Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht
Einde inhoudsopgave
Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht (VDHI nr. 127) 2015/5.5:5.5 Conclusie
Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht (VDHI nr. 127) 2015/5.5
5.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius, datum 20-11-2014
- Datum
20-11-2014
- Auteur
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius
- JCDI
JCDI:ADS594185:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De besluiten van de algemene vergadering tot vaststelling van de jaarrekening inhoudende een impliciet uitkeringsbesluit (onverkorte toepassing van artikel 2:216 lid 1 (O)BW) en het uitkeringsbesluit (statutaire afwijking van artikel 2:216 lid 1 (O)BW) dienden, onder het recht van vóór 1 oktober 2012, naar hun karakter (doel en strekking1) te worden beschouwd als direct extern werkende besluiten. Het uitkeringsbesluit bevatte naast interne wilsvorming ook vertegenwoordiging. Met het besluit van de algemene vergadering werd tevens de rechtspositie van de aandeelhouders buiten orgaanverband nader bepaald, zonder dat een aparte vertegenwoordigingshandeling viel aan te wijzen. In de woorden van Van der Heijden: ‘geen handeling, als naar buiten blijkende werkzaamheid, valt aan te wijzen.’2 Het uitkeringsbesluit behelsde de wil van de BV bij monde van de algemene vergadering tot uitkering van dividend én het doen ontstaan van een opeisbare vordering van aandeelhouders ten opzichte van de vennootschap, tot betaling van hun deel in de winst. Deze kwalificatie sloot aan bij het wettelijk uitgangspunt ‘uitkeren’ van artikel 2:216 lid 1 (O)BW.
Het uitkeringsbesluit dient mijns inziens te worden beschouwd als hét schoolvoorbeeld van een direct extern werkend besluit. Nu de aandeelhouders buiten orgaanverband en de aandeelhouders binnen orgaanverband tijdens de AV waren verenigd in dezelfde persoon, waren de aandeelhouders buiten orgaanverband als begunstigde meteen op de hoogte van het genomen uitkeringsbesluit. Het vaak genoemde voorbeeld van het besluit tot benoeming van een bestuurder was mijns inziens minder zuiver, omdat de bestuurder ten tijde van het nemen van het benoemingsbesluit vaak niet aanwezig was en nog door middel van een bodehandeling op de hoogte moest worden gebracht van de inhoud van het genomen besluit.
In het volgende hoofdstuk wordt bezien hoe met deze dogmatische perceptie van het uitkeringsbesluit werd omgesprongen in de rechtspraak.