Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.7:3.7 Samenvatting en conclusies
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.7
3.7 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS489448:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op een behoorlijk proces in art. 6 is een van de belangrijkste en ook meest ingeroepen rechten van het EVRM. Deze waarborg houdt niet alleen een toegang tot de rechter in, maar stelt ook eisen aan de manier waarop de procedure respectievelijk de beslissing van de rechter gestalte krijgt. De zaak moet behoorlijk (‘fair’) en in het openbaar worden behandeld.
‘Criminal charge’-begrip
Het recht op een behoorlijk strafproces is toepasselijk op alle procedures waarin de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging (‘criminal charge’) wordt bepaald. Het EHRM legt het criminal charge-begrip in art. 6 EVRM autonoom, dat wil zeggen los van de nationale rechtsorden van verdragsstaten uit. In de zaak Engel ontwikkelt het EHRM drie criteria voor de beoordeling of een sanctie een strafkarakter heeft (en niet disciplinair). Ten eerste is van belang of de (wet)tekst die de overtreding definieert in de verdragsstaat tot het strafrecht behoort. Is aan dit criterium voldaan dan is sprake van een criminal charge. Zo nee, dan komen twee andere criteria in beeld, te weten de aard van de overtreding en de aard en zwaarte van de (maximaal bedreigde) straf.
Het ‘criminal’-begrip wijkt niet af in belastingzaken waarin een zogenoemde verhoging (geldboete) speelt. Via de band van een aan de belastingplichtige opgelegde geldboete, heeft het Hof het recht op een behoorlijk strafproces meer dan eens toepasselijk verklaard op de (belasting)procedure waarin de verschuldigde belasting wordt vastgesteld.
Het ‘charge’-begrip is niet beperkt tot de officiële (straf)aanklacht. Daaronder vallen ook maatregelen van de vervolgende autoriteiten, die een strafaanklacht impliceren en dienovereenkomstig de situatie van de verdachte wezenlijk beïnvloeden.
Toepasselijkheid art. 6 EVRM op het vooronderzoek
Art. 6 is van toepassing vanaf het moment dat de verdachte is ‘charged with a criminal offence’. Het recht op een behoorlijk strafproces beperkt zich niet tot de strafzitting zelf. Het strekt zich ook uit tot het vooronderzoek, indien en voor zover de ‘fairness’ van een strafzaak serieus zou worden aangetast doordat tijdens dat onderzoek niet wordt voldaan aan de garanties in art. 6. Het recht op een behoorlijk strafproces is sterk gericht op de rechten van de verdediging. Essentiële kenmerken van een behoorlijk strafproces zijn dat de procedure op tegenspraak wordt gevoerd en dat partijen over gelijke middelen beschikken. art. 6 wordt daarom ook wel vereenzelvigd met de adversaire procesvorm, waarin de verdachte zijn eigen procespositie kan bepalen.
Tenzij de aard van de in art. 6 vastgelegde of belichaamde deelrechten zich daartegen verzet – bepaalde (deel)rechten in art. 6 EVRM zijn juist van toepassing tijdens het vooronderzoek in bestuurlijke strafprocedures –, hoeft een niet-gerechtelijke procedure waarin een burger door de overheid zelf wordt bestraft voor de overtreding van een voorschrift, niet te voldoen aan de procedurele waarborgen in art. 6. Wanneer de sanctie een strafkarakter heeft, dan zal de latere gerechtelijke procedure waarin de gegrondheid van de straf wordt bepaald wel daaraan moeten voldoen.
Art. 6 is geen absoluut recht
Het Hof heeft regelmatig beperkingen van de in art. 6 EVRM vastgelegde of belichaamde rechten toegestaan. Die mogen echter niet de essentie daarvan aantasten. De beperking moet bovendien een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn binnen een democratische samenleving. Wanneer een minder beperkende maatregel volstaat, dan moet die maatregel worden toegepast. Deze uitgangspunten verwoorden het proces dat inherent is aan de taak van onder meer het Hof om een redelijke balans te vinden tussen de noden van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu.
Toetsing punitief bewijs aan art. 6
Terwijl het tegen de verdachte ingebrachte bewijs vaak van beslissend belang is voor (de uitkomst van) een strafzaak, neemt de bewijsvoering in het nationale strafproces in de rechtspraak over art. 6 EVRM een nogal ambivalente plaats in. Uit het artikel vloeien geen regels voort over de toelaatbaarheid van het bewijs, mits de verdachte een behoorlijk proces krijgt. Het is enkel de taak van het Hof om vast te stellen of de strafprocedure als geheel, inclusief de manier waarop het bewijs is verkregen, voldoet aan de vereisten van art. 6. De toetsing van het tegen de verdachte ingebrachte bewijs aan art. 6 concentreert zich op vier aspecten, te weten:
de (mogelijkheid van) betwisting door de verdediging van het gebruik en de authenticiteit van de aan de rechter gepresenteerde bewijsmiddelen;
de betrouwbaarheid van die middelen;
de overtuigingskracht van die middelen; en
de wijze van verkrijging ervan door de (vervolgende) autoriteiten.