Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.10.2
4.7.10.2 Het bevoegde bestuursorgaan
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503644:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 januari 1987, NJ 1988/89 m.nt. M. Scheltema, r.o. 4.2 (Blaricum/Roozen).
Zie – met zoveel woorden – CRvB 8 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1103, AB 2017/ 168 m.nt. C.N.J. Kortmann (Herbeoordeling ZZP-dossiers), Rb. Arnhem 30 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC3925, r.o. 4.3 (Varkenshouderij Zaltbommel), Rb. Middelburg 6 januari 2010, ECLI:NL:RBMID:2010:BL0878, r.o. 4.3-4.4 (Pelana/Schouwen-Duiveland) en Rb. Overijssel 17 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3126, r.o. 4.4.4 (Appartementencomplex Rijssen-Holten). Vgl. Hof Amsterdam 22 maart 1984, NJ 1985/ 297 (NAB/Spierings) en Rb. Groningen 14 september 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BS1181, r.o. 4.26 (Bureau Jeugdzorg). Vgl. met betrekking tot kennis van de feiten Hof Arnhem 11 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC8598 (Staat/Achmea).
Hof ‘s-Gravenhage 14 april 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AT3883 (KPN/OPTA). Vgl. HR 27 juni 1986, NJ 1987/898 m.nt. M. Scheltema, AB 1987/241 m.nt. F.H. van der Burg (Rauwerda/Staat en Kaufmann of Methadonbrief), waarin een Inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid door middel van een door zijn gezag gedekte en daardoor effectieve opwekking tot boycot had ingegrepen in het recht van de huisarts Rauwerda om zijn praktijk naar eigen inzicht uit te oefenen.
Artikel 3.1 Wro. Algemeen verbindende voorschriften zijn naar buiten werkende, de burgers bindende regels, die uitgaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Zie HR 10 juni 1919, NJ 1919/647 (Rogge) en meer recent HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0393, AB 2012/228 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2012/178 m.nt. J.J.J. Sillen, r.o. 3.8 (Knooble/Staat).
Artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder a, jo. 2.4 lid 1 en 2.10 lid 1, aanhef en onder c, Wabo respectievelijk artikel 125 Gemeentewet.
Vgl. Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716 (Principebesluit Brummen). Hieronder moet ook informatieverstrekking door een ambtenaar worden begrepen, indien deze ambtenaar gemachtigd is door het bestuursorgaan om informatie te verstrekken (vgl. artikel 10:2 jo. 10:12 Awb).
Het gezichtspunt van de hoedanigheid van de overheid legt het meeste gewicht in de schaal van het gerechtvaardigd vertrouwen indien de onjuiste informatie is verstrekt door het bestuursorgaan dat beschikt over bestuursrechtelijke bevoegdheden met betrekking tot het wettelijk kader waarover het zich heeft uitgelaten. In het aansprakelijkheidsrecht voor het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen geldt zelfs als uitgangspunt dat de burger snel mag vertrouwen op uitlatingen die zijn gedaan door het bevoegde bestuursorgaan. In het arrest Blaricum/Roozen (zie hierover paragraaf 3.4.5.2 en 5.3) noemt de Hoge Raad bijvoorbeeld als eerste gezichtspunt dat de onjuiste informatie over de toelaatbaarheid van bouwen op een terrein aan Roozen is gegeven ‘door B en W zelf, die ook bevoegd waren de beslissing omtrent de aanvraag van een bouwvergunning te nemen’.1 De relevantie van dit gezichtspunt is gelegen in de beginselen van legaliteit en specialiteit.
De wet geeft het bestuursorgaan de bevoegdheid om publiekrechtelijke rechtshandelingen te verrichten ter zake van het onderwerp van de informatieverstrekking. Om die reden moet worden aangenomen dat het bestuursorgaan bij uitstek deskundig is met betrekking tot de uitleg van die wet en de publiekrechtelijke rechtshandelingen die het op grondslag daarvan heeft verricht (paragraaf 4.7.9).2 Hieraan doet niet af dat het bestuursorgaan zijn uitlatingen meestal niet doet ter voldoening aan een wettelijke verplichting of taak op het gebied van informatieverstrekking (hoofdstuk 2). Het ontbreken van een wettelijke informatieverplichting neemt immers niet weg dat de uitlatingen worden gedaan in de sfeer van een bevoegdheidsuitoefening (paragraaf 2.3.1.1). Het gaat veelal om accessoire informatieverstrekking (zie paragraaf 3.2.1), die niet los kan worden gezien van de bevoegdheid om de burger bindende besluiten te nemen met betrekking tot het onderwerp van de informatieverstrekking. De wettelijke toedeling van de bevoegdheid om deze besluiten te nemen is dus van belang bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van informatieverstrekking.
Veelzeggend in dit verband is bijvoorbeeld de navolgende overweging van het Hof ‘s-Gravenhage met betrekking tot uitlatingen van OPTA:3 ‘Het gaat hier om uitingen van een zelfstandig bestuursorgaan, dat gelet op de naam en het optreden naar buiten door het publiek zal worden beschouwd als onafhankelijk overheidsorgaan en tevens als ‘autoriteit’. Daardoor zal het publiek aan de uitingen/ informatie van OPTA meer gezag toekennen en daarop eerder vertrouwen dan op uitingen van een commerciële onderneming.’
Het uitgangspunt dat de burger relatief snel mag vertrouwen op uitlatingen die zijn gedaan door het bevoegde bestuursorgaan geldt temeer, indien het informatie over het ‘eigen recht’ (of beleid) betreft, waarmee ik doel op recht dat tot stand is gekomen met gebruikmaking van de eigen regelgevende bevoegdheden van het bestuursorgaan of van een ander bestuursorgaan dat tot dezelfde publiekrechtelijke rechtspersoon behoort. Hierbij kan in het bijzonder worden gedacht aan het bestemmingsplan, dat wordt vastgesteld door de gemeenteraad, en een algemeen verbindend voorschrift is.4 Uitleg daaraan wordt gegeven door het college van burgemeester en wethouders, bijvoorbeeld wanneer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd en moet worden beoordeeld of die activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, maar ook wanneer een verzoek wordt gedaan om handhavend op te treden tegen het gebruik van een perceel in strijd met het bestemmingsplan. In beide kaders beschikt het college over relevante bevoegdheden.5
Het gezichtspunt van de hoedanigheid van de overheid zal in het algemeen een zwaarwegende eerste aanwijzing vormen dat gerechtvaardigd mag worden vertrouwd op de gegeven informatie, indien deze door het bevoegde bestuursorgaan is verstrekt.6