Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.3.1
3.3.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291167:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage A, punt 2 bij het Voorstel voor een tweede richtlijn.
Bijlage A, punt 2 bij de Tweede Richtlijn.
Werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 19 november 1974, nr. T/631/74 (FIN), p. 2 en werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 14 juli 1975, nr. T/440/75 (FIN), p. 4.
In werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 19 november 1974, nr. T/631/74 (FIN), p. 2 wordt opgemerkt: “De Groep overwoog om (..) de volgende redactie aan te nemen (…).”
In de Nederlandse parlementaire geschiedenis is over de thuiswerkers het volgende opgemerkt: “De in de huidige wet [Wet OB 1954; MvdW] voorkomende bepaling met betrekking tot de zgn. „thuiswerkers' (personen die slechts ten behoeve van enkele ondernemers en met inachtneming van de aanwijzingen van dezen bepaalde werkzaamheden thuis verrichten) is in het ontwerp niet opgenomen. Getoetst aan het algemeen criterium van zelfstandigheid zullen deze personen toch reeds niet als ondernemer kunnen worden aangemerkt, zodat een afzonderlijke bepaling daarvoor overbodig voorkomt” (MvT, Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 32).
B.G. van Zadelhoff, Belastingplichtige in de BTW (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 36-37.
G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 91 en A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 145.
G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 91 en P. Melz, ‘Activities outside the Scope and Exempt Activities’, International VAT Monitor September/October 2011, p. 330.
Uit de definitie van het begrip ‘belastingplichtige’ in art. 9 lid 1, eerste alinea Btw-richtlijn volgt dat de poort van de belastingplicht niet openstaat voor iedereen die een economische activiteit verricht, maar alleen voor diegene die een economische activiteit zelfstandig verricht. In de toelichting op art. 2 Voorstel voor een tweede richtlijn merkt de Europese commissie over dit begrip het volgende op:
“De term "zelfstandig" beoogt in de eerste plaats die personen van de belastingheffing uit te sluiten, die bij een werkgever in loondienst zijn, daaronder begrepen de z.g. thuiswerkers. Voorts biedt deze term elke Lid-Staat de mogelijkheid personen, die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch die onderling door financiële, economische en organisatorische betrekkingen verbonden zijn, niet als afzonderlijke belastingplichtigen te beschouwen, maar tezamen als één belastingplichtige aan te merken.(…)”1
Uit de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Tweede Richtlijn en Zesde Richtlijn volgt dat geen van de lidstaten bezwaren heeft geuit tegen de zelfstandigheidseis in het Voorstel voor een tweede richtlijn. Ook ten aanzien van de invulling van dit begrip heb ik geen bezwaren aangetroffen. Hieruit leid ik af dat met de gewijzigde formulering van de toelichting op art. 2 Tweede Richtlijn geen materiële wijziging is beoogd:
“De term “zelfstandig” beoogt met name loontrekkenden die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan, van de belastingheffing uit te sluiten. Voorts biedt deze term elke Lid-Staat de mogelijkheid personen, die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch onderling financieel, economisch en organisatorisch verbonden zijn, niet als afzonderlijke belastingplichtigen te beschouwen, maar te zamen als één belastingplichtige aan te merken. (...)”2
Zoals reeds is aangegeven, laat ik de optionele uitzondering op de zelfstandigheid van personen die juridisch gezien zelfstandig zijn in dit hoofdstuk onbesproken. Ik volsta met de opmerking dat uit de bewoordingen van deze uitzondering, die thans te vinden is in art. 11 Btw-richtlijn, volgt dat een rechtspersoon voldoet aan de zelfstandigheidseis, tenzij sprake is van een fiscale eenheid. In art. 4 lid 4 Voorstel voor een zesde richtlijn is ervoor gekozen om het begrip ‘zelfstandigheid’ ten aanzien van de werknemers en wat ik maar aanduid als de ‘schijnzelfstandigen’ nader in te vullen:
“De (...) term zelfstandig sluit van de belastingheffing de loontrekkenden en andere personen uit, die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of een soortgelijk contract waaruit een verhouding van nauwe ondergeschiktheid ontstaat.”
Uit de vergaderstukken met betrekking tot de totstandkoming van de Zesde Richtlijn blijkt niet dat deze invulling op bezwaren stuitte. Wel blijkt uit deze stukken dat de lidstaten het erover eens waren dat de uitzondering op de zelfstandigheid beperkt diende te blijven tot de handelingen in de hoedanigheid van werknemer of ‘schijnzelfstandige’ én dat ‘de verhouding van een nauwe ondergeschiktheid’ nader moest worden ingevuld:
“De (..) term “zelfstandig” sluit van de belastingheffing uit voor zover die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of die door enige andere juridische betrekking gebonden zijn waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.”3
Uit de vergaderstukken leid ik af dat de Groep financiële vraagstukken deze wijziging beschouwde als een redactionele wijziging.4 Deze voorgestelde redactie is door de Raad overgenomen in art. 4 lid 4, eerste alinea Zesde Richtlijn en sinds de inwerkingtreding van de Btw-richtlijn te vinden in art. 10 Btw-richtlijn.
Uit de negatieve definitie van het begrip ‘zelfstandig’ in art. 10 Btw-richtlijn en haar historie is naar mijn mening af te leiden dat met de zelfstandigheid een eis wordt gesteld aan de wijze waarop een economische activiteit wordt verricht: de economische activiteit mag niet als een ondergeschikte worden verricht. Daarnaast maakt het woord ‘of’ duidelijk dat art. 10 Btw-richtlijn twee onzelfstandigheidssituaties onderscheidt: een persoon ontvangt loon op grond van een arbeidsovereenkomst (juridische ondergeschiktheid) óf er is sprake van een andere juridische band waaruit een verhouding van ondergeschiktheid voortvloeit ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever (feitelijke ondergeschiktheid). Onder die laatste categorie vallen de in de richtlijnhistorie genoemde thuiswerkers.5 Ten slotte maakt het woord ‘voor zover’ duidelijk dat de persoon die een economische activiteit juridisch en/of feitelijk als werknemer verricht wel een belastingplichtige kan zijn voor een andere economische activiteit die hij wel zelfstandig (lees: niet als ondergeschikte) verricht.6 Waarom personen voor zover zij (feitelijk) handelen als ondergeschikte van de belastingplicht moeten worden uitgesloten, vermeldt de richtlijnhistorie niet. Wel volgt uit de richtlijnhistorie dat alle lidstaten deze inbreuk op het beginsel van algemene heffing onderschreven. Die eensgezindheid is naar mijn mening niet ongegrond. Met Van Norden ben ik van mening dat de uitsluiting van (feitelijke) werknemers van de belastingplicht theoretisch juist is, omdat werknemers geen zelfstandige schakel zijn in de productie- en handelsketen.7 Daarnaast is het praktisch ondoenlijk om (feitelijke) werknemers als belastingplichtigen te beschouwen.8