellen. Dit empirische gegeven wordt door de regeling tot uitgangspunt genomen.9 Door bij het vaststellen van de (rechtens vergoedbare) schade aan te knopen bij de gemiddelde koers gemeten over de bedoelde negentig-dagen-periode (in plaats van aan te knopen bij de koers die tot stand komt vlak na het bekend worden van de misleiding), wordt de geobserveerde koersdaling voor het crash-effect gecorrigeerd, aldus is de gedachte, waardoor de (hoogte van de) door de belegger te ontvangen schadevergoeding meer in lijn ligt met de daadwerkelijk door de misleiding veroorzaakte koersschade.
De regeling van Section 21D(e) is in de literatuur hevig bekritiseerd.10 In hoofdstuk 6 kom ik hier op terug.11