Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/5.3
5.3 De administratieplichtige bij Europese entiteiten met statutaire zetel in Nederland
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180035:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EEG) Nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV) (“EESV-verordening”).
Verordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (“SE-verordening”).
Verordening van de Raad (EG) Nr. 1435/2003 van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (“SCE-verordening”).
Wet van 28 juni 1989, houdende uitvoering van de Verordening nr. 2137/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (Uitvoeringswet EESV) (”Uitv. EESV”), Stb. 1989, 245.
Asser/Rensen 2-III 2017/514. Artikel 3 lid 4 Uitv. EESV bevat voor het overige de eisen waaraan de jaarrekening van het EESV moet voldoen.
Ook de overige bepalingen die op grond van artikel 3 lid 2 Uitv. EESV van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing zijn, zijn dat niet voor de SE en de SCE.
Wet van 17 maart 2005 tot uitvoering van verordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap) (“Uitv. SE”), Stb. 2005, 150 en Wet van 14 september 2006 tot uitvoering van verordening (EG) Nr. 1435/2003 van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap) (“Uitv. SCE”),Stb. 2006, 425.
Artikel 9 lid 1 sub c onder ii) SE-verordening.
Artikel 8 lid 1 sub c onder ii) SCE-verordening.
H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 36.
Er bestaat een drietal verschillende Europese entiteiten die hun statutaire zetel in Nederland kunnen hebben. Het zijn het EESV1, de SE2 en de SCE3. Voor het EESV met een statutaire zetel in Nederland geldt op grond van artikel 3 lid 2 Uitv. EESV4 dat artikel 2:10 BW van toepassing is.5 Dat betekent dat voor het EESV met statutaire zetel in Nederland zowel artikel 3:15i BW (wanneer ten minste in Nederland een bedrijf of zelfstandig een beroep wordt uitgeoefend) als artikel 2:10 BW van toepassing is.6
Voor de toepasselijkheid van artikel 2:10 BW zou nog onderscheid gemaakt kunnen worden tussen de situatie dat wel of geen werkzaamheden in Nederland worden uitgevoerd. In lijn met de visie dat bij een rechtspersoon naar Nederlands recht artikel 2:10 BW van toepassing is, ongeacht waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, zou ook voor de EESV op dat punt de statutaire zetel leidend moeten zijn.
Verder wordt in artikel 3 lid 4 Uitv. EESV uitdrukkelijk bepaald dat de in artikel 2:10 BW genoemde bescheiden – balans en staat van baten en lasten – voorzien van een toelichting de jaarrekening vormen van het EESV. Artikel 3 lid 4 Uitv. EESV geeft daarmee weer dat de op grond van artikel 2:10 BW door het EESV gevoerde administratie de basis is van de door het EESV op te stellen jaarrekening.7
Voor de SE en de SCE geldt dat een specifieke bepaling omtrent de toepasselijkheid van artikel 2:10 BW8 in de respectieve uitvoeringswetten ontbreekt.9 De reden hiervoor is dat in de SE-verordening en in de SCE-verordening, anders dan in de EESV-verordening, een bepaling is opgenomen waarin het op de SE respectievelijk SCE toepasselijke recht is weergegeven. Uit de SE-verordening volgt dat voor aangelegenheden die niet door de SE-verordening worden geregeld of – wanneer een aangelegenheid slechts gedeeltelijk is geregeld – voor die aspecten die niet onder de SE-verordening vallen de wettelijke voorschriften van de lidstaten gelden welke zouden gelden voor een naamloze vennootschap die is opgericht overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft.10 Voor de SCE geldt een vergelijkbare bepaling op grond van de SCE-verordening, waar voor vergelijkbare aangelegenheden de wetten van de lidstaten gelden, welke zouden gelden voor een coöperatie die is opgericht overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de SCE haar statutaire zetel heeft.11
Omdat nergens in de SE-verordening of de SCE-verordening een bepaling is opgenomen over het toepasselijke recht ter zake van de administratieplicht, kan op grond van artikel 9 lid 1 onder c ii SE-verordening en artikel 8 lid 1 onder c ii SCE-verordening worden betoogd dat artikel 2:10 BW voor de SE en SCE van toepassing is.12 Hoewel hij dit niet expliciet vermeldt in zijn boek Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, lijkt dit ook de achterliggende reden te zijn van Beckmans opvatting dat moet worden aangenomen dat artikel 2:10 BW ook van toepassing is op de SE en de SCE met een statutaire zetel in Nederland.13 Uitgaande van deze uitleg van artikel 9 lid 1 onder c ii SE-verordening en artikel 8 lid 1 onder c ii SCE- verordening, betekent dit dat voor de SE en de SCE met een statutaire zetel in Nederland ook zowel artikel 3:15i BW als artikel 2:10 BW geldt, wanneer – voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 3:15i BW – deze entiteiten een bedrijf of zelfstandig een beroep in Nederland uitoefenen.
Zeker gezien de serieuze gevolgen die het niet-naleven van de administratieplicht in geval van faillissement kan hebben op grond van artikel 2:138/ 2:248 BW, zou het naar mijn mening voor de rechtszekerheid van de bestuurder van een SE of een SCE met statutaire zetel in Nederland beter zijn wanneer de toepasselijkheid van artikel 2:10 BW en artikel 2:138/2:248 BW niet alleen afhankelijk zou zijn van de ruime toepasselijkheid van artikel 9 SE-verordening respectievelijk artikel 8 SCE-verordening maar dat dit evenals bij het EESV het geval is expliciet bepaald zou zijn in de Uitv. SE en de Uitv. SCE. Dat dit niet nodig is omdat het uit de SE-verordening en de SCE-verordening kan worden afgeleid, is vanuit legistisch oogpunt mogelijk wel voldoende maar een expliciete bepaling heeft mijn voorkeur gezien de omvangrijke risico’s die kleven aan niet-naleving van de administratieplicht in geval van faillissement van de SE of de SCE.