Einde inhoudsopgave
Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht (VDHI nr. 127) 2015/5.1
5.1 Inleiding
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius, datum 20-11-2014
- Datum
20-11-2014
- Auteur
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius
- JCDI
JCDI:ADS595316:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/17 en Maeijer 1978, p. 4. Het verdient opmerking dat er ook kapitaalvennootschappen bestaan die niet zijn gericht op het behalen van winst. Dergelijke vennootschappen zijn toegestaan mits voldaan is aan de geldende formele oprichtingsvereisten.
Artikel 42d lid 1 Wetboek van Koophandel (oud): ‘Voor zooverre bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, komt de winst den aandeelhouders ten goede.’
Zie Van der Heijden 1936 (i), p. 39. Naar nieuw recht rijst in dit kader de vraag welk voordeel onder de leden wordt verdeeld indien de vennootschap na uitkering een negatief eigen vermogen heeft. Zie hierover Van Veen & Van der Zanden 2014, p. 29-40 en paragraaf 7.7 onder ii.
Zie in dit verband Asser/Maeijer 2-III 2000/449 en Bier (diss. Rotterdam) 2003, p. 59.
Zie in dit verband hoofdstuk 2, p. 11-12.
Zie Kamerstukken II 1971/72, Wijziging van het Wetboek van Koophandel, 61ste vergadering 4 maart 1971, p. 3155.
Naast het stemrecht is het winstrecht het belangrijkste recht dat aan een aandeel is verbonden. In dit hoofdstuk wordt het uitkeringstraject met betrekking tot dividenduitkeringen aan aandeelhouders naar oud recht met het oog op besluitvorming en vertegenwoordiging geanalyseerd. Een dividenduitkering raakt de kerndoelstelling van de rechtsvorm BV. In bewoordingen van Van Solinge en Nieuwe Weme luidt deze kerndoelstelling als volgt: ‘De NV en BV zijn typologisch gericht op het behalen van winst, van vermogensrechtelijk voordeel, ten behoeve van de aandeelhouder( s).’1 Deze doelstelling was niet opgenomen in artikel 2:175 lid 1 (O)BW, de wettelijke definiëring van de rechtsvorm BV. De typologische gerichtheid van de BVop het behalen van winst kon wel indirect worden afgeleid uit artikel 2:216 (O) BW. In dit kader merkte Van der Heijden in 1936 over artikel 42d Wetboek van Koophandel (oud),2 de voorloper van artikel 2:105 BW en 2:216 (O)BW, het volgende op: ‘Doel van de vennootschap nu is het behalen van voordeel om dit onder de leden te verdeelen (art. 1655 B.W.). Het beoogde voordeel zal vermogensrechtelijk voordeel, winst, en voor verdeeling vatbaar moeten zijn. De artt. 42 en 42d bevestigen dit.’3Artikel 2:216 lid 1 (O)BW bepaalde dat voor zover bij de statuten niet anders was bepaald, de winst de aandeelhouders ten goede kwam. Op grond van artikel 2:216 lid 8 (O)BW kon geen van de aandeelhouders geheel worden uitgesloten van het delen in de winst. Uit deze leden viel een duidelijk winstoogmerk van de BV te herkennen, namelijk dat de winst naar het wettelijk uitgangspunt elke aandeelhouder ten goede kwam.4 Het rendementsbelang van de aandeelhouders, als verschaffers van risicodragend kapitaal en houders van een eigendomstitel5 in het kapitaal van de onderneming, werd door artikel 2:216 (O)BW voorop gesteld. In dit verband merkte Minister Polak in 1971 over artikel 42d Wetboek van Koophandel (oud) het volgende op: ‘Artikel 42d van het Wetboek van Koophandel bepaalt dat, voor zover bij de statuten niet anders is bepaald de winst de aandeelhouders ten goede komt. Dat kan ook moeilijk anders; het vermogen is het vermogen van de vennootschap; de winst is haar winst, die aan den vennoten, de aandeelhouders, toekomt. Trouwens, voor zover de reserves niet statutair gebonden zijn, kan de aandeelhoudersvergadering daarover eveneens beschikken.’6 [Onderstr. MC]
Voor de analyse van het uitkeringstraject van vóór 1 oktober 2012 worden achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandeld: het wettelijk uitgangspunt: winst komt de aandeelhouders ten goede (paragraaf 5.2); statutaire afwijking van het wettelijk uitgangspunt (paragraaf 5.3); kwalificatie van besluitvorming en vertegenwoordiging (paragraaf 5.4); interne en externe orde (paragraaf 5.4.1); interne werking (paragraaf 5.4.2); interne besluiten (paragraaf 5.4.2.1); indirect extern werkende besluiten (paragraaf 5.4.2.2); (direct) extern werkende besluiten: vertegenwoordiging bij besluit (paragraaf 5.4.3); jurisprudentie over direct extern werkende besluiten (paragraaf 5.4.3.1); en de perceptie van het uitkeringsbesluit (paragraaf 5.4.4). Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie (paragraaf 5.5).